Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AR4211

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-10-2004
Datum publicatie
19-10-2004
Zaaknummer
02/5107 WAO en 02/6066 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAO-uitkering; Juistheid oordeel over belastbaarheid en de daaraan gekoppelde voorgehouden functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

02/5107 WAO en 02/6066 WAO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 5 december 2000 heeft gedaagde geweigerd om appellante in aansluiting op de wettelijke wachttijd van 52 weken, met ingang van 20 april 2000, in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), op de grond dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante minder dan 15% is.

Bij besluit van eveneens 5 december 2000 heeft gedaagde het aan appellante verstrekte voorschot op een WAO-uitkering ingetrokken met ingang van de dag waarop het aan haar was toegekend.

Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit tot weigering van uitkering met ingang van 20 april 2000, welk bezwaar door gedaagde is aangemerkt mede betrekking te hebben op het besluit tot intrekking van het verleende voorschot.

Bij besluit van 13 november 2001 heeft gedaagde het tegen beide besluiten van 5 december 2000 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

De rechtbank Haarlem heeft bij uitspraak van 27 augustus 2002 het namens appellante door mr. I.T. Martens, werkzaam bij de Stichting Schaderegelingskantoor voor Rechtsbijstandverzekering te Zoetermeer, ingestelde beroep tegen het besluit van 13 november 2001 (hierna: het bestreden besluit) gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en gedaagde opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Voorts heeft de rechtbank aanvullende beslissingen gegeven inzake vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Namens appellante is op bij beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen die uitspraak.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 29 november 2002, met als bijlage een door zijn bezwaarverzekeringsarts en bezwaararbeidsdeskundige ondertekende “rapportage bezwaarverzekeringsarts” van 5 november 2002, heeft gedaagde, ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank, het bezwaar van appellante wederom ongegrond verklaard.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 24 augustus 2004, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door drs. E.M. Spiering, kantoorgenoot van mr. Martens, voornoemd, en waar namens gedaagde is verschenen

mr. A.E.M. Kuppens, werkzaam bij het Uwv.

II. MOTIVERING

Appellante is in april 1999 wegens overgangsklachten, hartritmestoornissen, hoofdpijnklachten en rechter schouderklachten uitgevallen voor haar in een omvang van 12 uur per week verrichte werkzaamheden als kamermeisje. Op basis van het door gedaagdes verzekeringsarts ingestelde onderzoek is een belastbaarheidspatroon opgesteld, gedateerd 20 juni 2000, waarop onder meer, naast andere beperkingen, is aangegeven dat appellante in staat wordt geacht tot het verrichten van arbeid in een maximum omvang van 3 uur per dag. De arbeidsdeskundige van gedaagde heeft een aantal functies geselecteerd tot het vervullen waarvan zijns ziens appellante, gelet op de voor haar van toepassing geachte beperkingen alsmede gelet op de aan die functies verbonden belastende aspecten, nog in staat moet worden geacht, en vastgesteld dat appellante daarmee nog een zodanig loon kan verdienen dat in vergelijking met haar maatgevende inkomen geen sprake is van een voor de toepassing van de WAO relevant verlies van verdiencapaciteit. Vervolgens heeft gedaagde de in rubriek I vermelde besluiten van 5 december 2000 genomen.

Appellante heeft in bezwaar in het bijzonder grieven van medische aard naar voren gebracht. Die grieven zijn in eerste instantie beoordeeld door de bezwaarverzekeringsarts J.H. de Bruine, die zich op basis van dossieronderzoek kon stellen achter de bevindingen en conclusies van de primaire verzekeringsarts. In tweede instantie zijn de grieven van appellante nogmaals beoordeeld door de bezwaarverzekeringsarts C.T.M. Linthorst, die eveneens, thans mede op basis van alsnog verkregen informatie van behandelend artsen van appellante, oordeelde dat de primaire verzekeringsarts was gekomen tot een juiste conclusie inzake en een correcte inschatting van de belastbaarheid van appellante. Nadat ten slotte ook de bezwaararbeidsdeskundige had aangegeven geen aanleiding te zien om te komen tot een ander oordeel dan de primaire arbeidsdeskundige, heeft gedaagde bij het bestreden besluit de bezwaren van appellante verworpen en de beide primaire besluiten gehandhaafd.

