Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AR4441

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-10-2004
Datum publicatie
25-10-2004
Zaaknummer
04/4602 AW-VV
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMAA:2004:AP1244
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Strafontslag wegens ernstig plichtsverzuim; uitvoering van de aangevallen uitspraak zou betekenen dat verzoeker het dienstverband met gedaagde zou moeten herstellen; schorsing van aangevallen uitspraak totdat uitspraak is gedaan in hoger beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2004/173
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/4602 AW-VV

U I T S P R A A K

van

DE VOORZIENINGENRECHTER VAN DE CENTRALE RAAD VAN BEROEP

inzake het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht in samenhang met artikel 21 van de Beroepswet in het geding tussen:

de Korpsbeheerder van de politieregio Limburg-Zuid, verzoeker,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.

I. INLEIDING

Namens verzoeker is hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 9 juni 2004, nrs. AWB 03/1484 AW GIF en AWB 03/1664 AW GIF, waarbij onder meer de beslissing van verzoeker tot handhaving van een door hem aan gedaagde gegeven strafontslag is vernietigd. Bij schrijven van 20 augustus 2004 is de voorzieningenrechter verzocht met toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een voorlopige voorziening te treffen, ertoe strekkende dat de werking van de aangevallen uitspraak voorzover betrekking hebbend op het strafontslag wordt geschorst totdat op het hoger beroep is beslist.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 27 september 2004, waar verzoeker zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. M.J.M. Schoonhoven, advocaat te ’s-Hertogenbosch. Gedaagde is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. J.L.E. Marchal, advocaat te Maastricht.

II. MOTIVERING

1.1. Gedaagde was in dienst bij de politieregio Limburg-Zuid en laatstelijk werkzaam als gebiedsgebonden politiefunctionaris. Tijdens een onderzoek in 2002 naar een aantal brandstichtingen in een van de wijken waar gedaagde werkzaam was als wijkagent is naar voren gekomen dat gedaagde mogelijk vertrouwelijke informatie aan één van de hoofdverdachten van de brandstichtingen (W.R.) heeft doorgegeven. Deze informatie zou betreffen dat bepaalde buurtbewoners de politie hadden getipt over de hennepplantage in de woning van W.R. Na hierover te zijn geïnformeerd zou W.R. de hennepplantage hebben verwijderd en zich vervolgens door middel van brandstichtingen op de buurt-bewoners hebben gerevancheerd. Op verzoek van de korpsleiding is door het Bureau Interne Veiligheid (BIV) een onderzoek ingesteld naar het mogelijk schenden van het ambtsgeheim en het niet nakomen van arbeidsrechtelijke verplichtingen door gedaagde.

1.2. De uitkomsten van dit onderzoek hebben ertoe geleid dat verzoeker bij besluit van 9 mei 2003 gedaagde wegens ernstig plichtsverzuim op grond van artikel 77, eerste lid, aanhef en onder j, van het Besluit algemene rechtspositie politie de disciplinaire straf van ontslag heeft opgelegd. Verzoeker heeft dit besluit, na namens gedaagde gemaakt bezwaar, gehandhaafd bij het bestreden besluit van 15 oktober 2003.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak -voorzover hier van belang- het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dit besluit vernietigd. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het rapport van het BIV met de bijgevoegde verklaringen van een aantal gehoorde personen onvoldoende (feitelijke) grondslag biedt voor het oordeel dat gedaagde zich schuldig heeft gemaakt aan schending van het ambtsgeheim door W.R. de namen door te geven van de buurtbewoners die bij de politie melding zouden hebben gemaakt van de hennepplantage in de woning van W.R. De rechtbank was dan ook van oordeel dat gedaagde zich niet schuldig heeft gemaakt aan (ernstig) plichtsverzuim, zoals in het bestreden besluit was neergelegd.

3. Verzoeker heeft de Raad verzocht de aangevallen uitspraak te schorsen totdat uitspraak is gedaan in hoger beroep. Naar de mening van verzoeker bestaat een redelijke mate van waarschijnlijkheid dat de aangevallen uitspraak in hoger beroep geen stand zal houden. Hiertoe voert verzoeker aan dat de rechtbank ten onrechte ervan uit is gegaan dat het aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde plichtsverzuim van schending van het ambtsgeheim bestond uit het aan W.R. doorgeven van de namen van de buurtbewoners die bij de politie hebben gemeld dat W.R. een hennepplantage in zijn woning zou hebben.

Voorts heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat het geven van een hint in algemene bewoordingen, zoals gedaagde erkend heeft te hebben gedaan geen plichtsverzuim ople-vert. Ten slotte meent verzoeker dat de rechtbank uit de afgelegde getuigenverklaringen onjuiste conclusies heeft getrokken.

Ten betoge van zijn spoedeisend belang bij de schorsing van de werking van de aangevallen uitspraak voert verzoeker aan dat hij ter uitvoering van die uitspraak een nieuw besluit dient te nemen dat zal leiden tot herstel van het dienstverband van gedaagde, hetgeen verzoeker zeer ongewenst acht.

4. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

4.1. Ingevolge artikel 21 van de Beroepswet in verbinding met artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Daarbij komt in een geval als het onderhavige mede de vraag in beeld of er een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat de aangevallen uitspraak niet in stand zal blijven, met dien verstande dat voorzover in deze procedure een oordeel met betrekking tot het geschil in de hoofdzaak wordt gegeven, dit oordeel een voorlopig karakter draagt en niet bindend is voor de uitspraak in de hoofdzaak.

