Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AR4428

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-10-2004
Datum publicatie
25-10-2004
Zaaknummer
00/6285 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ten onrechte is de WAO-uitkering van betrokkene herzien omdat de medische situatie van betrokkene onveranderd is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

00/6285 WAO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 23 november 1998 heeft gedaagde de uitkering van appellant ingevolge de Wet op de arbeidsongeschikt- heidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 3 januari 1999 herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15-25%.

Bij besluit van 24 juni 1999, hierna: het bestreden besluit, heeft gedaagde het hiertegen ingestelde bezwaar ongegrond verklaard.

De rechtbank Arnhem heeft bij uitspraak van 31 oktober 2000 (registratienummer 99/1453 WAO) het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

Namens appellant is op bij aanvullend beroepschrift van 28 februari 2001 aangevoerde gronden tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld.

Gedaagde heeft een verweerschrift, gedateerd 5 april 2001, ingediend.

Naar aanleiding van een verzoek van de Raad heeft appellant ter onderbouwing van zijn beroepschrift een verklaring van zijn behandelend huisarts, J.F. Sündermann, gedateerd 17 mei 2002, ingezonden.

Vervolgens heeft appellant, eveneens op verzoek van de Raad, een schrijven van 18 januari 1999 van huisarts Sündermann, vergezeld van een bijlage, en de laatste twee pagina’s (pagina’s 6 en 7) van een rapport van prof.dr. B.D. de Jong, plastisch chirurg, gedateerd 19 mei 1999, ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 27 september 2002, waar appellant in persoon is verschenen in tegenwoordigheid van mr. R. Veerkamp, advocaat te Utrecht als zijn raadsman, en waar gedaagde, met voorafgaand bericht, niet is verschenen.

Vervolgens heeft de Raad het onderzoek heropend en in dit kader als deskundige benoemd prof.dr. C.M.A.M. van der Horst, plastisch chirurg.

De deskundige Van der Horst, voornoemd, heeft hierop een rapport, gedateerd 11 november 2003, aan de Raad doen toekomen.

Gedaagde heeft op dit rapport gereageerd bij schrijven van de bezwaarverzekeringsarts S. Gommers, gedateerd 16 februari 2004.

De deskundige Van der Horst heeft bij schrijven van 5 mei 2004 een reactie op dit schrijven gegeven.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 6 augustus 2004, waar appellant in persoon is verschenen bijgestaan door mr. F.W. Verweij, advocaat te Utrecht als zijn raadsman, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door

mr. J.A.M. Anedda, werkzaam bij het Uwv.

II. MOTIVERING

Appellant, werkzaam als fulltime schoonmaker bij een champignonverwerkend bedrijf, viel uit op 26 augustus 1997 na een bedrijfsongeval waarbij hij pees- en zenuwletsel aan zijn linkerduim opliep. Hij was vervolgens gedurende 52 weken arbeidsongeschikt, waarna gedaagde hem per 25 augustus 1998 een WAO-uitkering heeft toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%.

De verzekeringsarts R. Weijers heeft, op basis van eigen onderzoek en van informatie van plastisch chirurg D.S. Wijnberg van 27 mei 1998, vastgesteld dat er sprake is van lichte dystrofie aan de linkerhand, beperkingen ten aanzien van de pincet-, bol- en cylindergreep en ten aanzien van werken bij lage temperaturen, hetgeen hij heeft neergelegd in het belastbaar- heidspatroon van 27 mei 1998. De arbeidsdeskundige G.N.H. van Druten heeft bij rapportage van 23 oktober 1998 op basis van de functies van spuitgieter metaalwaren, inpakker karton en automaatbediende verspanende bewerkingen een theoretische schatting uitgevoerd, welke resulteerde in een mate van arbeidsongeschiktheid van 15-25%.

De bezwaarverzekeringsarts J.H.M. Kupecz-Mogendorff heeft, op basis van onderzoek van de linkerhand en informatie van de huisarts, het door de verzekeringsarts opgestelde belastbaarheidspatroon bevestigd, waarbij zij heeft aangetekend dat de functie van spuitgieter haar niet geschikt lijkt voor appellant.

