Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AR4192

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-10-2004
Datum publicatie
19-10-2004
Zaaknummer
02/3648 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Heeft betrokkene geen duurzaam benutbare mogelijkheden?

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten 2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2005/4
USZ 2004/352 met annotatie van Red.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

02/3648 WAO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde,

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 15 september 1999 heeft appellant de uitkering van gedaagde ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 1 oktober 1999 ingetrokken, onder overweging dat de mate van arbeidsongeschiktheid van gedaagde met ingang van die datum minder dan 15% was.

Bij besluit van 24 januari 2000, hierna: het bestreden besluit, heeft appellant het bezwaar tegen het besluit 15 september 1999 ongegrond verklaard.

De rechtbank Amsterdam heeft bij uitspraak van 13 juni 2002 (reg.nr. WAO 00/369) het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en appellant opgedragen met inachtneming van hetgeen in die uitspraak is overwogen een nader besluit op bezwaar te nemen. Voorts heeft de rechtbank appellant veroordeeld in de door gedaagde redelijkerwijs gemaakte proceskosten en bepaald dat appellant het griffierecht aan gedaagde vergoedt.

Appellant heeft tegen die uitspraak op bij beroepschrift vermelde gronden hoger beroep ingesteld.

Namens gedaagde heeft mr. W. Las van Bennekom, advocaat te Amsterdam, een verweerschrift ingediend.

Desgevraagd heeft de psychiater R. Tonneijk, die door de rechtbank als deskundige was ingeschakeld, de Raad onder dagtekening 15 maart 2004 van nader verslag en advies gediend.

Appellant heeft vervolgens daarop gereageerd.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 21 juli 2004, waar voor appellant is verschenen mr. M.H.A.H. Smithuijzen, werkzaam bij het Uwv, en waar namens gedaagde als opvolgend gemachtigde is verschenen mr. M.H.J. van Geffen, advocaat te Amsterdam.

II. MOTIVERING

Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Gedaagde, die laatstelijk werkzaam was als hulpelektromonteur, overkwam in maart 1995 een auto-ongeluk. Gedaagde had als gevolg daarvan onder andere een leverruptuur, een longcontusie en ribfracturen, heeft gedurende enige tijd in coma gelegen en is meermalen geopereerd. Nadat hem gedurende de maximale uitkeringsduur ziekengeld was verstrekt, is gedaagde met ingang van 14 maart 1996 door appellant in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidwet (AAW) en de WAO, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

De verzekeringsarts G. Ensing, die gedaagde op 30 september 1997 op zijn spreekuur zag, oordeelde dat gedaagde ten gevolge van een ernstige depressie en hoofd- en duizeligheidsklachten volledig arbeidsongeschikt was. Situatie 1A van de Standaard “geen duurzaam benutbare mogelijkheden” was van toepassing: onvermogen tot persoonlijk en sociaal functioneren. Er zou nadere informatie worden ingewonnen bij de huisarts en specialisten om meer duidelijkheid te krijgen doch de prognose was op korte termijn slecht en op lange termijn zeer dubieus.

Diezelfde verzekeringsarts kwam in zijn rapport van 4 mei 1999, mede op basis van verkregen informatie van behandelende specialisten, tot het oordeel dat gedaagde weliswaar beperkingen had als gevolg van ziekte of gebrek, maar niet te zwaar werk in goed geventileerde ruimten kon verrichten overeenkomstig het door hem opgemaakte formulier functie informatie systeem vg/ad. Wat betreft de psyche van gedaagde rapporteerde hij als volgt:

" Bij onderzoek worden geen evidente tekenen van grove psychopathologie gevonden. Verzekerde is goed georiënteerd in tijd, plaats en persoon. Er zijn geen depressieve symptomen. De stemming is normaal. Het affect moduleert goed."

Op basis hiervan kwam de arbeidsdeskundige B. Evegaars na raadpleging van het Functie Informatie Systeem en overleg met de voornoemde verzekeringsarts in zijn rapport van

3 augustus 1999 tot de slotsom dat gedaagde met inachtneming van zijn medische beperkingen een aantal functies kon vervullen en dat vergelijking van de mediane loonwaarde van de drie functies met de hoogste lonen met het voor gedaagde geldende maatmaninkomen resulteerde in een verlies aan verdiencapaciteit van 11,8%, derhalve minder dan 15% voor de WAO.

