Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AR4684

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-10-2004
Datum publicatie
28-10-2004
Zaaknummer
02/2243 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat het beroepschrift was ingediend door iemand die daar onbevoegd voor was. Het bevoegdheidsgebrek was niet met terugwerkende kracht te herstellen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:7
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2004, 365
JB 2005/28
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

02/2243 WW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.

Bij schrijven van 18 april 2002, ondertekend door S. Vermeulen, administratief medewerker van de Afdeling Bezwaar en Beroep van het Uwv, is hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Roermond op 11 maart 2002, nr. 01/1136 WW, tussen partijen gewezen uitspraak (de aangevallen uitspraak), waarnaar hierbij wordt verwezen. Bij beroepschrift van 29 mei 2002, ondertekend door mr. H.J. van Werven, juridisch medewerker van de Afdeling Bezwaar en Beroep van het Uwv, zijn de gronden aangevoerd waarop het hoger beroep berust.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 27 april 2004 is vanwege de Raad aan appellant gevraagd of het hoger beroep bevoegdelijk is ingesteld, waarop door appellant bij schrijven van 14 mei 2004 is geantwoord dat aan het op 18 april 2002 ingestelde voorlopig hoger beroep een bevoegdheidsgebrek kleeft.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 15 september 2004, waar appellant met voorafgaand bericht niet is verschenen, en waar gedaagde in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. G.F. Kortooms, werkzaam bij de Koninklijke Nederlandse Toonkunstenaars-Vereniging te Amsterdam.

II. MOTIVERING

De Raad ziet zich, reeds ambtshalve, allereerst gesteld voor de vraag naar de ontvankelijkheid van het hoger beroep.

In artikel 18 van de Beroepswet - voorzover hier van belang - is bepaald dat hoger beroep bij de Raad tegen een daarvoor in aanmerking komende uitspraak van de rechtbank kan worden ingesteld door een belanghebbende en het bestuursorgaan. In het onderhavige geval is appellant het betrokken bestuursorgaan.

In artikel 9 van Bijlage 3 (Beslissingsbevoegdheden wettelijke regelingen m.b.t. werkloosheid) bij het Mandaatbesluit van de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen heeft appellant de bevoegdheid tot het nemen van de beslissing al dan niet verzet, hoger beroep of cassatieberoep in te stellen tegen uitspraken, beschikkingen of vonnissen of een verzoek om een voorlopige voorziening in te dienen, gemandateerd aan -onder meer- de Medewerker Bezwaar en Beroep.

Uit het antwoord van appellant op de hem vanwege de Raad bij brief van 27 april 2004 gestelde vraag blijkt dat appellant van mening is dat de bevoegdheid tot het instellen van hoger beroep niet is gemandateerd aan de administratief medewerker van de Afdeling Bezwaar en Beroep die het beroepschrift van 18 april 2002 heeft ondertekend. Met appellant moet de Raad derhalve constateren dat aan het beroepschrift van 18 april 2002 een bevoegdheidsgebrek kleeft.

Uit evenbedoeld antwoord van appellant blijkt voorts dat appellant van mening is dat het ingestelde hoger beroep wel inhoudelijk dient te worden beoordeeld omdat op 29 mei 2002 de gronden van het hoger beroep zijn aangevoerd bij een beroepschrift dat is ondertekend door een (juridisch) medewerker Bezwaar en Beroep, die op grond van het hierboven weergegeven artikel 9 van Bijlage 3 bevoegd was om namens appellant hoger beroep in te stellen. Naar appellants mening was het hierboven geconstateerde bevoegdheidsgebrek derhalve slechts tijdelijk.

De Raad kan appellant in die mening niet volgen. Naar zijn oordeel brengt de indiening van het beroepschrift van 29 mei 2002, waarbij de gronden zijn aangevoerd waarop het reeds ingestelde hoger beroep is gebaseerd, niet mee dat het bevoegdheidsgebrek dat kleeft aan het beroepschrift van 18 april 2002 met terugwerkende kracht als hersteld moet worden beschouwd. De enkele omstandigheid dat het beroepschrift van 29 mei 2002 is ingediend door een medewerker Bezwaar en Beroep die tevens bevoegd is om namens appellant hoger beroep in te stellen, biedt daarvoor geen grondslag.

Voorts overweegt de Raad dat het beroepschrift van 29 mei 2002 is verzonden en ontvangen na ommekomst van de termijn voor het instellen van hoger beroep, als bepaald in artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in samenhang met artikel 6:24 van die wet. Het bij beroepschrift van 29 mei 2002 bevoegdelijk ingestelde hoger beroep is derhalve niet tijdig ingesteld, terwijl de Raad niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest, zodat artikel 6:11 van de Awb geen toepassing kan krijgen.

Op grond van bovenstaande overwegingen is de Raad van oordeel dat het hoger beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

Nu het hoger beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard bestaat geen ruimte voor toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb, waarom door appellant is gevraagd. De Raad acht wel termen aanwezig appellant te veroordelen in de proceskosten in hoger beroep, begroot op € 644,-- wegens verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;

Veroordeelt appellant in de kosten van gedaagde, begroot op € 644,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Gelast dat van appellant een recht wordt geheven ten bedrage van € 409,--.

Aldus gegeven door mr. M.A. Hoogeveen als voorzitter en mr. H. Bolt en mr. B.M. van Dun als leden, in tegenwoordigheid van L. Karssenberg als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 27 oktober 2004.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) L. Karssenberg.

RB2010