Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AR4656

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-10-2004
Datum publicatie
28-10-2004
Zaaknummer
03/338 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Rechtbank heeft onjuiste toepassing gegeven aan art . 8:57 Awb. WAO-schatting; Beperking onderschat; niet alle voorgehouden functies kunnen i.v.m. urenomvang, vereiste opleiding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rectificatie

03/338 WAO

U I T S P R A A K

In het geding tussen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet Structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.

Bij brief van 24 januari 2001 heeft appellant gedaagde in kennis gesteld van een ten aanzien van haar genomen besluit ter uitvoering van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) (het bestreden besluit).

De rechtbank ’s-Gravenhage heeft bij uitspraak van 9 december 2002 (nr. AWB 01/705 WAO) het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd met beslissingen omtrent proceskosten en griffierecht.

Appellant heeft op in het aanvullend beroepschrift vermelde gronden tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld. Bij brieven van 12 februari 2004 (met bijlagen) en 16 februari 2004 (met bijlagen) heeft appellant een nadere toelichting op het hoger beroep gegeven.

Namens gedaagde heeft mr. A.M.M.J.T. Strack-de Haan, advocaat te Rotterdam, een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 4 augustus 2004, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door

mr. G. Koopmans, werkzaam bij het Uwv, en waar gedaagde in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Strack-de Haan als haar raadsvrouw.

II. MOTIVERING

Gedaagde, geboren in 1948, is vanaf 1995 werkzaam geweest als schoonmaakster in de horeca. Haar is op 16 januari 1998 een ongeval overkomen, in verband waarmee zij schouderklachten heeft ontwikkeld. Zij is wegens deze klachten onder meer in december 1999 geopereerd. Zij heeft zich in verband met toenemende schouderklachten op 23 december 1999 ziek gemeld.

De verzekeringsarts E.C. Wijnvoord heeft gedaagde met het oog op de beoordeling van haar aanspraak op een WAO-uitkering op 25 september 2000 onderzocht en vastgesteld dat sprake is van schouderklachten rechts bij een rechtshandige vrouw.

De verzekeringsarts acht gedaagde onder meer niet in staat de rechterarm boven schouderhoogte te heffen en evenmin tot kracht zetten rechts. Hij heeft de beperkingen in verband met de schouderklachten in een belastbaarheidpatroon vastgelegd. Gedaagde is beperkt geacht op de aspecten 2 tot en met 8, 10 en 11, 13 tot en met 15, 18, 20 en 24.

De verzekeringsarts stelt vast dat de voor de WAO relevante arbeidsongeschiktheid is ingetreden op 16 januari 1998.

De arbeidsdeskundige H. Hoekstra heeft blijkens zijn rapport van 24 oktober 2000 met gedaagde en met de werkgeefster van gedaagde gesproken. Hij stelt op grond van de verkregen gegevens dat gedaagde bij het intreden van haar arbeidsongeschiktheid op 16 januari 1998 gedurende 20 uur per week werkzaam was als schoonmaakster.

Hij concludeert daarom dat de maatman van gedaagde de schoonmaakster is die gedurende 20 uur per week werkzaam is.

Gedaagde heeft drie klassen van het basisonderwijs gevolgd. Zij merkt zichzelf aan als halve analfabeet. Zij is blijkens het arbeidskundig rapport werkzaam geweest als schoonmaakster. De arbeidsdeskundige stelt het opleidingsniveau van gedaagde op niveau 2.

De arbeidsdeskundige acht gedaagde wegens haar medische beperkingen niet in staat haar maatmanarbeid te verrichten. De arbeidsdeskundige heeft evenwel een viertal functies voor gedaagde geselecteerd:

1) stikster meubelkleding; de desbetreffende drie functies worden gewaardeerd op functieniveau 2 en op opleidingsniveau 2; de arbeidsmogelijkhedenlijst vermeldt dat voor de functies als opleiding basisonderwijs is vereist; de urenomvang van de functies varieert van 20 tot en met 37 uur per week;

2) assemblagemedewerker; de desbetreffende twee functies worden gewaardeerd op functieniveau 1; zij vereisen geen opleiding; de urenomvang van de functies varieert van 20 tot en met 38 uur per week;