In overeenstemming hiermee werd de uitkering van gedaagde ingevolge de WAO bij het besluit van 15 september 1999, gehandhaafd bij het bestreden besluit van 24 januari 2000, met ingang van 1 oktober 1999 ingetrokken.

Zowel in bezwaar als in beroep is van de zijde van gedaagde daartegen met name naar voren gebracht dat door appellant onvoldoende aandacht is besteed aan de eerder geconstateerde depressiviteit en hoofd- en duizeligheidsklachten van gedaagde en dat de verzekeringsarts in het geheel niet duidelijk heeft gemaakt waarom gedaagde in 1999 in vergelijking tot de medische situatie in 1997 wel benutbare mogelijkheden heeft.

Desgevraagd heeft de voornoemde psychiater Tonneijk met zijn rapport van 7 maart 2002 de rechtbank van verslag en advies gediend omtrent de gezondheidstoestand van gedaagde op de datum in geding en het volgende geconcludeerd:

" Ik constateer een depressie in engere zin met enige vitale kenmerken met daarnaast een aantal aspecifieke somatische klachten als pijn in de rug, hoofdpijn en moeheid, die deels kunnen passen bij zijn depressie en deels en uiting kunnen zijn van somatisatie.

Ten aanzien van uw vragen het volgende:

Ad 1a + b Betrokkene lijdt aan een depressie in engere zin met een aantal aspecifieke somatische klachten passend bij een somatisatie.

Ad 2a Ik kan mij vanuit medisch oogpunt niet verenigen met de door de verzekeringsgeneeskundige vastgestelde belastbaarheid van eiser per 1 oktober 1999, zoals omschreven in gedingstuk B 19, omdat ik betrokkene ongeschikt acht voor deze omschreven functies.

Ad 3a Eiser was per 1 oktober 1999 wegens ziekte ongeschikt om gedurende 38 uur per week de werkzaamheden te verrichten, die behoren bij de in gedingstuk B 28 genoemde functies, zoals nader omschreven in gedingstuk B 29. Gezien zijn psychiatrisch beeld acht ik betrokkene volledig arbeidsongeschikt. "

De bezwaarverzekeringsarts van gedaagde heeft in reactie daarop in zijn rapport van

17 april 2002 onder meer het volgende opgemerkt:

" Met verbazing heb ik kennisgenomen van het deskundigenrapport van

coll. R. Tonneyk, psychiater d.d. 7 maart 2002.

Zoals al eerder aangegeven is er naar mijn vaste overtuiging geen sprake van een situatie van niet benutbare mogelijkheden, bijvoorbeeld op basis van een onvermogen tot basaal persoonlijk functioneren.

In het deskundigenrapport wordt dit naar mijn mening bevestigd, aangezien wordt vermeld dat belanghebbende een normaal gevulde dag heeft van tv kijken, wat in het park wandelen en bij familie op bezoek gaan.

Ik kan derhalve niet goed begrijpen waarom de deskundige in weerwil van het schattingsbesluit (en het hieraan voorafgaande vaste beleid van het LISV) niet in staat is de beperkingen weer te geven in een belastbaarheidsprofiel.

De conclusie dat belanghebbende op grond van de diagnose depressie niet in staat zou zijn tot enige vorm van productieve arbeid wordt op geen enkele wijze onderbouwd.

Voorts ben ik - gezien de beschrijving onder psychiatrisch onderzoek - tevens niet overtuigd van de ernst van de depressie.

Er is hoogstens sprake van een milde depressieve stoornis bij dysthymie.

Deze diagnose wordt overigens bevestigd door de behandelaar van het RIAGG van destijds."

De rechtbank heeft aan het oordeel van de deskundige Tonneijk beslissende betekenis toegekend en in de aangevallen uitspraak daartoe als volgt overwogen:

" De rechtbank ziet, mede gelet op de overige gedingstukken, geen aanleiding om aan de juistheid van het oordeel van de deskundige te twijfelen. De deskundige heeft naar het oordeel van de rechtbank op overtuigende wijze zijn visie toegelicht. Gezien de specifieke deskundigheid van de psychiater Tonneijk op het terrein waarop eisers klachten liggen, hecht de rechtbank meer waarde aan diens beoordeling van de aard en ernst van eisers aandoening dan aan die van de (bezwaar)verzekeringsarts. De rechtbank acht dan ook geen reden aanwezig om de conclusie van de deskundige niet te volgen.

