Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AR4667

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-10-2004
Datum publicatie
28-10-2004
Zaaknummer
03/5793 WAO, 03/5928 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Is het het College van B en W terecht niet-ontvankelijk verklaard in het bezwaar tegen WAO-besluiten inzake gemeente-ambtenaren omdat het niet als belanghebbende kan worden aangemerkt?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

03/5793 WAO, 03/5928 WAO

U I T S P R A A K

in de gedingen tussen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,

en

de gemeente Overbetuwe, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in deze gedingen de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 24 oktober 2001 (hierna: besluit A) heeft appellant niet-ontvankelijk verklaard het bezwaar van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Overbetuwe (hierna: het college) tegen het besluit van appellant van 17 april 2001, houdende met ingang van 7 december 2000 verlaging van de uitkering van [naam betrokkene] te [woonplaats] (Gld) ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.

De rechtbank Arnhem heeft bij uitspraak van 6 oktober 2003, reg.nr.: 01/2146 WAO, (hierna: uitspraak A) het door het college ingestelde beroep tegen besluit A op naam van gedaagde gesteld, dit beroep gegrond verklaard, besluit A vernietigd en bepaald dat appellant met inachtneming van haar uitspraak een nieuw besluit op bezwaar neemt. De rechtbank heeft tevens beslist omtrent vergoeding aan gedaagde van het griffierecht.

Bij besluit van 9 januari 2002 (hierna: besluit B) heeft appellant niet-ontvankelijk verklaard het bezwaar van het college tegen het besluit van 5 oktober 2001, houdende afwijzing van het verzoek van [betrokkene 2] hem een WAO-uitkering toe te kennen.

De rechtbank Arnhem heeft bij uitspraak van eveneens 6 oktober 2003, reg.nr.: 02/335 WAO, (hierna: uitspraak B) op het als het beroep van gedaagde aangemerkte beroep van het college tegen besluit B een gelijke uitspraak gedaan als op het hiervoor genoemde beroep van gedaagde tegen besluit A.

Appellant heeft tegen deze uitspraken afzonderlijk op bij vrijwel gelijkluidend aanvullend beroepschrift aangegeven gronden en onder overlegging van dezelfde bijlagen hoger beroep ingesteld.

Gedaagde heeft in de gedingen vrijwel gelijkluidende verweerschriften ingediend en heeft bij brief van 12 juli 2004 ter ondersteuning van haar standpunt in beide gedingen de uitspraak van de Raad van 22 april 2004 (LJN-nr: AO8633) overgelegd. Hierop heeft appellant ter ondersteuning van zijn standpunt bij brief van 15 juli 2004 de uitspraak van de Raad van 18 mei 2004 (JB 2004,266) overgelegd, hetgeen gedaagde aanleiding gaf tot een reactie harerzijds bij brief van 22 juli 2004.

De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van de Raad op 24 augustus 2004, waar namens appellant is verschenen A.M.C. Crombach, werkzaam bij het Uwv, en waar gedaagde was vertegenwoordigd door mr. M. Wasser.

II. MOTIVERING

In de bezwaarprocedure in beide zaken heeft appellant naar aanleiding van het door het college gemaakte bezwaar tegen de betreffende primaire besluiten inzake het uitkeringsrecht ingevolge de WAO van de betrokken werknemer aan het college bij brieven van 11 juni onderscheidenlijk 23 november 2001 meegedeeld gehouden te zijn te onderzoeken of de indiener van het bezwaarschrift kan worden beschouwd als belanghebbende. Appellant heeft in deze brieven onder andere gesteld dat het betreffende primaire besluit naar zijn oordeel geen aan het college toevertrouwde belangen raakt en dat alleen de gemeente als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan worden beschouwd. Appellant heeft in deze brieven voorts aangegeven er, gezien de redactie van de bezwaarschriften, vanuit te gaan dat het college zich beschouwt als belanghebbende die zelfstandig bevoegd is bezwaar aan te tekenen. Om die reden beschouwt appellant het college als indiener van de bezwaren. Indien er echter vanuit moet worden gegaan dat die indiener de gemeente is, wordt verzocht dit alsnog aan appellant kenbaar te maken. Vervolgens werd in beide brieven het volgende gesteld:

“Wij verzoeken u om binnen vier weken na dagtekening van deze brief aan ons kenbaar te maken welk orgaan bezwaar maakt. Als wij binnen de gestelde termijn geen reactie van u hebben ontvangen of indien u van oordeel bent dat het College van Burgemeester en Wethouders als belanghebbende dient te worden aangemerkt, dan zullen wij dienovereenkomstig een beslissing nemen. Dat houdt in dat wij het bezwaar niet-ontvankelijk zullen verklaren.”