In beroep heeft appellante haar medische bezwaren staande gehouden. De rechtbank heeft - en de Raad acht zulks juist in het licht van de van de zijde van appellante aangevoerde bezwaren en mede gelet op het verhandelde ter terechtzitting van de Raad - haar oordeelsvorming - impliciet - beperkt tot het onderdeel van het bestreden besluit waarbij het bezwaar tegen het besluit tot weigering van uitkering met ingang van 20 april 2000 ongegrond is verklaard. De rechtbank heeft geen reden gezien om het medische onderzoek door de primaire verzekeringsarts als onzorgvuldig of onvolledig aan te merken. Appellante heeft, aldus de rechtbank, haar stellingen dat zij meer beperkt is dan aangegeven op het belastbaarheidspatroon niet nader onderbouwd met bijvoorbeeld schriftelijke verklaringen of rapporten van haar behandelend arts(en), noch met feiten of omstandigheden steunende gronden aannemelijk gemaakt dat zij niet in staat is de haar geduide functies te vervullen.

Wat betreft de arbeidskundige component van de schatting heeft de rechtbank vastgesteld dat de schatting mede berust op de functiebestandscode 5414, waaronder een tweetal functies ressorteert die een grotere omvang hebben, respectievelijk gemiddeld 16 uur per week en 20 uur per week, dan overeenkomt met de voor appellante van toepassing geachte medische urenbeperking van 3 uur per dag. Daargelaten, aldus de rechtbank, of het acceptabel kan worden geacht om bij een medische urenbeperking functies te duiden met een grotere omvang dan die medische beperking, is haar uit de stukken niet gebleken van overleg ter zake tussen arbeidsdeskundige en verzekeringsarts. De rechtbank oordeelde dit in ieder geval in strijd met het Besluit uurloonschatting 1999. In verband daarmee dienen naar de zienswijze van de rechtbank bedoelde beide functies buiten beschouwing te worden gelaten, als gevolg waarvan onvoldoende functies resteren om de schatting te kunnen dragen. De rechtbank heeft daarom het bestreden besluit vernietigd en gedaagde opgedragen om een nieuw besluit op het bezwaar van appellante te nemen.

Het hoger beroep van appellante richt zich uitsluitend tegen het oordeel van de rechtbank inzake de medische grondslag van het bestreden besluit. Zij handhaaft haar standpunt dat zij ernstiger beperkt is dan vanwege gedaagde is aangenomen en dat zij niet in staat is tot het vervullen van de geduide functies. Bij dit laatste heeft zij ook doen aanvoeren dat de bij de functies voorkomende markeringen ontoereikend zijn toegelicht.

Gedaagde heeft berust in de vernietiging van het bestreden besluit en heeft ter uitvoering van de aangevallen uitspraak een nader besluit genomen, gedateerd 29 november 2002, waarbij het bezwaar van appellante wederom ongegrond is verklaard. Dit uitvoeringsbesluit, waarmee niet is tegemoet gekomen aan het beroep van appellante, dient op de voet van de artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de onderhavige procedure te worden betrokken. Nu namens appellante is verzocht om gedaagde te veroordelen tot vergoeding van wettelijke rente, heeft appellante belang behouden bij een oordeel van de Raad met betrekking tot het bestreden besluit.