Voor zover verweerders bezwaarverzekeringsarts de deskundige verwijt dat hij het wettelijk interpretatiekader niet heeft gehanteerd, daarbij verwijzend naar het LISV-beleid zoals dit inmiddels in het Schattingsbesluit is neergelegd, overweegt de rechtbank als volgt.

Dit inmiddels in het Schattingsbesluit neergelegde besluit richt zich primair tot het uitvoeringsorgaan, respectievelijk de daarbij betrokken functionarissen. Onder de rubriek “arbeidsongeschiktheidsbeoordeling” is beschreven dat die beoordeling wordt gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek. Vervolgens is daarin voorgeschreven in welke gevallen van een arbeidskundig onderzoek kan worden afgezien, onder meer in de situatie dat uit verzekeringsgeneeskundig onderzoek blijkt dat de betrokkene geen benutbare mogelijkheden heeft. Wat moet worden begrepen onder het “niet aanwezig zijn van benutbare mogelijkheden” in geval van psychische klachten is omschreven als ”de situatie waarin betrokkene in zijn zelfverzorging, in zijn directe samenlevingsverband alsook in zijn sociale contacten, waaronder zijn werkrelaties, niet of dermate minimaal functioneert dat hij psychisch niet zelfredzaam is.”

Voor de uitvoeringspraktijk betekent één en ander dat wanneer de verzekeringsarts constateert dat betrokkene psychisch niet zelfredzaam is, een belastbaarheidspatroon niet wordt opgemaakt. Van het instellen van een arbeidsdeskundig onderzoek wordt om die reden vervolgens afgezien.

Dit neemt evenwel niet weg dat indien een belastbaarheidspatroon wel wordt opgemaakt, daarmee niet als vaststaand behoeft te worden aangenomen dat de daarin opgenomen beperkingen zonder meer met de voor betrokkene geldende belastbaarheid overeenkomen. Uitgangspunt bij de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid in de zin van de WAO is immers welke de voor een betrokkene geldende beperkingen van medische aard zijn. In een geschil daarover staat derhalve voor de rechtbank primair ter toetsing de vraag of de door de verzekeringsarts in aanmerking genomen beperkingen juist zijn vastgesteld.

Indien die vraag door de rechtbank, al dan niet in navolging van een deskundige, ontkennend wordt beantwoord is daarmee niet meer, maar ook niet minder, gezegd dan dat de door het uitvoeringsorgaan verrichte medische beoordeling op een ondeugdelijke grondslag berust. Met de vaststelling dat de medische grondslag ondeugdelijk blijkt te zijn is - slechts - de rechtsvraag beantwoord welke voor de rechtbank onderwerp van geschil is. Daarmee is uiteraard niet gezegd dat betrokkene psychisch niet zelfredzaam is c.q. geen benutbare mogelijkheden heeft, aangezien dit een beoordeling is die - naar hiervoor is overwogen in een eerdere fase - aan de verzekeringsarts is voorbehouden en uit dien hoofde niet aan de rechtbank ter toetsing voorligt.

Het vorenstaande neemt niet weg dat zich de situatie kan voordoen dat de door de rechtbank geraadpleegde deskundige tot het oordeel komt dat er voor betrokkene zodanige beperkingen gelden dat hij in feite niet voor arbeid belastbaar is, dan wel dat er geen (voldoende) functies voor hem te duiden zijn, terwijl tegelijkertijd niet kan worden gesteld dat betrokkene psychisch niet zelfredzaam is in de zin van het Schattingsbesluit. Ook in dat geval ziet de rechtbank niet in dat de wettelijke bepalingen er zich tegen zouden verzetten dat een dergelijk oordeel wordt gevolgd. Anders dan verweerders bezwaarverzekeringsarts kennelijk meent is onjuist de opvatting dat slechts indien sprake is van het ontbreken van benutbare mogelijkheden/een situatie van niet-zelfredzaamheid, tot het bestaan van volledige arbeidsongeschiktheid in de zin van de WAO kan worden geoordeeld; aan het begrip psychische zelfredzaamheid/benutbare mogelijkheden komt, gezien het vorenoverwogene, immers een uitvoeringstechnische-, en geen als zelfstandig arbeidsongeschiktheidscriterium te duiden betekenis toe."

