Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AR4411

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-10-2004
Datum publicatie
22-10-2004
Zaaknummer
01/5611 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Brief dat uitkering ingevolge de WW onvervreemdbaar is en niet vatbaar is voor verpanding of belening is slechts een mededeling en geen besluit in de zin van art. 1:3 Awb. Het bezwaar had niet-ontvankelijk verklaard moeten worden.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2005/27
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

01/5611 WW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats] (België), appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Appellant heeft op bij beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Maastricht op 14 september 2001 tussen partijen gewezen uitspraak, reg.nr. 00/332 WW I, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben schriftelijk toestemming gegeven het onderzoek ter zitting achterwege te laten.

II. MOTIVERING

De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

Aan de gedingstukken ontleent de Raad dat door gedaagde aan [betrokkene] (verder te noemen: [betrokkene]) met ingang van 9 april 1997 een uitkering ingevolge de WW is toegekend. In verband met de verhuur van woonruimte door appellant aan [betrokkene] hebben zij op 12 augustus 1997 een akte van vestiging van stille verpanding gemaakt, waarbij [betrokkene] zijn WW-uitkering heeft verpand aan appellant ter zekerheid voor het nakomen van zijn verplichtingen uit huurovereenkomst. Appellant meent als pandhouder een rechtstreeks vorderingsrecht op de WW-uitkering van gedaagde te hebben.

Omdat [betrokkene] niet langer voldeed aan de verplichtingen om zijn huurpenningen te betalen heeft appellant zich, onder verwijzing naar voormeld pandrecht, gewend tot gedaagde met het verzoek om een gedeelte van de uitkering van [betrokkene] aan hem uit te betalen. Bij brief van 8 oktober 1997 is appellant meegedeeld dat aan dat verzoek niet kan worden voldaan omdat in artikel 40 van de WW is bepaald dat een uitkering ingevolge de WW onvervreemdbaar is en niet vatbaar voor verpanding of belening.

Na een eerdere bezwaar- en beroepsprocedure heeft gedaagde het bezwaar van appellant tegen de brief van 8 oktober 1997 bij besluit van 8 februari 2000, het bestreden besluit, ongegrond verklaard onder de overweging dat de tekst van het dwingendrechtelijk geformuleerde artikel 40 van de WW in het geheel geen interpretatievrijheid toelaat.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellant zijn eerdere stellingen herhaald. Die komen er kort gezegd op neer dat appellant meent op grond van het hem toekomende pandrecht gedaagde rechtstreeks te kunnen aanspreken terzake van zijn vordering op [betrokkene].

De Raad moet ambtshalve de vraag beantwoorden of de brief van 8 oktober 1997 een besluit bevat in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

De Raad beantwoordt deze vraag ontkennend, omdat in dit geval geen sprake is van een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan inhoudend een publiekrechtelijke rechtshandeling. De WW kent geen specifieke publiekrechtelijke grondslag die gedaagde de bevoegdheid verleent een rechtshandeling te verrichten als door appellant verzocht.

Op grond van het vorenstaande komt de Raad tot de conclusie dat gedaagde appellant ten onrechte in zijn bezwaar heeft ontvangen.

Doende wat de rechtbank had behoren te doen, verklaart de Raad appellant alsnog niet- ontvankelijk in zijn bezwaar.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het inleidend beroep gegrond en vernietigt het besluit van 8 februari 2000;

Verklaart het bezwaar tegen het besluit van 8 oktober 1997 niet-ontvankelijk;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het gestorte recht van in totaal € 77,14 (f 170,--) en € 27,23 (f 60,--) vergoedt.

Aldus gewezen door mr. T. Hoogenboom, als voorzitter en mr. C.P.J. Goorden

en mr H.G. Rottier als leden, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2004.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) P. Boer.

RB1810