Op deze brieven reageerde het college bij brieven van 18 juni en 18 december 2001 met - onder overlegging aan appellant van het delegatiebesluit van de raad van de gemeente Overbetuwe van 2 januari 2001 op grond van artikel 156 van de Gemeentewet, zoals dit artikel tot 7 maart 2002 luidde - te stellen dat het college bevoegd is tot indiening van het bezwaar omdat gebruik is gemaakt van de mogelijkheid om de bevoegdheid om te beslissen over het instellen van beroep of het maken van bezwaar aan het college te delegeren.

Appellant heeft bij de besluiten A en B het college niet-ontvankelijk verklaard in zijn bezwaar tegen de primaire besluiten van 17 april onderscheidenlijk 5 oktober 2001 op grond van de overweging dat hij er, gezien de redactie van het bezwaarschrift, vanuit gaat dat het college zich beschouwt als belanghebbende die zelfstandig bevoegd is bezwaar te maken, dat het betreffende primaire besluit geen aan het college toevertrouwde belangen raakt en dat het college daarom geen belanghebbende is in de zin van artikel 1:2 van de Awb. In besluit B heeft appellant naar aanleiding van de hiervoor vermelde briefwisseling tussen partijen daaraan nog toegevoegd dat het college in de brief van 18 december 2001 niet nadrukkelijk heeft verklaard dat de gemeente als procespartij dient te worden aangemerkt.

In beroep tegen de besluiten A en B heeft het college aangevoerd dat de gemeenteraad na delegatie geen eigen bevoegdheden meer heeft inzake het gedelegeerde en dat het college dan ook onder eigen verantwoordelijkheid handelt. Door de delegatie is, aldus het college, het belang van de raad toevertrouwd aan het college, zodat het college als belanghebbende dient te worden aangemerkt. Bij brieven van 23 april 2002 heeft het college dit standpunt nader in een aanvulling op de beroepen en - naar de Raad begrijpt - in een subsidiaire beroepsgrond nader toegelicht. Als tertiaire beroepsgrond, voorzover de rechtbank van oordeel is dat het college niet als rechtstreeks belanghebbende is aan te merken en de besluiten A en B geen aan het college toevertrouwde belangen raakt, heeft het college in deze brieven aangevoerd dat appellant, gelet op de vraagstelling in de hiervoor genoemde briefwisseling en de reactie van het college, te weten de inzending van het delegatiebesluit, zonder meer had moeten concluderen dat het college weliswaar het bezwaar had ingediend, maar dat de gemeente als belanghebbende werkgever bezwaar heeft gemaakt.

De rechtbank heeft in de uitspraken A en B in de eerste plaats - onder verwijzing naar jurisprudentie van de Raad - overwogen dat tussen partijen niet in geschil is dat de gemeente de werkgever van de betrokken werknemers is en als zodanig bij de onderhavige primaire besluiten belanghebbende is. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat door de overdracht van bevoegdheden van de raad aan het college bij het onderhavige delegatiebesluit het college bevoegd is tot het instellen van bezwaar of beroep. Dit houdt evenwel niet in dat het college daarmee ook belanghebbende bij de primaire besluiten is geworden. Vervolgens heeft de rechtbank - onder verwijzing onder andere naar de uitspraak van de Raad van

27 maart 2003 (RSV 2003,146) en kennelijk de tertiaire beroepsgrond van gedaagde volgend - aanleiding gezien de gemeente Overbetuwe in deze gedingen als procespartij aan te merken. Voorts waren er volgens de rechtbank voldoende aanknopingspunten voor appellant om ook in de bezwaarprocedure de gemeente als procespartij aan te merken en er vanuit te gaan dat het college namens de gemeente de bezwaren had ingediend. Hiervoor wees de rechtbank op de hiervoor genoemde briefwisseling tussen appellant en het college, hetgeen ook de tenaamstelling van het bezwaar op naam van de gemeente aangewezen deed zijn, aldus de rechtbank.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de overdracht van bevoegdheid ingevolge artikel 156 van de Gemeentewet, voornoemd, enkel handelt over de bevoegdheid van het college om zonder voorafgaande toestemming van de gemeente- raad te beslissen dat de gemeente beroep instelt of bezwaar maakt, maar niet dat daardoor de hoedanigheid van belanghebbende verschuift naar het college. In gevallen waarin de gemeente belanghebbende is en het college handelt krachtens een overdracht als evenbedoeld dient het college in de zienswijze van appellant duidelijk kenbaar te maken dat wordt gehandeld namens de gemeente, hetgeen in deze gedingen naar de mening van appellant niet is geschied. Volgens appellant heeft hij uit de bezwaarschriften niet anders kunnen opmaken dan dat het college zelfstandig en op eigen naam bezwaar heeft aangetekend, hetgeen appellant in deze gedingen tot de conclusie bracht dat het college geen belanghebbende is.

