Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AR4404

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-10-2004
Datum publicatie
22-10-2004
Zaaknummer
03/2288 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Is betrokkene terecht niet in aanmerking gebracht voor een afkoopregeling in de zin van artikel 49 van het BWOO?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
WVO Commentaar en Jurisprudentie 2004/269
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

03/2288 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Appellant heeft op de daartoe bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 15 april 2003,

nr. AWB 01/1721 AW Z GIF, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.

Desgevraagd is namens gedaagde een nader stuk ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 2 september 2004, waar appellant niet is verschenen. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D.R. Abdoelhak, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. MOTIVERING

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Aan appellant is per 1 augustus 1995 ontslag verleend als leraar Engels, waarna hem met toepassing van het overgangsrecht, opgenomen bij het Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel (BWOO), een uitkering is toegekend.

1.2. Bij brief van 14 januari 2000 aan het Participatiefonds heeft appellant verzocht hem in aanmerking te brengen voor een afkoopregeling in de zin van artikel 49 van het BWOO, dit met het oog op het mogelijk starten van een onderwijsbegeleidingsinstituut. Na onderzoek door en advies van het Participatiefonds heeft gedaagde appellant bij brief van 6 oktober 2000 verzocht hem te laten weten of hij gebruik wil maken van de mogelijkheid om zijn uitkering af te kopen overeenkomstig het advies van het Participatiefonds. Appellant heeft hierop gereageerd bij ongedateerd schrijven waarin hij zich beklaagde over de zeer lange duur van de behandeling van zijn verzoek door het Participatiefonds, in verband waarmee hij verzocht om een hogere afkoopsom dan door dit fonds is geadviseerd.

1.3. Bij brief van 29 november 2000 heeft gedaagde appellant medegedeeld dat het Participatiefonds niet instemde met zijn (nadere) verzoek en dat hij een nieuw verzoek kon indienen om zijn uitkering per 1 november 2000 of 1 januari 2001 af te kopen.

Daarop heeft appellant eerst niet gereageerd.

1.4. Na nog contact te hebben gehad met het Participatiefonds heeft appellant gedaagde bij brief van 28 juni 2001 verzocht om een besluit te nemen over zijn verzoek om een afkoopregeling. Bij besluit van 7 november 2001 heeft gedaagde het verzoek van appellant afgewezen omdat diens uitkering al op 10 juni 2001 van rechtswege was geƫindigd en afkoop derhalve niet meer mogelijk was. Bij het in geding zijnde besluit van 21 november 2001 heeft gedaagde het bezwaar van appellant tegen het besluit van 7 november 2001 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het besluit van 21 november 2001 ongegrond verklaard.

3.1. Met betrekking tot het door appellant ingestelde hoger beroep overweegt de Raad dat het primaire besluit van 7 november 2001 is genomen op een verzoek van appellant van 28 juni 2001, op welk moment de uitkering van appellant reeds tot een einde was gekomen. Mede gezien inhoud en strekking van artikel 49 van het BWOO kon toen derhalve van afkoop van deze uitkering geen sprake meer zijn.

Voorzover appellant zich erover beklaagt dat geen besluit op zijn aanvrage van 14 januari 2000 is genomen op een zodanig tijdstip dat nog wel een afkoopsom had kunnen worden toegekend, overweegt de Raad dat de vertraging in de behandeling van zijn aanvrage, naar appellant zelf heeft gesteld, in het bijzonder aan het Participatiefonds is toe te schrijven. Voor in dit verband mogelijk geleden schade dient appellant zich dan ook desgewenst tot dit fonds, zijnde een zelfstandig bestuursorgaan, te wenden. Daarbij merkt de Raad nog op dat appellant zelf ook voor vertraging heeft gezorgd door bij zijn verzoek niet direkt alle benodigde gegevens mee te zenden.

3.2. Het vorenstaande brengt mee dat het hoger beroep niet slaagt zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

4. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. J.C.F. Talman als voorzitter en mr. J.Th. Wolleswinkel en mr. K. Zeilemaker als leden, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2004.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) P.W.J. Hospel.

HD

20.09