3) modinette; de desbetreffende twee functies worden gewaardeerd op functieniveau 2; het opleidingsniveau is 1; aan de opleiding worden geen specifieke eisen gesteld. De urenomvang van de functies varieert van 20 tot en met 37 uur per week;

4) monteur/assembleerder; de desbetreffende functie wordt gewaardeerd op functieniveau 2 en het opleidingsniveau op 2; als opleidingseisen worden gesteld basisonderwijs, terwijl de betrokkene in staat moet zijn een interne opleiding te volgen op het gebied van componentenkennis; de functie wordt vervuld in wisselende diensten en heeft een urenomvang van 22 uur per week.

De arbeidsdeskundige baseert de schatting op de functies 1, 2 en 3. Hij berekent door vergelijking van het maatmanloon en het loon in de functie assemblagemedewerker dat per het einde van de zogenaamde wachttijd – welke hij op 14 januari 1999 stelt – sprake is van een verdienverlies van 7,1%. Gedaagde is daarom voor minder dan 15% arbeidsongeschikt te beschouwen en heeft geen recht op een WAO-uitkering.

Dienovereenkomstig is bij besluit van 26 oktober 2000 aan gedaagde meegedeeld dat zij na afloop van de wachttijd op

15 januari 1999 geen recht heeft op een WAO-uitkering.

Gedaagde heeft op medische en arbeidskundige gronden bezwaar gemaakt tegen het besluit van 26 oktober 2000. De werkgeefster van gedaagde heeft tegen dit besluit eveneens bezwaar gemaakt. Gesteld wordt dat niet 16 januari 1998, maar 23 december 1999 de eerste dag van de voor de WAO relevante arbeidsongeschiktheid is.

De bezwaarverzekeringsarts Schonagen concludeert in zijn rapport van 18 januari 2001 dat voldoende medische gegevens bekend zijn. In bezwaar zijn geen argumenten naar voren gekomen die doen vermoeden dat de beoordeling door de primaire verzekeringsarts onjuist is. Uit bestudering van de objectiveerbare gegevens blijkt echter volgens de bezwaarverzekeringsarts dat er geen argumenten zijn voor andere beperkingen dan welke samenhangen met het gebruik van de rechterschouder. Hij acht lichte werkzaamheden op bureaubladafstand goed uitvoerbaar. Reiken kan geregeld voorkomen tot 50 cm.

Belast hanteren van lasten rechts acht hij zeer fors beperkt, echter bij tillen alleen vanuit de rug (waarbij de rechterarm kan blijven hangen) zijn lasten tot enkele kilo’s hanteerbaar. Tillen en dragen links acht hij in gelijke mate mogelijk als de gezonde soortgelijke.

De bezwaarverzekeringsarts heeft volstaan met deze aantekeningen in zijn rapport.

Hij heeft niet per aspect van het vastgestelde belastbaarheidspatroon aangegeven welke concrete wijzigingen uit deze aantekeningen voortvloeien.

De bezwaararbeidsdeskundige heeft op 19 januari 2001 gerapporteerd. Hij stelt dat de geselecteerde functies in overeenstemming zijn met de medische belastbaarheid van gedaagde en de door haar genoten opleiding.

Blijkens de zogenaamde voorlegger bezwaarschriftprocedure d.d. 22 januari 2001 is nader onderzoek ingesteld naar de datum waarop de relevante arbeidsongeschiktheid is ingetreden. Vastgesteld wordt dat gedaagde vanaf 1995 voor 12 uur per week in dienst is van de werkgeefster. Gedaagde heeft alleen in de maanden februari tot en met juni 1997 tijdelijk 20 uur gewerkt. Daarna heeft zij weer gedurende 12 uur per week gewerkt. Gedaagde heeft in beginsel haar normale arbeidsweek vervuld tot 23 december 1999. Vanaf die dag is zij arbeidsongeschikt geworden.

In de voorlegger wordt daarom geconcludeerd dat als eerste arbeidsongeschiktheidsdag 23 december 1999 moet worden aangemerkt. De wachttijd loopt dan tot en met 20 december 2000. Het recht op uitkering moet worden beoordeeld per

21 december 2000.

