Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AR4436

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-10-2004
Datum publicatie
25-10-2004
Zaaknummer
02/386 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting. Is ten onrechte het standpunt gesteld dat betrokkene op de relevante datum de haar als geschikt voorgehouden voltijdse functies kon vervullen?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

02/386 WAO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats] (Spanje), appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoerings-organisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 14 februari 2001 heeft gedaagde ongegrond verklaard het bezwaar van appellante tegen zijn besluit van 20 juni 2000 waarbij hij aan appellante op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) per 16 mei 2000 een uitkering heeft toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35-45%.

Bij uitspraak van 14 december 2001, kenmerk WAO 01/643, heeft de rechtbank Rotterdam het beroep van appellante tegen dat besluit ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft appellante op bij aanvullend beroepschrift van 14 februari 2002 (met bijlage) aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld.

Gedaagde heeft een verweerschrift, gedateerd 26 maart 2002, en een aanvulling daarop, gedateerd 8 mei 2002, ingediend.

Bij brief van 17 november 2003 heeft prof. dr. L. Abraham - Inpijn, internist te Amsterdam, als deskundige van de Raad rapport uitgebracht van haar bevindingen. Op dat deskundigenrapport heeft gedaagde gereageerd bij brief van 17 december 2003 (met bijlage) en op die reactie heeft de deskundige bij brief van 19 februari 2004 commentaar gegeven. Bij faxbrief van 16 maart 2004 heeft appellante op dat rapport, die reactie en dat commentaar gereageerd. Bij brief van 23 maart 2004 (met bijlage) heeft gedaagde op het commentaar van de deskundige gereageerd.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 27 augustus 2004.

Appellante is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. M.P.L.M. Buijsrogge, advocaat te Nieuwegein, en vergezeld van haar ouders en een zus. Voor gedaagde is verschenen mr. W.M.J. Evers, werkzaam bij het Uwv.

II. MOTIVERING

Appellante, geboren in 1968, is op 18 mei 1999 met klachten over vermoeidheid en duizeligheid uitgevallen voor haar voltijdse werk als aankomend vertegenwoordiger luchtvracht bij een bedrijf op de luchthaven Schiphol.

Bij besluit van 20 juni 2000 is aan haar per 16 mei 2000, in aansluiting op de wachttijd van 52 weken, een WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35-45% toegekend, welk percentage bij het besluit op bezwaar van 14 februari 2001 (hierna: bestreden besluit) is gehandhaafd. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep van appellante ongegrond verklaard. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat zij in medisch opzicht meer is beperkt, vooral wat werktijd betreft, dan op gezag van de (bezwaar)verzekeringsartsen is aangenomen door gedaagde en de rechtbank, die niet van een urenbeperking zijn uitgegaan, zozeer zelfs dat zij per 16 mei 2000 niet in staat kon worden geacht de haar voorgehouden voltijdse functies te vervullen en derhalve als volledig arbeidsongeschikt had moeten worden aangemerkt.

In de bezwaarfase heeft appellante aangegeven dat zij mogelijk lijdt aan een chronisch vermoeidheidssyndroom (ME), maar in de beroepsfase is door de haar sinds 11 mei 2001 behandelende internist J.J.C. Jonker op 15 oktober 2001 als diagnose gesteld: systemische lupus erythematodes (SLE), op dat moment zonder aantoonbare orgaan-schade en met een onzekere prognose, omdat het beloop ervan uitermate onvoorspelbaar is en kan variëren van vrijwel geen klachten en verschijnselen tot ernstige orgaanschade.

In hoger beroep heeft de Raad aanleiding gezien tot inschakeling als deskundige van prof. dr. L. Abraham - Inpijn, internist, die op 17 november 2003 van haar bevindingen rapport heeft uitgebracht. Zij is op basis van de reeds voorhanden en bij de behandelend sector nader ingewonnen gegevens gekomen tot de conclusies dat:

? de diagnose SLE op de datum in geding is te stellen noch uit te sluiten en er toen waarschijnlijk sprake was van een hernia diafragmatica met reflux,

? zij zich niet kan verenigen met de door de verzekeringsarts vastgestelde belastbaarheid van appellante, ervan uitgaande dat de moeheid een voorbode van de SLE was, waarbij haar kritiek uitsluitend is gericht op de arbeidsduur, welke naar haar mening dient te worden beperkt tot 50%, en

? appellante op de datum in geding niet in staat was te achten tot het verrichten van de werkzaamheden welke zijn verbonden aan de door de arbeidskundige geselecteerde functies.

De bezwaarverzekeringsarts S.M. Lustenhouwer heeft op 28 november 2003 kantteke-ningen bij die conclusies gemaakt. Aangezien niet duidelijk is geworden of er in mei 2000 sprake was van SLE, is niet voldaan aan het medisch arbeidsongeschiktheids-criterium waarbij sprake moet zijn van een rechtstreeks objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek. Voorts heeft de deskundige in het geheel niet gemotiveerd waarom een urenbeperking tot 50% aan de orde zou zijn. Met de diagnose hernia diafragmatica met reflux is in het belastbaarheidspatroon voldoende rekening gehouden, daar bij buigen, torderen, zwaar tillen en dragen beperkingen zijn aangegeven. Tevens heeft de deskundige ten onrechte diverse functies ongeschikt geacht vanwege de beperking ten aanzien van werken onder tijdsdruk, aangezien de verzekeringsarts slechts heeft aangegeven dat alleen zeer hoge werkdruk/piekbelasting niet mogelijk is. Aldus de bezwaarverzekeringsgeneeskundige.