4.2. Gelet op het feit dat uitvoering van de aangevallen uitspraak met zich brengt dat het dienstverband van gedaagde moet worden hersteld ziet de voorzieningenrechter in hetgeen verzoeker heeft aangevoerd een voldoende spoedeisend belang.

4.3. In geschil is of gedaagde zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim en of de opgelegde straf van ontslag, in het licht van de omstandigheden van het geval, onevenredig is aan de ernst van dit plichtsverzuim. De voorzieningenrechter merkt op dat beantwoording van die vragen een beoordeling en een afweging vergt die eerst in een bodemprocedure ten volle kunnen geschieden. Op grond van het navolgende komt het de voorzieningenrechter voor dat er een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat de aangevallen uitspraak in hoger beroep niet in stand zal blijven.

4.3.1. Op grond van het primaire besluit van 9 mei 2003 en het bestreden besluit van 15 oktober 2003 heeft de voorzieningenrechter vastgesteld dat verzoeker gedaagde disciplinair ontslag heeft verleend op de grond dat gedaagde het ambtsgeheim heeft geschonden door op 2 april 2002 W.R. te tippen over het feit dat bij de politie melding was gemaakt van diens hennepplantage op zolder en W.R. te adviseren om deze hennepplantage weg te halen.

4.3.2. Anders dan de rechtbank is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoeker niet aan het ten laste gelegde plichtsverzuim ten grondslag heeft gelegd dat gedaagde aan W.R. de namen van de buurtbewoners die de melding bij de politie hebben gedaan, heeft doorgegeven.

4.3.3. Gelet op de verklaringen van met name surveillant F.P. en de buurtbewoners J.S., W.A. en A.C-S. in onderling verband bezien, is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter voldoende komen vast te staan dat gedaagde zich schuldig heeft gemaakt aan de in punt 4.3.1. genoemde gedraging. Verzoeker heeft naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter deze gedraging terecht als ernstig plichtsverzuim aangemerkt.

4.3.4. Volgens gedaagde heeft hij zich uitsluitend in algemene bewoordingen richting W.R. uitgelaten, erop neerkomend dat indien er in de straat hennep gekweekt zou worden hij hoopte dat deze dan zo snel mogelijk zou worden verwijderd. Met verzoeker is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat ook het geven van een zodanig aan W.R. gerichte hint ernstig plichtsverzuim oplevert. Daarbij neemt de voorzieningen-rechter in aanmerking dat gedaagde als wijkagent op zijn minst een vermoeden moet hebben gehad dat W.R. een hennepkwekerij in zijn woning had. Verschillende bewoners in de wijk waar gedaagde als wijkagent werkzaam was hebben immers verklaard dat het in de straat bekend was dat W.R. in zijn woning hennep kweekte. Dat gedaagde, zoals door hem gesteld, op het moment dat hij W.R. aansprak niet wist dat W.R. een hennepplantage op zijn zolder had en dat bedoelde hint geheel toevallig op 2 april 2002 is gedaan, komt de voorzieningenrechter dan ook ongeloofwaardig voor.

4.3.5. Gezien het vorenstaande was verzoeker naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter bevoegd tot het opleggen van een straf.

4.3.6. De voorzieningenrechter heeft voorts niet tot het oordeel kunnen komen dat tussen de opgelegde straf van onvoorwaardelijk ontslag en de gedaagde verweten gedragingen onevenredigheid bestaat. In dit verband heeft de voorzieningenrechter niet zonder betekenis geacht dat gedaagde zich reeds eerder schuldig heeft gemaakt aan vergelijkbare misdragingen, waarop gedaagde in meerdere klachtenprocedures van het politiekorps Limburg-Zuid is aangesproken. Gedaagde moet dan ook worden aangemerkt als een ‘gewaarschuwd man’. Als een tot politie behorende functionaris zal gedaagde voortdurend vertrouwelijke en gevoelige informatie onder ogen hebben gekregen en de politieorganisatie dient er volledig en onvoorwaardelijk op te kunnen vertrouwen dat medewerkers dergelijke informatie geheimhouden en niet verder bekend maken.

Gedaagde heeft door zijn handelwijze dit in hem noodzakelijk te stellen vertrouwen geschaad en de integriteit en betrouwbaarheid van het politiekorps ondermijnd.

4.4. Op grond van dit voorlopig oordeel over de bodemzaak en gelet op de omstandigheid dat uitvoering van de aangevallen uitspraak met zich zou brengen dat verzoeker het dienstverband met gedaagde zou moeten herstellen, ziet de voorzieningenrechter bij afweging van de belangen aanleiding de gevraagde voorziening te treffen.

5. Voor toepassing van artikel 8:75 van de Awb ziet de voorzieningenrechter geen grond.

III. BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep,

Schorst de werking van de aangevallen uitspraak van de rechtbank Maastricht voorzover betrekking hebbend op het strafontslag;

Bepaalt dat de griffier aan de politieregio Limburg-Zuid het door verzoeker betaalde griffierecht van € 409,- terugbetaalt.

Aldus gegeven door mr. K. Zeilemaker, in tegenwoordigheid van mr. B. Serno als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 4 oktober 2004.

(get.) K. Zeilemaker.

(get.) B. Serno.