Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AR4417

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-10-2004
Datum publicatie
25-10-2004
Zaaknummer
02/2766 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek om terug te komen van een besluit inzake vaststelling hoogte dagloon afgewezen. Geen nieuwe feiten of omstandigheden bij dit verzoek aangevoerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

02/2766 WW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 8 januari 2001 ( hierna: het bestreden besluit) heeft gedaagde de bezwaren van appellant tegen het besluit van 17 mei 2000, waarbij aan hem is meegedeeld dat niet wordt teruggekomen van het besluit ingevolge de Werkloosheidswet (WW) van 13 januari 1999 ongegrond verklaard.

De rechtbank Breda heeft bij uitspraak van 29 maart 2002, kenmerk 01/264 het namens appellant tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Appellant is bij gemachtigde mr. P.C.W.M. Meerbach, advocaat te Woerden, op bij aanvullend beroepschrift van 10 juni 2002 aangevoerde gronden van die uitspraak bij de Raad in hoger beroep gekomen.

Gedaagde heeft een op 31 juli 2002 gedagtekend verweerschrift ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 2 september 2004, waar appellant is verschenen bij zijn gemachtigde mr. P.C.W.M. Meerbach, voornoemd, ter-wijl gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door J. Aarts, werkzaam bij het Uwv.

II. MOTIVERING

De Raad gaat uit van de volgende, niet bestreden feiten.

Appellant was van 23 maart 1998 tot en met 18 december 1998 als bitumenchauffeur werkzaam bij [naam werkgever] ([naam werkgever]). Gedaagde heeft appellant bij het besluit van 13 januari 1999 ingaande 21 december 1998 een WW-uitkering toegekend naar een dagloon van f 193,56. Tegen dat besluit is geen rechtsmiddel aangewend. In de periode van 29 maart 1999 tot 17 december 1999 was appellant opnieuw voor [naam werkgever] werkzaam en aansluitend is hem andermaal een WW-uitkering toegekend, zij het naar een hoger dagloon. Bij brief van 5 mei 2000 heeft appellant, voor zover thans nog van belang, aan gedaagde gevraagd terug te komen van zijn besluit van 13 januari 1999 en alsnog een hoger dagloon vast te stellen. Gedaagde heeft dat geweigerd, daarbij overwegende dat appellant werkzaam was in seizoenarbeid, zodat overuren niet worden meegeteld.

Een bestuursorgaan is in het algemeen bevoegd een verzoek van een belanghebbende om van een eerder genomen besluit terug te komen inhoudelijk te behandelen en daarbij het oorspronkelijke besluit in volle omvang te heroverwegen. Het bepaalde in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) staat daaraan niet in de weg. Indien het bestuursorgaan met gebruikmaking van deze bevoegdheid het eerdere besluit handhaaft, kan dit echter niet de weg openen naar een toetsing als betrof het een oorspronkelijk besluit. Een dergelijke wijze van toetsen zou zich niet verdragen met de dwingendrechtelijk voorgeschreven termijn(en) voor het instellen van rechtsmiddelen in het bestuursrecht. De bestuursrechter dient dan ook het oorspronkelijke besluit tot uitgangspunt te nemen en zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien.

Ter ondersteuning van zijn verzoek is namens appellant aangevoerd - kort samengevat - dat er geen sprake is van seizoenarbeid, maar van een contract voor bepaalde duur; dat er derhalve geen reden is om het dagloon te korten ex artikel 12 Dagloonregelen IWS; dat er dan ook geen redenen zijn voor een korting ex artikel 3 van het Bijzonder Dagloonbesluit door overwerk buiten beschouwing te laten; dat hij nimmer gewaarschuwd is dat zijn arbeid als seizoenmatig wordt aangemerkt en gedaagde deswege bij herhaalde werkloosheid na hervatting van dezelfde arbeid toepassing zal geven aan artikel 12 Dagloonregelen IWS en artikel 3 Bijzonder Dagloonbesluit.

De Raad is van oordeel dat appellant met de hierboven vermelde samenvatting geen nieuwe ter zake dienende feiten of omstandigheden heeft aangevoerd.

De Raad merkt hierbij nog op dat hij de namens appellant ter zitting naar voren gebrachte stelling, dat nu bij het bestreden besluit het dagloon ter zake van de eerste werkloosheidsperiode alsnog is verhoogd er een nieuw feit voordoet in die zin dat dan artikel 17 Dagloonregelen IWS toegepast had moet worden, niet kan volgen. Immers bij een verzoek om terug te komen van een oorspronkelijk besluit moet het gaan om nieuwe feiten of omstandigheden welke zich hebben voorgedaan voorafgaande aan de indiening van dit verzoek.

Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad tenslotte geen aanleiding.

Beslist wordt als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. R.C. Schoemaker als voorzitter en mr. G. van der Wiel en mr. R.C. Stam als leden, in tegenwoordigheid van A. de Gooijer als griffier en uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2004.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) A. de Gooijer.