Gedaagde heeft zich in het verweerschrift achter de uitspraken van de rechtbank gesteld en heeft in zijn brief van 12 juli 2004 nog gewezen op een uitspraak van de Raad van 22 april 2004 (LJN-nr.: AO8633). In reactie hierop heeft appellant een beroep gaan op de hiervoor genoemde uitspraak van de Raad van 18 mei 2004 (JB 2004, 266).

De Raad overweegt dat de uitspraak van de Raad van 22 april 2004, waarop gedaagde zich heeft beroepen, ziet op een geval, waarin het primaire besluit en het bestreden besluit terecht - waarvoor de Raad wees op zijn eerder vermelde uitspraak van 27 maart 2003 - zijn gericht aan de gemeente omdat immers de gemeente, als rechtspersoon krachtens publiekrecht ingesteld, werkgever is van de desbetreffende ambtenaren. Vervolgens stelde de Raad in de uitspraak van

22 april 2004 vast dat de gedingstukken geen aanknopingspunt bieden voor de vaststelling dat het college niet namens de gemeente maar op eigen naam bezwaar heeft willen maken respectievelijk beroep heeft willen instellen.

In de uitspraak van de Raad van 18 mei 2004, waar appellant zich op heeft beroepen gaat het om een geval waarin het college op eigen naam bezwaar had gemaakt en waarin de Raad - eveneens onder verwijzing naar zijn uitspraak van

27 maart 2003 wat betreft het zijn van belanghebbende van het college bij de onderhavige primaire besluiten - overwoog dat rechtens niet kan worden aanvaard dat, wanneer het gaat om de overdracht van een bevoegdheid ten aanzien waarvan de raad niet op eigen naam handelt maar als orgaan van de gemeente, een college als burgemeester en wethouders die bevoegdheid vervolgens wel op eigen naam zou uitoefenen.

De Raad stelt vast dat in de onderhavige gedingen na de indiening van de bezwaarschriften door het college appellant in zijn brieven van 11 juni en 23 november 2001 op zichzelf duidelijk heeft gemaakt dat hij het bezwaar niet-ontvankelijk zou verklaren indien niet alsnog zou worden aangegeven dat de gemeente als indiener van het bezwaar zou moeten worden beschouwd. Het feit dat de eerste volzin van de hiervoor uit deze brieven letterlijk weergegeven passage op zichzelf wellicht niet geheel duidelijk is, doet naar het oordeel van de Raad niet af aan de duidelijke en niet voor tweeërlei uitleg vatbare inhoud van de brieven in hun geheel. Op deze brieven is met de brieven van het college van 18 juni en 18 december 2001 naar het oordeel van de Raad niet een stellige reactie gegeven in die zin dat het college bezwaar had gemaakt als bevoegd orgaan namens de gemeente. Het achterwege blijven van zo’n stellige reactie is, naar het de Raad voorkomt, wellicht mede ingegeven door het aanvankelijke standpunt van het college, zoals dat blijkt uit de door het college in eerste aanleg ingebrachte primaire beroepsgronden en dat inhield dat met de overdracht van bevoegdheid aan het college ingevolge artikel 156 van de Gemeentewet ook de hoedanigheid van belanghebbende is overgegaan, welk standpunt, naar de Raad ter zitting is gebleken, door gedaagde in verband met de meergenoemde uitspraak van de Raad van 18 mei 2004 inmiddels is verlaten. Wat daar ook van zij, de Raad heeft geen aanknopingspunten gezien om tot het oordeel te komen dat appellant uit de reactie van het college niet de gevolgtrekking mocht maken dat het college op eigen naam bezwaar maakte en ziet, gezien de inhoud van de bewuste briefwisseling ook geen aanleiding voor het oordeel, dat, zoals van de zijde van gedaagde in eerste aanleg nog is gesteld, appellant na binnenkomst van de reactie van het college gehouden zou zijn om nadere uitleg te vragen.

Het vorenstaande brengt de Raad tot de slotsom dat de rechtbank in de uitspraken A en B niet op juiste gronden heeft geconcludeerd ten aanzien van de tertiaire beroepsgronden van gedaagde als hiervoor weergegeven, hetgeen tevens meebrengt dat ook ten onrechte de beroepen van het college op naam van gedaagde zijn gesteld, en dat appellant, gelet op de meergenoemde uitspraken van de Raad van 27 maart 2003 en 18 mei 2004, bij zijn besluiten A en B terecht heeft besloten de bezwaren van het college niet-ontvankelijk te verklaren.

Uit het vorenstaande volgt dat de uitspraken A en B dienen te worden vernietigd en dat de inleidende beroepen tegen de besluiten A en B ongegrond moeten worden verklaard.

Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de uitspraken A en B;

Verklaart de inleidende beroepen tegen de besluiten A en B ongegrond.

Aldus gegeven door mr. J.W. Schuttel als voorzitter en mr. C.W.J. Schoor en mr. F.J.L. Pennings als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.E.M.J. Hetharie als griffier en uitgesproken in het openbaar op 5 oktober 2004.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) J.E.M.J. Hetharie.