Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AR4193

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-10-2004
Datum publicatie
19-10-2004
Zaaknummer
02/4944 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Rechtbank heeft in strijd gehandeld met art. 8:57 Awb (behandeling van de zaak zonder zitting zonder voorafgaande verleende toestemming van partijen).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

02/4944 WAO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Mr. P.H.M. Hartmans, arbeidsdeskundige te Gulpen, heeft als gemachtigde van appellante op de daartoe bij aanvullend beroepschrift van, nader aangevuld bij brief van 19 augustus 2004 (met bijlagen), aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de tussen partijen gegeven uitspraak van de rechtbank Maastricht van 19 augustus 2002, kenmerk AWB 2001 / 767 WAO Z, voorzover daarbij haar beroep tegen gedaagdes besluit op bezwaar van 4 juli 2001 ongegrond is verklaard. Naar die uitspraak wordt hierbij verwezen.

Gedaagde heeft bij brief van 18 december 2002 (met bijlage), aangevuld bij brief van

24 augustus 2004 (met bijlage), een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 1 september 2004. Appellante is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Hartmans, voornoemd. Gedaagde is - met kennisgeving - niet verschenen.

II. MOTIVERING

Ambtshalve stelt de Raad eerst aan de orde de vraag of de wijze waarop de aangevallen uitspraak tot stand is gekomen zich verdraagt met artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), inhoudende dat de rechtbank, indien partijen daarvoor toestemming hebben gegeven, kan bepalen dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft en alsdan het onderzoek sluit.

Ter zitting van de rechtbank op 31 mei 2002, waar gedaagde bleek geen antwoord te kunnen geven op de vraag van de rechtbank of het Besluit Uurloonschatting 1999 van toepassing was, is de afspraak gemaakt dat gedaagde zijn visie schriftelijk zal geven alsook dat appellant daarna in de gelegenheid zal worden gesteld daarop te reageren en hebben beide partijen uitdrukkelijk te kennen gegeven dat de rechtbank de zaak vervolgens zonder vervolgzitting zal mogen afdoen. Naar vaste jurisprudentie van de Raad moet het op voorhand instemmen met het achterwege laten van een vervolgzitting, dat wil zeggen zonder dat zicht bestaat op de inhoud van de nog in het geding te brengen gegevens, in strijd worden geacht met het van openbare orde zijnde artikel 8:57 van de Awb (zie de uitspraak van de Raad van 20 maart 1998, USZ 1998/165). Het achterwege laten van een vervolgzitting is in die situatie eerst mogelijk, indien de partijen na kennisneming van de naderhand in het geding gebrachte stukken te kennen hebben gegeven dat de door hen eerder verleende instemming nog steeds van kracht is.

Een zodanige kennisgeving is in dit geval niet gedaan.

De hiervoor door de Raad aan de orde gestelde vraag kan in de gegeven situatie dan ook niet anders dan ontkennend worden beantwoord en dat betekent dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd.

Rijst vervolgens de vraag of de zaak moet worden terugverwezen naar de rechtbank Maastricht. Aangezien nader onderzoek niet nodig is, beantwoordt de Raad ook die vraag ontkennend. De Raad kan en zal thans de zaak ten gronde beoordelen.

Appellante is, na sedert 1974 niet meer in loondienst of als zelfstandige werkzaam te zijn geweest, per 22 september 1995 voltijds als inpakster via een uitzendbureau gaan werken. Per 25 maart 1996 is zij voor dat werk uitgevallen met spierklachten. Nadat door een verzekeringsarts klachten over pijn in met name de rechterelleboog en adipositas waren vastgesteld en zij per 1 november 1996 niet meer ongeschikt voor de laatstelijk door haar verrichte arbeid werd geacht, is aan haar bij besluit van 23 oktober 1996 per evengenoemde datum (verdere) uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) geweigerd.

In de fase van het beroep van appellante tegen dat besluit heeft de door de rechtbank als deskundige benoemde reumatoloog B.A. Masek appellante op 26 februari 1997 onderzocht, op 28 februari 1997 rapport uitgebracht met op 25 juni 1997 een aanvullend rapport in reactie op het commentaar vanwege gedaagde.

De rechtbank heeft dat beroep mede op basis van de bevindingen van Masek bij uitspraak van 19 november 1997 gegrond verklaard en het besluit van 23 oktober 1996 vernietigd.

In de fase van het hoger beroep van gedaagde tegen die uitspraak heeft de door de Raad als deskundige benoemde reumatoloog H. van der Tempel appellante op 3 maart 1999 onderzocht en op 26 mei 1999 rapport uitgebracht. Mede op basis van diens bevindingen heeft de Raad bij uitspraak van 23 februari 2000 die ZW-uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Vervolgens is bij gedaagde de door appellante op of omstreeks 20 april 2000 ingediende aanvraag om een WAO-uitkering per 24 maart 1997, in aansluiting op het einde van de wachttijd van 52 weken, in behandeling genomen. Appellante achtte en acht zich per die datum volledig ongeschikt voor alle werkzaamheden.