De deskundige heeft bij brief van 19 februari 2004 aangegeven in de kanttekeningen van de bezwaarverzekeringsarts Lustenhouwer onvoldoende aanleiding te zien haar conclusies bij te stellen. Daarbij heeft zij met name aangegeven dat SLE op de datum in geding niet definitief als diagnose kon worden gesteld alleen wegens het ontbreken van laboratorium-gegevens en dat het ziektebeeld van SLE negatief wordt beïnvloed door psychische en fysieke stress, waarbij twee opties mogelijk zijn, te weten het opzoeken van de grens van de mogelijkheden met de kans op toename van de klachten òf het inbouwen van marges ter voorkoming daarvan, van welke opties de deskundige de tweede heeft gekozen.

Bij brief van 16 maart 2004 heeft appellante uitgebreid gereageerd op zowel de bevindingen van de deskundige als het commentaar daarop van de bezwaarverzekerings-arts en met name aangegeven dat het verrichten van werkzaamheden gedurende tweemaal drie uren per week in een stressloze, rustige omgeving voor haar het absolute maximum is.

De Raad overweegt het volgende.

Dit geding wordt beheerst door het verschil van inzicht over de medische situatie waarin appellante op 16 mei 2000 verkeerde tussen enerzijds de door de Raad als deskundige ingeschakelde internist Abraham - Inpijn en anderzijds zowel de door gedaagde gevolgde bezwaarverzekeringsarts Lustenhouwer als appellante, terwijl de twee laatstgenoemden het evenmin met elkaar eens zijn, en is toegespitst op de volgens de deskundige tot en met 50% te beperken arbeidsduur.

Naar vaste jurisprudentie van de Raad dient in beginsel het oordeel van de door de bestuursrechter ingeschakelde onafhankelijke medische deskundige te worden gevolgd. In dit geval doen zich geen feiten of omstandigheden voor die (voldoende) grond vormen om van deze lijn af te wijken. Daartoe heeft de Raad in aanmerking genomen dat de deskundige appellante heeft onderzocht en tevens de beschikking heeft gehad over alle tot dan beschikbare en op de zaak betrekking hebbende stukken, waartoe ook behoort de hiervoor aangehaalde verklaring van de internist Jonker van 15 oktober 2001, welke tevens inhoudt dat de op dat moment bestaande, in de anamnese vermelde klachten dusdanige beperkingen opleveren dat een arbeidsprestatie van enige omvang niet mogelijk lijkt, bezien in relatie met diens verklaring van 16 november 2001, inhoudende onder meer dat aannemelijk is dat die klachten reeds in mei 2000 bestonden. Vanwege gedaagde is evenzeer uitgegaan van het van maart 2001 daterende dag- en nachtverhaal van appellante dat door beide partijen relevant wordt geacht voor de beoordeling per de in geding zijnde datum.

Het rapport van de deskundige getuigt van zorgvuldigheid, is consistent en geeft weliswaar summier, maar in voldoende mate aan waarom tot die urenbeperking is geconcludeerd. De deskundige is gemotiveerd op het commentaar van de bezwaarverzekeringsarts Lustenhouwer op haar eerste rapport ingegaan en heeft de in dat rapport neergelegde bevindingen en conclusies gemotiveerd gehandhaafd.

Aan het door appellante ingenomen standpunt kan niet de betekenis worden toegekend die zij daaraan gehecht wil zien, omdat dat standpunt een deugdelijke medische onder-bouwing ontbeert.

Reeds omdat, gelet op het vorenstaande, appellante niet in staat kan worden geacht op de datum in geding langer dan gedurende 20 uren per week arbeid in loondienst te verrichten, moet de conclusie worden getrokken dat gedaagde zich ten onrechte heeft gesteld op het standpunt dat appellante op die datum de haar als geschikt voorgehouden voltijdse functies kon vervullen. Daargelaten kan dan ook worden of appellante die functies in de andere aan de orde gestelde opzichten volledig kon vervullen.

Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, evenals - met alsnog gegrondverklaring van het beroep daartegen - het bestreden besluit. Gedaagde zal een nieuw besluit op bezwaar moeten nemen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.

De Raad wijst het verzoek van appellante om gedaagde te veroordelen tot vergoeding van de uit wettelijke rente over het niet tijdig uitbetaalde bedrag aan de door haar geclaimde WAO-uitkering bestaande schade thans af, omdat thans niet vaststaat dat van zodanige schade sprake is. Het al dan niet bestaan van evenbedoelde schade zal eerst kunnen worden vastgesteld, nadat de nadere besluitvorming door gedaagde zal hebben plaatsgevonden. Gedaagde zal bij het nader te nemen besluit op bezwaar dan ook tevens een beslissing moeten nemen op het door appellante gedane verzoek om vergoeding van geleden renteschade.

De Raad acht voorts termen aanwezig om gedaagde met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep, begroot op in totaal € 1.288,--, voor verleende rechtsbijstand, in verband met de in beide instanties verleende toevoeging krachtens de Wet op de rechtsbijstand te betalen aan de griffier van de Raad.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep van appellante tegen het besluit van 14 februari 2001 alsnog gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar moet nemen met inachtneming van het in deze uitspraak overwogene;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante in beroep tot een bedrag van € 644,-- te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag van € 644,-- te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Centrale Raad van Beroep;

Bepaalt voorts dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het in beroep (€ 27,23) en in hoger beroep (€ 82,--) betaalde griffierecht van in totaal € 109,23 dient te vergoeden.

Aldus gegeven door mr. J. Jansen als voorzitter en mr. D.J. van der Vos en mr. G.J.H. Doornewaard als leden, in tegenwoordigheid van J.P. Grauss als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 8 oktober 2004.

(get.) J. Janssen.

(get.) J.P. Grauss.

MH