Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AR4407

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-10-2004
Datum publicatie
22-10-2004
Zaaknummer
03/3874 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vastgestelde vertrekregeling. In geschil is het mogen verrichten van nevenactiviteiten en het recht op een toelage.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

03/3874 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van Bestuur van het Erasmus Universitair Medisch Centrum Rotterdam, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant is op de daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 2 juli 2003, nr. AWB 02/3263 AW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 2 september 2004, waar voor appellant is verschenen zijn raadsvrouw mr. C.I. van Gent, advocaat te ’s-Gravenhage, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. J.A. Bijker, werkzaam ten behoeve van gedaagde.

II. MOTIVERING

1. De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant was werkzaam als hoofd van de afdeling [naam afdeling] van de Daniel den Hoedkliniek te Rotterdam. In 1995 is een deel van die kliniek, waaronder de afdeling van appellant, samengegaan met het Academisch Ziekenhuis Rotterdam (het AZR). Appellant werd aangesteld volgens de salarisregeling van het AZR en ontving daarnaast een garantietoelage vanwege zijn voorheen hogere salaris.

Aanvankelijk bleef de afdeling van appellant als zodanig bestaan, naast een gelijksoortige afdeling van het oude AZR, waar B. aan het hoofd stond. Ingevolge een in 2001 gerealiseerde herstructurering werd appellants afdeling een subafdeling van de afdeling Interne Oncologie van het AZR.

1.2. In mei 1999, toen gesproken werd over de herstructureringsvoorstellen, heeft appellant aan de Raad van Bestuur van het AZR verzocht hem een toelage op zijn salaris te verstrekken, omdat hem was gebleken dat B. al 10 jaar lang een dergelijke toelage ontving. Daarop is bij brief van 11 oktober 1999 vanwege het AZR geantwoord dat appellant in overleg is over een komende reorganisatieverandering en dat aangenomen wordt dat in dat verband ook de financiële consequenties voor appellant aan de orde zullen komen.

1.3. Bij besluit van 9 maart 2000 heeft de Raad van Bestuur van het AZR voor appellant, die in de nieuwe structuur voor zichzelf geen taak als hoofd van de subafdeling zag weggelegd, een vertrekregeling vastgesteld. Deze regeling hield, voorzover hier van belang, in dat appellant met ingang van 1 augustus 2002 werd vrijgesteld van arbeid, dat het dienstverband werd gehandhaafd tot 1 augustus 2006, dat appellant van 1 augustus 2002 tot 1 augustus 2006 buitengewoon verlof werd verleend met behoud van 75% van het salaris en de garantietoelage, aan te passen conform algemene salarisverhogingen krachtens de CAO academische ziekenhuizen, dat appellant per 1 augustus 2006 met FPU zou gaan en dat een pensioenvoorziening en een regeling voor de ziektekosten werden getroffen.

1.4. In november 2000 hebben appellant en diens plaatsvervanger G. aan de Raad van Bestuur van het AZR verzocht alsnog in het voetspoor van de Honoreringsregeling Medische Specialisten voor een toelage in aanmerking te komen. Daartoe is erop gewezen dat zij indertijd geen bezwaar hadden gemaakt tegen het niet verstrekken aan hen van een toelage, omdat zij waren afgegaan op ondubbelzinnige informatie van de Raad van Bestuur dat zij daarvoor niet in aanmerking kwamen, aangezien zij niet waren geregistreerd als medisch specialist. Nu zij gemerkt hadden dat andere medisch immunologen wel bezwaar hadden gemaakt en wellicht mogelijk toch een toelage zouden krijgen, wilden zij op gelijke voet behandeld worden.

1.5. Bij brief van 5 maart 2001 is in reactie hierop vanwege de Raad van Bestuur van het AZR aan appellant bericht dat vorig jaar ten aanzien van hem afspraken zijn gemaakt over zijn rechtspositie, inclusief de honorering, voor de periode tot na zijn vervroegde uittreding en dat geen aanleiding werd gezien daarop terug te komen. Voorts werd meegedeeld dat de positie van G. bezien zou worden in relatie tot de medisch immunologen, werkzaam in het AZR, locatie Dijkzigt. Dat laatste heeft ertoe geleid dat aan G. bij besluit van 26 juni 2001 per 1 november 2001 een toelage is toegekend op zijn salaris. De datum van 1 november 2001 hing samen met de benoeming van G. per die datum tot hoofd van de subafdeling Medische en Tumorimmunologie.

1.6. Op 5 april 2001 is vanwege de Raad van Bestuur van het AZR aan appellant bericht dat alsnog werd voorzien in een leemte in de vertrekregeling met betrekking tot het verrichten van nevenwerkzaamheden en de inkomsten daaruit. Bepaald werd dat het appellant gedurende de periode van het buitengewoon verlof is toegestaan nevenwerk-zaamheden te verrichten voorzover deze niet in strijd zijn met de belangen van het AZR en dat inkomsten zullen worden gekort voorzover de som van deze inkomsten en de uitkering van het AZR uitgaat boven 100% van de laatstgenoten bezoldiging.

1.7. Op 25 juni 2001 heeft appellant wederom aan de Raad van Bestuur van het AZR verzocht hem een toelage op zijn salaris te verstrekken, welk verzoek op 24 juli 2001 is afgewezen.

1.8. Vervolgens heeft appellant op 29 juli 2001 bezwaren gemaakt, zowel tegen de afwijzing hem een toelage te verstrekken als tegen de in de brief van 5 april 2001 opgenomen bepalingen omtrent nevenwerkzaamheden. Bij besluit van 24 juli 2002 heeft gedaagde, als rechtsopvolger van de Raad van Bestuur van het AZR, het bezwaar tegen het besluit van 24 juli 2001 ongegrond verklaard en het bezwaar terzake van de brief van 5 april 2001, wegens overschrijding van de bezwarentermijn, niet-ontvankelijk verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit van 24 juli 2002 ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd overweegt de Raad het volgende.