De conclusie in de voorlegger is voorts dat, gezien de bestendigheid in de medische toestand van gedaagde, de door de primaire verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts vastgestelde belastbaarheid ook op 21 december 2000 geldig is.

In het bestreden besluit is dienovereenkomstig het bezwaar gegrond verklaard, voorzover het is gericht tegen de relevante datum voor het recht op WAO-uitkering. Voor het overige is het bezwaar ongegrond verklaard. Vastgesteld wordt dat gedaagde per 21 december 2000 minder dan 15% arbeidsongeschikt is. Zij heeft daarom op die datum geen recht op een WAO-uitkering.

Gedaagde heeft in beroep bij de rechtbank tegen het bestreden besluit een rapport d.d. 16 november 2001 overgelegd van de arts L.P.M. Bos te Noordwijk. Deze arts stelt op grond van dossieronderzoek dat onvoldoende is gedifferentieerd tussen de belastbaarheid van de linker en de rechterhand/arm/schouder. Iedere functie had expliciet beoordeeld dienen te worden op de onvermijdelijke belasting van de rechterhand/arm/schouder. Zijns inziens zijn in elk geval de functies stikster en modinette niet geschikt.

De bezwaararbeidsdeskundige W.G.E. Buskermolen heeft bij rapport van 11 maart 2002 gereageerd. Hij wijst erop dat de geselecteerde functies lichte werkzaamheden inhouden, waarbij kracht zetten rechts niet aan de orde is. Zijn conclusie – na overleg met bezwaarverzekeringsarts Schonagen – is dat de functies medisch en arbeidskundig passend zijn.

De rechtbank heeft in verband met de vraag welke belasting de geselecteerde functies meebrengen voor de linker en de rechterhand /arm en schouder, de arbeidsdeskundige ing. Th.F.P. Braat laten rapporteren als deskundige.

Braat rapporteert op 27 juni 2002. De deskundige merkt op dat de zienswijze van de bezwaarverzekeringsarts niet duidelijk is. Deze arts heeft geen nieuw belastbaarheidspatroon opgesteld. De deskundige merkt voorts in algemene zin op dat zonder goede argumentatie is geschat op functies waarvan de urenomvang, gelet op het Besluit uurloonschatting 1999 (BUS), niet binnen de toegestane bandbreedte valt.

Braat concludeert met betrekking tot de functie stikster dat de belasting in de functie de belastbaarheid van gedaagde overschrijdt. Gedaagde heeft voorts niet het vereiste opleidingsniveau voor de functie. De belasting in de functie assemblagemedewerker overschrijdt eveneens de belastbaarheid van gedaagde. De functie modinette is wel te vervullen door gedaagde. Ook in de functie monteur wordt de belastbaarheid van gedaagde overschreden. De opleidingseis voor deze functie is te hoog voor gedaagde.

De bezwaararbeidsdeskundige Buskermolen heeft bij rapport van 10 september 2002 gereageerd. In algemene zin merkt Buskermolen op dat in ieder van de geselecteerde functiebestandscodes ten minste één functie voorkomt met een urenomvang binnen de bandbreedte. De functieselectie voldoet daarom zijns inziens aan het BUS.

Hij handhaaft het standpunt dat de belasting in de functies in overeenstemming is te achten met de belastbaarheid van gedaagde. Hij wijst in dat verband op de beoordeling van de belastbaarheid door bezwaarverzekeringsarts Schonagen. Buskermolen stelt verder dat de opleiding van gedaagde voldoet aan de gestelde opleidingseisen.

Braat heeft op het rapport van Buskermolen gereageerd bij rapport van 11 oktober 2002. Braat herhaalt de opmerking dat de bezwaarverzekeringsarts zijn nadere beoordeling van de belastbaarheid van gedaagde niet in een (gewijzigd) belast- baarheidpatroon heeft vastgelegd. Hij handhaaft voor het overige beargumenteerd zijn advies.

De rechtbank heeft het rapport van Braat van 11 oktober 2002 kennelijk bij brief van 22 oktober 2002 toegezonden aan appellant. De rechtbank heeft vervolgens bij brief van 24 oktober 2002 aan partijen verzocht toestemming te geven het onderzoek ter zitting achterwege te laten.