Appellant heeft daartegen in hoger beroep aangevoerd dat zowel de vraagstelling van de rechtbank aan de deskundige als de beantwoording door deze van de hem gestelde vragen onvolledig is geweest omdat op geen enkele wijze een verwijzing plaatsvond naar het Schattingsbesluit Arbeidsongeschiktheidswetten, de Richtlijn ’Medisch arbeidsongeschiktheidscriterium’ en de Standaard ’geen duurzaam benutbare mogelijkheden’, welke richtlijnen naar het oordeel van appellant wel degelijk een meer dan louter uitvoeringstechnische betekenis hebben.

De Raad heeft aanleiding gezien de deskundige-psychiater Tonneijk opnieuw te benaderen en hem te confronteren met de kritiek van de bezwaarverzekeringsarts van appellant. Aan diens eerdergenoemde rapport van 15 maart 2004 ontleent de Raad het volgende:

" Ik heb nogmaals de stukken en de bijlagen, die u mij hebt toegestuurd betreffende de standaard “geen duurzaam benutbare mogelijkheden”, bestudeerd. Ik blijf bij mijn mening dat betrokkene geen duurzaam benutbare mogelijkheden heeft, daar betrokkene een onvermogen heeft tot persoonlijk of sociaal functioneren. Een en ander komt in mijn anamnese naar voren – zo schrijf ik dat hij zich niet meer actief voelt, tot niets meer komt en steeds weer tot piekeren vervalt, de concentratie slecht is, dat hij TV-programma’s nog maar net en gesprekken niet meer kan volgen en hij nog pogingen doet om met mensen in contact te komen, wat niet meer lukt.

Bij nalezing van mijn aantekeningen komt naar voren dat betrokkene eigenlijk geen enkel emotioneel contact met zijn vrouw of kinderen meer ervaart. In de rapportage meld ik nog dat hij geen vrienden heeft.

Eigen activiteiten of hobbies, behalve wandelen en wat marginaal TV kijken, heeft hij niet.

Deze toestand bestaat langer dan drie maanden.

In de rapportage van de verzekeringsarts G. Ensing (stuk 21.1) wordt onder het kopje “Psyche” gesteld dat er geen depressieve symptomen zijn, de stemming normaal is en het affect goed moduleert. Dit is in schril contrast met de bevindingen uit mijn onderzoek.

De bezwaargeneeskundige W. Ruitenberg (stuk 47.1) stelt dat er geen sprake is van een ernstig invaliderende psychiatrisch toestandbeeld. Deze uitspraak berust niet op onderzoek en er wordt niet onderbouwd waarom er niet benutbare mogelijkheden zijn. Er wordt gesteld dat er uit recent ontvangen informatie van de sociaal-psychiatrisch verpleegkundige en uit gegevens van de hoorzitting geen nieuwe medische feiten naar voren zijn gekomen waaruit zou blijken dat de beperkingen door de primair verzekeringsarts zijn onderschat. Mijn reactie daarop is dat door de primair verzekeringsarts nauwelijks aandacht is besteed aan de eventuele psychische factoren.

In het commentaar op mijn rapportage door de bezwaarverzekeringsarts Ruitenberg wordt gesteld dat belanghebbende nog een normaal gevulde dag heeft bestaande uit TV kijken, wandelen en familiebezoek. Deze zinsnede wordt mijns inziens uit zijn verband getrokken. Ik wilde hiermee aangeven hoe marginaal zijn dag gevuld is, terwijl de bezwaarverzekeringsgeneeskundige dit interpreteert als dat er in feite niets aan de hand is.

In zijn commentaar wordt tevens gesteld dat er sprake is van een

“milde depressieve stoornis bij dysthymie”. Deze diagnose werd overigens bevestigd, volgens de betrokken bezwaarverzekeringsdeskundige, door de behandelaar van het RIAGG. Deze constatering is mijns inziens suggestief. In de brief van sociaal-psychiatrisch verpleegkundige Van Bladeren (stuk 46) wordt gesteld dat er sprake is van een depressieve stoornis, gesuperponeerd op een dysthymie. Betrokkene had met andere woorden reeds langdurig een stoornis van depressieve aard met daarop gesuperponeerd een depressie. Het woord “mild” wordt niet gebruikt.

Ten aanzien van uw vragen het volgende:

1. De inhoudelijke argumentatie van het GAK acht ik onvoldoende onderbouwd met concrete gegevens.

2. Een en ander geeft mij geen aanleiding tot een andere beantwoording van de mij bij de opdracht deskundigenonderzoek (stuk A 24) gestelde vragen."

