Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AR4202

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-10-2004
Datum publicatie
19-10-2004
Zaaknummer
02/6503 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontijdige ziekmelding in geval van enig werknemer/directeur. Aanvang ziekengeld.

Wetsverwijzingen
Ziektewet 38a
Ziektewet 29a
Ziektewet 38a
Ziektewet 38a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2004/335 met annotatie van B. Barentsen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

02/6503 ZW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.

Bij brief van 25 februari 2002 is gedaagde vanwege appellant in kennis gesteld van een ten aanzien van haar genomen besluit (hierna: het bestreden besluit) ter uitvoering van de Ziektewet (ZW).

De rechtbank Haarlem heeft bij uitspraak van 3 december 2002 (reg,nr. Awb 02-526 ZW) het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dit besluit vernietigd.

Appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden van die uitspraak in hoger beroep gekomen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 25 augustus 2004, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. H.B. Heij, werkzaam bij het Uwv, en waar gedaagde in persoon is verschenen.

II. MOTIVERING

Gedaagde, enig werknemer/directeur van [naam bedrijf] te Purmerend, heeft zich bij brief van 9 mei 2001 tot appellants administratiekantoor gewend met de mededeling dat zij vanaf 12 maart 2001 arbeidsongeschikt was wegens zwangerschapsklachten en op 26 maart 2001 was opgenomen in het ziekenhuis. Volgens haar brief had zij op

7 mei 2001 haar werk voor vier dagen per week hervat.

Bij besluit van 3 juli 2001 heeft appellant aan gedaagde meegedeeld dat aan haar tot 10 mei 2001 geen ziekengeld werd uitbetaald, op de grond dat de ziekte-aangifte niet uiterlijk op de vierde dag van de arbeidsongeschiktheid, te weten op 15 maart 2001, had plaatsgevonden.

Gedaagde heeft tegen voormeld besluit bezwaar gemaakt. Naar aanleiding hiervan heeft appellant bij het bestreden besluit het besluit van 3 juli 2001 in die zin herroepen, dat de datum tot welke geen ziekengeld wordt uitbetaald, werd gesteld op 9 mei 2001.

De rechtbank heeft het bestreden besluit vernietigd en heeft daarbij overwogen dat artikel 38a, tweede en derde lid, van de Ziektewet zich richten tot de werkgever en dat, wanneer de werkgever de daarin neergelegde verplichtingen niet nakomt, dit niet tot gevolg kan hebben dat de werknemer heeft te aanvaarden dat zij geen recht heeft op ziekengeld.

Bij aanvullend beroepschrift heeft appellant terzake het navolgende aangevoerd:

" De werkneemster heeft ook gedurende haar ongeschiktheid wegens zwangerschap zowel recht op loondoorbetaling als recht op ziekengeld. De werkgever kan het loon dat hij moet betalen verminderen met het bedrag aan ziekengeld dat wordt betaald.

Op grond van artikel 38a, lid 2, ZW, in samenhang met artikel 29a, lid 3, ZW, zoals dat gold op de datum in geding dient de werkgever de ongeschiktheid in verband met zwangerschap van een van zijn werkneemster uiterlijk op de vierde dag aan (de rechtsvoorganger van) ondergetekende te melden. Meldt de werkgever de ongeschiktheid later en heeft de werkneemster recht op loondoorbetaling dan wordt op grond van artikel 38a, lid 3, ZW, geen ziekengeld betaald tot de dag van de melding door de werkgever. Voor de werkgever heeft de weigering ziekengeld tot gevolg dat hij het loon moet doorbetalen, maar dat hij gedurende de periode dat het ziekengeld wordt geweigerd niet het loon dat hij moet betalen kan verminderen met het bedrag aan ziekengeld dat wordt uitgekeerd. De werkneemster krijgt over de periode waarover ziekengeld wordt geweigerd het loon doorbetaald.

In het onderhavige geval is sprake van een situatie waarin de werkneemster tijdens ongeschiktheid wegens zwangerschap recht heeft op doorbetaling. Mevrouw heeft gedurende de periode waarover het ziekengeld treft derhalve alleen de werkgever financieel."

De Raad onderschrijft het vorenaangehaalde betoog van appellant en heeft nog het volgende overwogen.

Het eerste lid van artikel 38a van de ZW bepaalt dat de verzekerde die aanspraak maakt op ziekengeld in geval van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte verplicht is dit zo spoedig mogelijk, doch in elk geval niet later dan op de tweede dag van die ongeschiktheid, te melden aan zijn werkgever.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel meldt de werkgever, na ontvangst van de in het eerste lid bedoelde melding, aan (de rechtsvoorganger van) het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen zo spoedig mogelijk, doch in elk geval niet later dan op de vierde dag van de ongeschiktheid tot werken, de eerste werkdag waarop die verzekerde ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid.

Het derde lid bepaalt dat, indien de werkgever jegens wie de verzekerde recht heeft op loon als bedoeld in artikel 629 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, de melding, bedoeld in het tweede lid, later doet dan in dat lid is voorgeschreven, het ziekengeld niet wordt uitbetaald tot de datum van die melding.

De in artikel 38a, derde lid van de ZW neergelegde meldingsplicht is dwingendrechtelijk. De Raad heeft hierop in zijn uitspraak van 24 september 2002, 00/3418 ZW, gepubliceerd in RSV 2002/288, in zoverre een nuance aangebracht dat in geval pas na verloop van tijd duidelijk wordt dat een ziekmelding zijn oorzaak vindt in klachten samenhangend met zwangerschap van de betrokken werkneemster, een redelijke wetsuitleg met zich brengt dat de verplichting tot tijdige ziekmelding ontstaat op het moment dat de werkgever redelijkerwijs duidelijk kan zijn dat de betrokken werkneemster aanspraak op ziekengeld kan maken.

Niet in geding is dat op de werkgever van gedaagde een verplichting tot loonbetaling rustte als bedoeld in artikel 7:629, eerste lid van het BW. Ter zitting van de Raad heeft gedaagde bevestigd dat bij de opname in het ziekenhuis op 26 maart 2001 werd vastgesteld dat er sprake was van zwangerschap. Gelet op het vorenstaande was op dat moment sprake van een situatie waarin voor gedaagde als vertegenwoordiger van de werkgever de verplichting ontstond om de arbeidsongeschiktheid bij appellants rechtsvoorganger te melden. Nu dit niet tijdig is gebeurd, moet de Raad vaststellen dat de in artikel 38a, derde lid van de Ziektewet neergelegde verplichting is overtreden, zodat op grond van die bepaling terecht tot de datum van de ziekmelding geen ziekengeld is uitbetaald.

In hetgeen gedaagde ter verontschuldiging heeft aangevoerd ziet de Raad geen reden te oordelen dat de te late melding de werkgever niet kan worden verweten. Van een werkgever mag worden verwacht dat hij op de hoogte is van de wettelijke regelingen met betrekking tot het recht op ziekengeld.

Ook in de omstandigheid dat de meldingsplicht niet reeds op 12 maart 2001, bij de aanvang van de arbeidsongeschiktheid is ontstaan, maar eerst op 26 maart 2001, ziet de Raad geen reden voor een andersluidende conclusie.

Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven en dat het inleidend beroep alsnog ongegrond moet worden verklaard.

De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het inleidend beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst als voorzitter en mr. Ch.J.G. Olde Kalter en mr. M.C. Bruning als leden, in tegenwoordigheid van A. Bos als griffier en uitgesproken in het openbaar op 6 oktober 2004.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) A. Bos.

Gw