De in hoger beroep gehandhaafde opvatting van appellante dat het door gedaagdes verzekeringsarts ingestelde medische onderzoek onzorgvuldig is geweest en dat zij ernstiger beperkt is dan waarvan gedaagde, gegeven het door de verzekeringsarts opgestelde belastbaarheidspatroon van 20 juni 2000, is uitgegaan, wordt in navolging van de rechtbank door de Raad niet gedeeld. De Raad stelt zich volledig achter de overwegingen en het daarop gebaseerde oordeel van de rechtbank. Daarbij is mede in aanmerking genomen dat appellante haar stellingen in hoger beroep niet nader heeft onderbouwd en in het bijzonder ook in hoger beroep heeft nagelaten om objectief-medische gegevens in het geding te brengen die steun zouden kunnen verlenen aan haar eigen opvatting. Uit het hiervoor overwogene volgt dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.

Met betrekking tot de houdbaarheid in rechte van het besluit van 29 november 2002 overweegt de Raad als volgt.

Blijkens de daarbij als bijlage gevoegde rapportage van gedaagdes bezwaarverzekeringsarts T.E. Greven van 5 november 2002, berust dat besluit op de zienswijze van die bezwaarverzekeringsarts dat de door de primaire verzekeringsarts aangenomen medische urenbeperking van 3 uur per dag onvoldoende is gemotiveerd en in medisch opzicht niet wordt gedragen door de feiten. Er is naar het oordeel van deze bezwaarverzekeringsarts bij appellante geen sprake van enige aandoening welke een medische indicatie oplevert voor beperking van haar arbeidsduur. Om die reden zijn naar het oordeel van genoemde bezwaarverzekeringsarts (ook) de beide onder de functiebestandscode 5414 ressorterende functies die door de rechtbank buiten beschouwing zijn gelaten wegens overschrijding daarin van de voor appellante medisch toegestane arbeidsduur, voor appellante geschikt te achten. Gedaagde heeft dit oordeel van de bezwaarverzekeringsarts overgenomen en heeft het bezwaar van appellante tegen de weigering om haar ingaande 20 april 2000 in aanmerking te doen komen voor een WAO-uitkering wederom ongegrond verklaard.

De Raad is van oordeel dat gedaagde met het besluit van 29 november 2002, gelet op de nadere verzekeringsgeneeskundige onderbouwing daarvan, zoals hiervoor weergegeven, niet is gebleven binnen de door de rechtbank verstrekte opdracht - zoals althans die opdracht naar de kennelijke strekking ervan dient te worden begrepen - om met inachtneming van het door de rechtbank in haar uitspraak gegeven oordeel een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van appellante. De rechtbank heeft de medische grondslag van het bestreden besluit immers expliciet onderschreven, en van die medische grondslag maakt deel uit de door gedaagde van toepassing geachte medische urenbeperking tot 3 uur per dag. De Raad wijst hierbij erop dat de rechtbank, de medische urenbeperking tot 3 uur per dag tot uitgangspunt nemende, tot haar hiervoor vermelde oordeel is gekomen met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van de schatting.

Aan gedaagde kwam derhalve geen ruimte toe om met betrekking tot de in deze procedure ter beoordeling voorliggende datum 20 april 2002, in afwijking van haar aanvankelijke standpunt zoals in de aangevallen uitspraak door de rechtbank onderschreven, alsnog ervan uit te gaan dat voor appellante geen urenbeperking geldt. Gegeven hetgeen de rechtbank heeft overwogen en geoordeeld, zou het gedaagde, om te komen tot een hernieuwde handhaving van het primaire besluit in bezwaar, uitsluitend vrij hebben gestaan om hetzij, ter vervanging van het tweetal door de rechtbank gewraakte functies, nadere functies aan de schatting ten grondslag te leggen die wel binnen de medische urenbeperking van appellante blijven, hetzij op grond van daarop gericht nader overleg tussen (bezwaar)verzekeringsarts en (bezwaar)arbeidsdeskundige te motiveren waarom de door de rechtbank bedoelde beide functies met een overschrijding van de toegestane arbeidsduur toch als voor appellante geschikt kunnen worden aangemerkt. Het beroep van appellante, voor zover dat geacht moet worden mede te zijn gericht tegen het besluit van 29 november 2002, is derhalve gegrond te achten en dat besluit dient te worden vernietigd.