Bij het bestreden besluit is het primaire besluit tot herziening van de uitkering en nadere vaststelling op een mate van arbeidsongeschiktheid van 15-25% per 3 januari 1999, gehandhaafd, waarbij de theoretische schatting is aangepast en gebaseerd op de functies van inpakker karton, automaatbediende verspanende bewerkingen en inpakker dagversvlees/koekjes.

De rechtbank heeft het hiertegen ingestelde beroep ongegrond verklaard, waarbij zij heeft overwogen dat zowel de medische als de arbeidskundige besluitvorming zorgvuldig tot stand is gekomen.

In hoger beroep heeft appellant (nogmaals) aangevoerd dat het belastbaarheidspatroon onjuist is, met name met betrekking tot het kunnen werken met beide handen en bij lage temperaturen. Tevens is aangevoerd dat appellant de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies niet kan vervullen. Voor de medische onderbouwing van deze grieven heeft appellant verwezen naar de door de Raad benoemde deskundige Van der Horst opgemaakte rapportage, gedateerd

11 november 2003.

Gedaagde heeft het eerder ingenomen standpunt gehandhaafd, waarbij is gewezen op de rapporten van de verzekeringsarts Weijers, de bezwaarverzekeringsarts Kupecz-Mogendorff, de bezwaarverzekeringsarts S.J.J.M. Gommers in de beroepsfase en in de hoger beroepsfase en op de informatie van de huisarts Sündermann van 18 januari 1999 en van 17 mei 2002.

De door de Raad ingeschakelde deskundige Van der Horst heeft in haar rapport van 11 november 2003 aangegeven dat zij zich niet kan verenigen met het belastbaarheidspatroon van 27 mei 1998 van appellant, gelet op het feit dat appellant niet in staat is en was om tweehandige werkzaamheden te verrichten. Voorts is zij van oordeel dat appellant op de datum in geding niet in staat was tot het verrichten van werkzaamheden, verbonden aan de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies. Hierbij merkte zij op dat hij noch in staat is en was tweehandige werkzaamheden te verrichten noch in een koude omgeving te functioneren.

In ’s Raads vaste jurisprudentie ligt besloten dat het oordeel van een onafhankelijke, door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel dient te worden gevolgd. Dit kan onder meer anders zijn als zich de bijzondere situatie voordoet dat uit de reactie van die deskundige op een andersluidend oordeel van een door een partij ingeschakelde eigen of externe arts zijn eigen oordeel niet serieus heeft heroverwogen. De Raad is van oordeel dat hiervan in dit geval geen sprake is. Gedaagde heeft gereageerd op het rapport van Van der Horst met de rapportage van bezwaarverzekeringsarts Gommers van 16 februari 2004. Van der Horst heeft hierop gereageerd bij schrijven van 5 mei 2004, van welk stuk naar het oordeel van de Raad niet kan worden gezegd dat er geen serieuze heroverweging aan ten grondslag ligt. De Raad is van oordeel dat het rapport van Van der Horst getuigt van zorgvuldigheid en consistent is terwijl het medisch oordeel daarin naar behoren is gemotiveerd. Voorts is de Raad van oordeel dat Van der Horst voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de medische situatie van appellant sinds 3 januari 1999 onveranderd is gebleven, zodat ervan moet worden uitgegaan dat de medische beoordeling zoals zij die heeft opgemaakt tijdens haar onderzoek op 30 september 2003, ook geldt voor de datum in geding, 3 januari 1999.

Gelet op het bovenstaande slaagt het hoger beroep van appellant, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd.

De Raad acht termen aanwezig om gedaagde op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten zijn begroot op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 1127,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 1449,- , onder de aantekening dat deze vergoeding aan de griffier van de Raad dient te worden betaald.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit alsnog gegrond en vernietigt dit besluit;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar moet nemen met inachtneming van hetgeen bij deze uitspraak is overwogen;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag groot € 1449,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Centrale Raad van Beroep;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van in totaal € 104,37 moet vergoeden.

Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. D.J. van der Vos en prof. mr. W.M. Levelt-Overmars als leden in tegenwoordigheid van J.P. Grauss als griffier en uitgesproken in het openbaar op 8 oktober 2004.

(get.) J. Janssen.

(get.) J.P. Grauss.