Die aanvraag is bij besluit van 1 augustus 2000 op basis van een door de verzekeringsarts J. Poels op 9 juni 2000 uitgebracht rapport met belastbaarheidspatroon en een door de arbeidsdeskundige P.M.G.M. Jansen op 26 juli 2000 uitgebracht rapport afgewezen wegens minder dan 15% arbeidsongeschiktheid. Het bezwaar van appellante tegen dat besluit is bij besluit op bezwaar van 4 juli 2001 ongegrond verklaard en het beroep van appellante tegen dat besluit op bezwaar (hierna: bestreden besluit) is bij uitspraak van de rechtbank van 19 augustus 2002 ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellante bezwaren van medische en arbeidskundige aard aangevoerd.

Wat die medische bezwaren betreft overweegt de Raad dat appellante ter onderbouwing daarvan geen medische stukken heeft overgelegd. Wel heeft appellante ter rechtbankzitting een de periode van 6 februari 1997 tot en met 13 december 2002 bestrijkend apothekersoverzicht overgelegd, maar niet ten onrechte heeft gedaagde in dat overzicht onvoldoende aanleiding gezien tot bijstelling van de op basis van de tot dan toe voorhanden medische gegevens getrokken conclusies. De door appellante in hoger beroep overgelegde brief van de medisch adviseur van haar gemachtigde, de arts

mr. A.L.M. Simons, van 19 augustus 2004 bevat geen nieuwe medische gegevens.

Deze arts, die appellante niet heeft gezien of gesproken, heeft in die brief weliswaar melding gemaakt van kennelijk in de loop der tijd toenemende enthesopathische klachten aan (de) ellebogen (betreffende de aanhechting van de pezen aan het bot) alsmede meer gegeneraliseerde gewrichts- en spierklachten, te duiden als fibromyalgie, en van nek- en rugklachten. Echter, die conclusie is niet toegespitst op de datum thans in geding, terwijl evenmin is ingegaan op de vraag of en alsdan in hoeverre daardoor de belastbaarheid van appellante is beperkt.

Afgaande op die medische gegevens, waaronder die van de eerdergenoemde deskundigen Masek en Van der Tempel, stelt de Raad vast dat de verzekeringsarts Poels zich bij zijn WAO-onderzoek in juni 2000 bewust was van het retrospectieve karakter daarvan en rekening heeft gehouden met de bevindingen van de deskundige Masek, welke, omdat diens onderzoek kort voor de datum thans in geding heeft plaatsgevonden, in het thans aanhangige WAO-kader goed bruikbaar zijn. Ook de later in de procedures betrokken bezwaarverzekeringsartsen hebben met dat retrospectieve karakter rekening gehouden. Niet kan worden staande gehouden dat de rapporten van de (bezwaar-)verzekeringsartsen niet met de vereiste zorgvuldigheid zijn voorbereid en opgesteld. Er waren voldoende gegevens beschikbaar over de medische situatie waarin appellante ten tijde in geding verkeerde, zodat niet valt in te zien dat de advisering en de besluitvorming jaren na dato op basis van die bevindingen niet aanvaardbaar is. Voor een nader medisch onderzoek door een door de Raad te benoemen medisch deskundige bestaat dan ook niet voldoende indicatie. Met de omstandigheid dat, zoals appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, haar medische klachten in de loop der tijd in ernst zijn toegenomen, kan in dit geding geen rekening worden gehouden.

Evenmin kan rekening worden gehouden met de door appellante in hoger beroep overgelegde stukken betreffende de in 1999 noodzakelijk geachte woningaanpassingen op grond van de gemeentelijke Verordening voorzieningen gehandicapten Brunssum 1997, aangezien in het kader van die verordening aan andere criteria dan in het kader van de WAO wordt getoetst, waarbij nog komt dat die stukken geen betrekking hebben op de datum in geding.

Appellante heeft nog een beroep gedaan op de in vaste rechtspraak door de Raad aanvaarde, door gedaagde op 2 april 1997 met terugwerkende kracht per 1 maart 1997 gehanteerde, van 19 september 1996 daterende, Richtlijn medisch arbeidsongeschiktheidscritrium (Maoc), waarmee is beoogd uitgangspunten voor de verzekeringsgeneeskundige beoordeling te formuleren en die het karakter heeft gekregen van een uitvoerige werkinstructie voor verzekeringsartsen waarin de verschillende facetten van de door een verzekeringsarts te verrichten beoordeling aan de orde komen (zie de uitspraken van de Raad van 16 augustus 2000, kenmerk 98/646 en 98/151 AAW/WAO, RSV 2000/228 en 229). Paragraaf 4.6 daarvan heeft betrekking op moeilijk objectiveerbare aandoeningen zoals fibromyalgie. Daarin wordt de jurisprudentie van de Raad aangehaald waarin is bepaald dat het feit dat er geen lichamelijke of psychische oorzaken van de klachten van de verzekerde kunnen worden aangetoond, niet betekent dat er geen stoornissen, beperkingen en handicaps kunnen bestaan. Om het bestaan van een uitzonderingsgeval als daar bedoeld te kunnen aannemen, moet zijn voldaan aan de (minimum-)eis dat bij de (onafhankelijke) medische deskundigen een vrijwel eenduidige, consistente en naar behoren gemotiveerde alsook verantwoorde opvatting bestaat dat de verzekerde als gevolg van ziekte of gebrek niet in staat is de desbetreffende arbeid te verrichten.