Met het oog op het nemen van een nieuw besluit door gedaagde overweegt de Raad nog dat hij geen aanknopingspunten heeft om appellante te kunnen volgen in haar, ook in hoger beroep gehandhaafde, opvatting dat de functies die wat betreft arbeidsomvang wel blijven binnen de medische mogelijkheden van appellante, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten niet geschikt voor haar zouden zijn. Voor zover in die functies sprake is van markeringen ten teken van een mogelijke overschrijding daarin van de belastbaarheid van appellante op de aangegeven onderdelen, acht de Raad die markeringen van de zijde van gedaagde genoegzaam toegelicht met het verzekeringsgeneeskundig rapport van 21 september 2000.

Voorts overweegt de Raad dat hij in zijn rechtspraak blijk heeft gegeven van de opvatting dat het rechtens niet aanvaardbaar is te achten om in gevallen waarin sprake is van een strikt omschreven medische urenbeperking, zoals ook in het geval van appellante aan de orde, functies aan de schatting ten grondslag te leggen die wat omvang betreft een - al dan niet binnen de marges van de zogeheten bandbreedte blijvende - overschrijding laten zien van die urenbeperking. De door de rechtbank bedoelde motivering, te ontlenen aan nader overleg tussen verzekeringsarts en arbeidsdeskundige, kan derhalve niet ertoe leiden dat functies waarin meer moet worden gewerkt dan 3 uur per dag, alsnog als voor appellante passend zouden kunnen worden aanvaard.

De Raad wil, voor dit geding overigens strikt ten overvloede, ten slotte niet nalaten op te merken dat gedaagde, indien hij zou overwegen om zijn vorenomschreven nadere standpunt met betrekking tot de voor appellante mogelijke arbeidsomvang ten grondslag te leggen aan een besluit dat betrekking heeft op een na de datum in geding gelegen datum, hij dat standpunt overtuigender zal hebben te onderbouwen dan thans het geval is. De Raad merkt hierbij op dat de door de primaire verzekeringsarts, op basis van het door deze ingestelde medische onderzoek van appellante, aangenomen urenbeperking nadien - impliciet - door twee verschillende bezwaarverzekeringsartsen is overgenomen, terwijl de bezwaarverzekeringsarts Greven zijn hiervan afwijkende zienswijze uitsluitend heeft gegrond op dossieronderzoek. De Raad is van oordeel dat, in het licht van de drie voorafgaande beoordelingen van zijn collega verzekeringsartsen, het op de weg van de bezwaarverzekeringsarts Greven zou hebben gelegen om, alvorens tot een afwijkend standpunt te komen, appellante zelf medisch te onderzoeken, althans niet te volstaan met een dossieronderzoek.

Het namens appellante gedane verzoek tot vergoeding van wettelijke rente komt thans niet voor toewijzing in aanmerking, aangezien op basis van het vorenoverwogene niet valt vast te stellen of, en zo ja in welke omvang, appellante schade zal leiden als gevolg van gedaagdes onrechtmatige besluitvorming. De Raad acht het in de rede te liggen dat gedaagde zich bij het nemen van een nader besluit tevens beraadt omtrent het schadeverzoek van appellante.

De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb.

De Raad beslist als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

Verklaart het beroep, voor zover dat moet worden geacht mede te zijn gericht tegen het besluit van 29 november 2002, gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat gedaagde een nader besluit neemt op het bezwaar van appellante met inachtneming van de uitspraak van de Raad;

Aldus gegeven door mr. J.W. Schuttel als voorzitter en mr. C.W.J. Schoor en mr. F.J.L. Pennings als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.E.M.J. Hetharie als griffier en uitgesproken in het openbaar op 5 oktober 2004.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) J.E.M.J. Hetharie.