4. nevenwerkzaamheden.

4.1. Anders dan appellant is de Raad van oordeel dat de brief van 5 april 2001 niet slechts een informatief karakter draagt, maar ook een besluit bevat, te weten het aan de voor appellant geldende vertrekregeling verbinden van voorschriften met betrekking tot het verrichten van nevenwerkzaamheden en de inkomsten daaruit. Aldus zijn voor appellant verplichtingen in het leven geroepen, die tevoren voor hem niet bestonden.

4.2. Appellant heeft tegen dit besluit eerst op 29 juli 2001 bezwaar gemaakt, op welk moment de geldende bezwarentermijn van zes weken reeds was verstreken. Het ontbreken van de rechtsmiddelenclausule in het besluit levert, volgens vaste jurisprudentie van de Raad (zie bijvoorbeeld 29 februari 2000, AB 2000, 443) geen verontschuldigbare termijnoverschrijding op, tenzij sprake is van bijzondere omstandig-heden. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat daarvan niet is gebleken. Appellant, die blijkens zijn hiervoor onder 1.4. genoemde brief bekend was met de bezwaarmogelijkheid, is door gedaagde niet afgehouden van het tijdig indienen van bezwaren.

4.3. Uit het vorenstaande volgt dat het hier besproken gedeelte van het bestreden besluit door de rechtbank terecht in stand is gelaten.

5. toelage.

5.1. Bij brief van 5 maart 2001 is, wederom, afwijzend beslist op het verzoek van appellant hem een toelage op zijn salaris toe te kennen. Dit betekent dat in die brief een besluit is vervat. Daaraan kan niet afdoen dat in die brief ten onrechte geen rechts-middelenclausule is opgenomen.

Op 25 juni 2001 heeft appellant een soortgelijk verzoek gedaan, waarop gedaagde de zaak in haar geheel opnieuw heeft beoordeeld, hetgeen echter niet tot een andere uitkomst heeft geleid.

5.2. Volgens jurisprudentie van de Raad (zie bijvoorbeeld CRvB 5 januari 2004, TAR 2004, 47) dient de bestuursrechter in een dergelijk geval de oorspronkelijke afwijzing tot uitgangspunt te nemen, terwijl indien een duuraanspraak in geding is, bij de toetsing voorts een onderscheid dient te worden gemaakt tussen het verleden en de toekomst. De Raad verwijst voor de hier te hanteren toetsingsmaatstaf verder naar hetgeen in voor-melde uitspraak is overwogen.

5.3. Wat betreft de periode vanaf de aanvraag overweegt de Raad het volgende.

5.3.1. Appellant heeft aangevoerd dat hij op grond van het gelijkheidsbeginsel aanspraak heeft op een toelage. Volgens appellant zijn toelagen verstrekt aan B., aan G. en aan bij het AZR werkzame (andere) medische immunologen.

5.3.2. Gedaagde heeft aangevoerd dat B., anders dan appellant, in dienst was bij de Erasmus Universiteit Rotterdam (EUR), en van daaruit werkzaam was bij het AZR. B. ontving zijn salaris en een toelage dan ook van de EUR. Reeds gelet hierop is de Raad van oordeel dat de situatie van appellant niet op één lijn kan worden gesteld met die van B.

5.3.2. Aan G. is vanaf 1 november 2001 op individuele basis een toelage verstrekt. Hij was toen al hoofd van de nieuwe subafdeling. Diens salaris plus toelage was, zo is ter zitting geconstateerd, lager dan het salaris plus de garantietoelage van appellant, zodat ook hier, nog afgezien van eventuele andere factoren, geen sprake is van gelijksoortige gevallen.

5.3.3. Gedaagde heeft voorts meegedeeld dat aan andere medisch immunologen een toelage is verstrekt ter compensatie van het wegvallen van verdiensten uit het voeren van een particuliere praktijk binnen het ziekenhuis. Aangezien appellant voorheen, onbetwist, geen inkomsten uit een particuliere praktijk had, kan naar het oordeel van de Raad ook in dit opzicht niet gesproken worden van vergelijkbare gevallen. Gelet hierop ziet de Raad geen aanleiding om de zaak aan te houden, teneinde gedaagde nadere gegevens over de inkomsten van de andere medisch immunologen te laten indienen.

5.3.4. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat gedaagde niet op grond van het gelijkheidsbeginsel gehouden is aan appellant een toelage te verstrekken. Daarvan uitgaande en in aanmerking genomen dat gedaagde op grond van de rechtspositieregeling geen verplichting heeft een toelage te verstrekken, is de Raad van oordeel dat gedaagde, wat betreft het tijdvak na de nieuwe aanvraag, bij een zorgvuldige en evenwichtige belangenafweging tot de bestreden afwijzing heeft kunnen komen.

5.4. Het vorenstaande betekent tevens dat niet valt in te zien dat sprake is van nieuw gebleken feiten of omstandigheden op grond waarvan gedaagde niet in redelijkheid heeft kunnen weigeren om van de oorspronkelijke afwijzing terug te komen wat betreft het tijdvak voorafgaande aan de nieuwe aanvraag. Ook anderszins heeft de Raad in hetgeen is aangevoerd geen grond gevonden voor het oordeel dat het hier besproken gedeelte van het bestreden besluit geen stand kan houden.

6. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. J.C.F. Talman als voorzitter en mr. J.Th. Wolleswinkel en mr. K. Zeilemaker als leden, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2004.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) P.W.J. Hospel.

HD

20.09