Aangezien uit de stukken duidelijk naar voren komt dat aan deze meervoudige (minimum-)eis ten tijde in geding niet werd voldaan, faalt het beroep van appellante op deze Maoc-richtlijn.

Wat de arbeidskundige bezwaren van appellante betreft overweegt de Raad dat de schatting aanvankelijk is gebaseerd op drie functies en twee reserve-functies, zoals aangegeven in het rapport van de arbeidsdeskundige Jansen van 26 juli 2000.

In de bezwaarfase is de functie van receptioniste (fb-code 3941) in verband met de daarvoor vereiste opleiding vervangen door de (reserve-)functie van monteur transformatoren (fb-code 8539). De andere twee aan de schatting ten grondslag gelegde functies zijn die van fotolaborant A (fb-code 9270) en verkoper drogisterij-artikelen

(fb-code 4912). Gedaagde is er naar het oordeel van de Raad in geslaagd aan te tonen dat die drie functies op de datum in geding actueel waren. De mediane loonwaarde op die datum is door de vervanging weliswaar enigszins hoger uitgevallen, maar indien die waarde wordt afgezet tegen het maatmaninkomen per diezelfde datum, dan beloopt de mate van arbeidsongeschiktheid nog immer minder dan het voor de WAO relevante minimum van 15%.

Appellante voldoet aan de aan de uitoefening van die drie functies gestelde opleidings- en ervaringseisen, zoals is uiteengezet in het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige A.F.M. van Belkom van 24 oktober 2001. De Raad kan zich daarin vinden.

De verwoording functiebelasting van de drie functies laten per functie een of meer asterisken zien ten teken van mogelijke overschrijding van de belastbaarheid.

Daarbij tekent de Raad aan dat de een of meer asterisken bij de items 28B, 28F, 28H en 28J buiten beschouwing dienen te blijven, omdat in het door de verzekeringsarts Poels op 9 juni 2000 opgestelde belastbaarheidspatroon alleen de items 28A en 28E van een asterisk (met toelichting) zijn voorzien. De bezwaarverzekeringsarts C.G. van der Kooy heeft in zijn rapport van 23 oktober 2001 en nader in zijn rapport van 13 december 2002 aangegeven dat en waarom naar zijn mening die functies ook op die aspecten als passend zijn te beschouwen. In het belastbaarheidspatroon van 9 juni 2000 heeft de verzekeringsarts Poels bij de aspecten 9, 12 en 14 de 9 ononderbroken omcirkeld ten teken dat er geen beperkingen zijn. Echter, hij heeft bij die aspecten tevens de 1 met een onderbroken lijntje omcirkeld, waaruit appellante heeft afgeleid dat zij wat die aspecten betreft evenzeer is beperkt. Aangezien in de recapitulatie voorselectie van 7 juli 2000 die aspecten zijn voorzien van een 1, is de arbeidsdeskundige Jansen wat die aspecten betreft uitgegaan van beperkingen. De Raad volgt appellante dan ook niet in haar bezwaren tegen de onderbroken omcirkeling van de 1 naast de ononderbroken omcirkeling van de 9. Ook overigens acht de Raad de door appellante te dien aanzien naar voren gebrachte bezwaren voldoende weerlegd en schaart hij zich achter de rechtbank in de aangevallen uitspraak.

Uit het vorenstaande volgt dat – wat de zaak ten gronde betreft – het hoger beroep niet kan slagen.

Tot slot overweegt de Raad dat aanleiding bestaat tot veroordeling van gedaagde in de proceskosten van appellante met toepassing van artikel 8:75 van de Awb, welke kosten worden begroot op € 644,--, en tot bepaling dat het door appellante in hoger beroep betaalde griffierecht van € 82,--, aan haar moet worden vergoed.

III. BESLISSING

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten;

Verklaart het beroep tegen het besluit van gedaagde van 4 juli 2001 ongegrond;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag van € 644,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut voor werknemersverzekeringen;

Bepaalt voorts dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het door haar in hoger beroep betaalde griffierecht van € 82,-- dient te vergoeden.

Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst als voorzitter en mr. G.J.H. Doornewaard en mr. M.C. Bruning als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.W.P. van der Hoeven als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2004.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) J.W.P. van der Hoeven.

Gw