Gedaagde heeft bij brief van 28 oktober 2002 die toestemming gegeven. Appellant heeft bij brief van 31 oktober 2002 de toestemming gegeven. De rechtbank heeft vervolgens de in rubriek I vermelde uitspraak gedaan.

De rechtbank stelt zich in deze uitspraak achter de conclusie van de deskundige Braat dat alleen de functie van modinette voor gedaagde geschikt is te achten. De schatting is daarom niet deugdelijk te achten. Het beroep is gegrond verklaard. Het bestreden besluit is vernietigd.

In hoger beroep heeft appellant gesteld dat bij de beoordeling van de vraag of de belasting in de geselecteerde functies binnen de voor gedaagde vastgestelde belastbaarheid blijft, de belasting zoals vastgelegd in het Functie-informatiesysteem (FIS) voor waar aangenomen dient te worden, tenzij de onjuistheid daarvan expliciet wordt aangetoond. Appellant betoogt dat uitgaande van deze belasting, de geselecteerde functies blijven binnen de voor gedaagde vastgestelde belastbaarheid.

Appellant stelt voorts dat de in het FIS vastgelegde opleidingseis basisonderwijs met betrekking tot de functies stikster en monteur niet zo hard is. Op grond van informatie van de verantwoordelijke arbeidskundig analist moet deze eis gelezen worden als een niveau-eis: basisonderwijs. Gedaagde wordt geacht aan deze niveau-eis te voldoen.

Appellant heeft tenslotte als grief geuit dat hij bij het geven van de toestemming aan de rechtbank op 31 oktober 2002 om de zaak buiten zitting af te doen, niet het nadere rapport van Braat d.d. 11 oktober 2002 had ontvangen. Appellant vertrouwde op het moment dat de toestemming werd gegeven erop dat hij de beschikking had over alle relevante stukken. Dat blijkt achteraf niet het geval te zijn. De toestemming is daarom gegeven in strijd met artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

De rechtbankuitspraak dient op die grond te worden vernietigd.

Gedaagde heeft met verwijzing naar de rapporten van Bos en Braat bij verweer gesteld dat appellant de passendheid van de geselecteerde functies in strijd met de realiteit heeft opgerekt. Appellant gaat daarbij voorbij aan de omstandigheid dat gedaagde rechtshandig is, dat de rechterschouder beperkt is en dat zij daardoor met de rechterhand geen kracht kan zetten. Zij herhaalt dat, gezien de rapporten van Bos en Braat, de functies stikster, assemblagemedewerker en monteur haar belastbaarheid overschrijden.

De Raad overweegt als volgt.

De medische grondslag voor de onderhavige schatting is gelegen in het onderzoek door de verzekeringsarts Wijnvoord. Deze heeft op grond van zijn onderzoek het belastbaarheidspatroon d.d. 25 september 2000 opgesteld. Dit belastbaarheidspatroon lijkt vanwege gedaagde niet bestreden.

De bezwaarverzekeringsarts Schonagen heeft op grond van zijn onderzoek geoordeeld dat van de door de primaire verzekeringsarts aangegeven beperkingen alleen die relevant zijn, die samenhangen met het gebruik en de belasting van de rechterarm. Hij heeft ter uitwerking van deze visie opmerkingen gemaakt over enkele aspecten van het belastbaarheids- patroon (reiken, tillen, dragen). Zijn opmerkingen ten aanzien van deze aspecten heeft hij echter niet in een gewijzigd belastbaarheidspatroon vastgelegd. Concretisering van de beperkingen is evenwel noodzakelijk in het belang van een zorgvuldige verdere uitwerking van de schatting en de beoordeling daarvan in rechte.

Het valt verder op dat de primaire verzekeringsarts Wijnvoord bij de aspecten 5 (klimmen en klauteren) 6 (knielen, kruipen en hurken) en 24 (blootstelling aan trillingen) uitdrukkelijk een relatie legt tussen de gestoorde schouderfunctie van gedaagde en de beperkingen. Over deze aspecten van het belastbaarheidspatroon heeft de bezwaarverzekeringsarts geen opmerkingen gemaakt. Maar ook overigens valt aan te nemen dat de primaire verzekeringsarts de vastgelegde beperkingen heeft geformuleerd in samenhang met en ter vermijding van de (over-)belasting van de schouder.