Appellant heeft in reactie daarop bij brief van 21 april 2004 laten weten onverkort zijn standpunt te handhaven dat de conclusies van Tonneijk niet stroken met de inhoud en de strekking van de Standaard.

De Raad oordeelt als volgt.

De Standaard ’geen duurzaam benutbare mogelijkheden’ bevat richtlijnen voor het handelen van de verzekeringsarts als uitvoerder van de socialeverzekeringswetgeving. Het toenmalige Tica heeft deze standaard bij Mededeling M 96.79 van 11 juni 1996 vastgelegd en deze standaard is later door het Lisv gehandhaafd als dwingend voorschrift aan de uitvoeringsinstellingen. Bij de invoering van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Stb. 2000, 307), welk besluit op 26 juli 2000 in werking is getreden, derhalve na de datum in geding 1 oktober 1999, is deze standaard in artikel 2 van voornoemd Schattingsbesluit opgenomen en aldus gecodificeerd.

Het doel van deze standaard was het vergroten van het inzicht in en van de uniformiteit van de oordeelsvorming van de verzekeringsartsen ten aanzien van cliënten bij wie de mogelijkheden zo gering zijn dat het selecteren van functies niet zinvol is.

De verzekeringsarts mag slechts in een viertal als strikte uitzondering omschreven situaties concluderen dat de verzekerde geen duurzaam benutbare mogelijkheden heeft en het opstellen van een belastbaarheidspatroon achterwege laten.

Overeenkomstig de bovenvermelde doelstelling heeft de Standaard dus het karakter gekregen van een uitvoerige (interne) werkinstructie voor verzekeringsartsen, die is aan te merken als een beleidsregel van gedaagde ten behoeve van een zorgvuldige vaststelling van de (medische) feiten door de (bezwaar)verzekeringsartsen van gedaagde. Naar de Raad eerder heeft geoordeeld ten aanzien van de Richtlijn medisch arbeidsongeschiktheidscriterium in zijn uitspraak van 16 augustus 2000, gepubliceerd in RSV 2000/229, dient het Uwv bij het nemen van de desbetreffende besluiten de Standaard in acht te nemen en staat de inhoud en wijze van toepassing van de Standaard in het kader van een beroep tegen zo’n besluit ter toetsing van de bestuursrechter. Dit betekent tevens dat de bestuursrechter bij zijn vaststelling van de feiten niet aan de Standaard gebonden is, evenmin als de deskundige die de rechter van advies dient. Derhalve kan ook niet worden gezegd dat de vraagstelling aan de deskundige zonder verwijzing naar de Standaard onvolledig is geweest.

De Raad is van oordeel dat uit het rapport van de deskundige Tonneijk van 7 maart 2002, in samenhang bezien met diens nadere rapport aan de Raad van 15 maart 2004, in voldoende mate naar voren komt dat gedaagde in psychiatrisch opzicht meer beperkt is dan de (bezwaar)verzekeringsarts heeft aangenomen en dat het bestreden besluit mitsdien op een onjuiste medische grondslag berust. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat deze onafhankelijke en onpartijdige psychiater bij uitstek de specifieke deskundigheid bezit om beperkingen op het psychische vlak te onderkennen en dat de deskundige zijn oordeelsvorming heeft gebaseerd op eigen onderzoek van appellant, de in het dossier aanwezige op appellant betrekking hebbende stukken, waaronder informatie van de behandelende sector, en de anamnese van appellant. Voorts laat de Raad meewegen, dat de deskundige zijn bevindingen en conclusies, ook na confrontatie met het andersluidend oordeel van de bezwaarverzekeringsarts, op inzichtelijke wijze en naar behoren heeft gemotiveerd.

Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet kan slagen en dat mitsdien de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht voorts termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht appellant te veroordelen in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand

Gelet op het vorenstaande alsmede op het bepaalde in artikel 22, derde lid, van de Beroepswet, stelt de Raad ten slotte vast dat van appellant een recht van € 409,- dient te worden geheven.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep tot een bedrag groot € 644,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een recht van € 409,- wordt geheven.

Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst als voorzitter en mr. G.J.H. Doornewaard en mr. M.S.E. Wulffraat-van Dijk als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.W.P. van der Hoeven als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2004.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) J.W.P. van der Hoeven.

Gw