Op grond van deze redenen acht de Raad het met het oog op een verdere zorgvuldige afhandeling van de onderhavige schatting noodzakelijk dat de bezwaarverzekeringsarts de nodig geachte wijzigingen met betrekking tot het belastbaarheidpatroon d.d. 25 september 2000 precies en controleerbaar vastlegt in een gewijzigd belastbaarheidspatroon.

De Raad stelt vast dat appellant van een onjuiste maatman is uitgegaan. In de bezwaarprocedure is gebleken dat aanvankelijk ten onrechte van de maatman schoonmaakster 20 uur is uitgegaan. Gedaagde is blijkens de voorlegger bezwaarprocedure op 23 december 1999 (evenals kennelijk op 16 januari 1998) gedurende 12 uur werkzaam als schoonmaakster. Haar maatman is derhalve de schoonmaakster met een arbeidsduur van 12 uur per week.

Ten onrechte heeft appellant in bezwaar niet deze maatman uitgangspunt gemaakt van de schatting en van de selectie van functies met inachtneming van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten en het BUS. De bandbreedte is volgens het BUS in het onderhavige geval 12-15 uren. Alle geselecteerde functies hebben evenwel een urenomvang van 20 uur tot en met 38 uur per week.

De bezwaararbeidsdeskundige Buskermolen stelt derhalve in zijn rapport van 10 september 2002 ten behoeve van de procedure bij de rechtbank ten onrechte dat binnen iedere functiebestandscode ten minste één functie met een omvang binnen de bandbreedte is. De functieduiding voldoet dan ook niet aan het gevoerde beleid.

Appellant zal, uitgaande van de juiste maatman, in overeenstemming met het BUS opnieuw functies moeten selecteren. Mede daarom gaat de Raad thans niet over tot bespreking van de vraag in hoeverre in de geselecteerde functies sprake is van overschrijding van de belastbaarheid.

De Raad wijst er nog wel op dat met betrekking tot de functies stikster en monteur uitdrukkelijk de opleidingseis basisonderwijs is gesteld. Beide functies hebben functieniveau 2 en opleidingsniveau 2. Dit opleidingsniveau impliceert het bezit van minimaal een diploma basisonderwijs. Gedaagde, die 3 jaar basisonderwijs heeft gevolgd, voldoet gezien haar opleiding en beroepservaring niet aan dit niveau en niet aan de gestelde opleidingseis.

Tenslotte stelt de Raad vast dat de functie monteur in wisseldienst wordt vervuld.

Ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van appellant daarom deze functie laten vervallen.

Op grond van het boven overwogene verenigt de Raad zich met het oordeel van de rechtbank dat het bestreden besluit moet worden vernietigd.

De aangevallen uitspraak is evenwel in strijd te achten met artikel 8:57 van de Awb, nu appellant bij het geven van toestemming om de zaak buiten zitting af te doen, niet de beschikking had over het nadere rapport van Braat. Op deze grond dient de aangevallen uitspraak te worden vernietigd.

De Raad acht termen aanwezig appellant te veroordelen in de proceskosten van gedaagde, welke in verband met de procedure bij de rechtbank worden begroot op € 805,-, en in verband met de procedure bij de Raad op € 644,- aan kosten van rechtsbijstand en € 27,60 aan reiskosten van gedaagde.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het inleidende beroep gegrond;

Vernietigt het bestreden besluit;

Draagt appellant op een nader besluit op het bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak van de Raad;

Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in verband met de procedure bij de rechtbank tot een bedrag van

€ 805,- en in verband met de procedure bij de Raad tot een bedrag van € 671,60, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan gedaagde het recht in verband met de procedure bij de rechtbank ad € 27,23 vergoedt.

Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst als voorzitter en mr. Ch.J.G. Olde Kalter en mr. M.S.E. Wulffraat-van Dijk als leden, in tegenwoordigheid van J.P. Grauss als griffier en uitgesproken in het openbaar op 27 oktober 2004.

(get.) Ch. Van Voorst.

(get.) J.P. Grauss.