Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AR4111

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-10-2004
Datum publicatie
18-10-2004
Zaaknummer
03/5972 WUBO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Aanvraag om uitkering als burger-oorlogsslachtoffer afgewezen op de grond dat bij betrokkene geen sprake is van blijvende invaliditeit als gevolg van ondergaan oorlogsgeweld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

03/5972 WUBO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Onder dagtekening 30 oktober 2003, kenmerk JZ/O70/2003, heeft verweerster ten aanzien van eiser een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Tegen dit besluit heeft eiser bij de Raad beroep ingesteld. In het beroepschrift is uiteengezet waarom eiser zich niet met het besluit kan verenigen.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 16 april 2004 heeft eiser zijn standpunt nog nader toegelicht.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 26 augustus 2004. Daar is eiser in persoon verschenen, bijgestaan door de heer J.F. Limahelu, wonende te Ridderkerk, terwijl verweerster zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. T.R.A. Dircke, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. MOTIVERING

Blijkens de gedingstukken heeft eiser, geboren in 1936 in het voormalige Nederlands-Indië, in juli 2002 bij verweerster een aanvraag ingediend om hem ingevolge de Wet te erkennen als burger-oorlogsslachtoffer en hem een toeslag als bedoeld in artikel 19 van de Wet, een periodieke uitkering en een voorziening voor deelname aan het maat-schappelijk verkeer toe te kennen. Die aanvraag heeft eiser gebaseerd op gezondheids-klachten die zijns inziens het gevolg zijn van zijn oorlogservaringen in het voormalige Nederlands-Indië.

Bij besluit van 24 februari 2003 heeft verweerster aanvaard dat eiser is getroffen door oorlogsgeweld (internering in een kamp te Gombong in de Bersiapperiode) als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet, doch heeft zij de aanvraag afgewezen op de grond dat bij eiser geen sprake is van blijvende invaliditeit als gevolg van dit oorlogsgeweld. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft verweerster haar standpunt bij het bestreden besluit gehandhaafd. Daartoe is onder meer overwogen dat bij eiser sprake is van psychische klachten, maar dat deze niet duidelijk in verband zijn te brengen met zijn internering in een kamp te Gombong. Deze klachten zijn met name terug te voeren op levensfaseproblematiek. Voorts leveren deze klachten geen beperkingen op in het dagelijks functioneren van eiser, aldus verweerster.

In beroep wordt door eiser naar voren gebracht dat ten onrechte wordt gesteld dat er geen sprake is van blijvende invaliditeit. Eiser bestrijdt dat zijn klachten niet zijn terug te voeren op zijn oorlogstrauma en is van mening dat verweerster het bewijs dient te leveren indien daarvoor een andere oorzaak is aan te wijzen.

De Raad dient in dit geding te beoordelen of het bestreden besluit, gelet op hetgeen door eiser in beroep is aangevoerd, in rechte kan stand houden. Dienaangaande overweegt de Raad als volgt.

Het geschil spitst zich toe op de vraag of bij eiser sprake is van tot blijvende invaliditeit leidend psychisch letsel in de zin van de Wet. De Raad zal zich in het navolgende dan ook hiertoe beperken.

Het in het bestreden besluit neergelegde standpunt van verweerster, als hiervoor weergegeven, is in overeenstemming met de adviezen van een tweetal geneeskundig adviseurs van de Pensioen- en Uitkeringsraad, de artsen A.M. Dekker-Koop en R. van Gorkum. Deze adviezen berusten in het bijzonder op een door de arts J.H. Husken op

6 januari 2003 uitgevoerd onderzoek van eiser. Door de artsen Dekker-Koop en Van Gorkum voornoemd is hierbij nog de (eerst in bezwaar ter beschikking gekomen) medische informatie van eisers huisarts L.L. Lankhorst-Hulshoff en van Centrum ’45 betrokken. Uit deze adviezen komt naar voren dat bij eiser sprake is van een (lichte) dysthyme stoornis en, voorts, dat de psychische klachten van eiser, voor zover hiervan al sprake is, redelijk voorbijgaand zijn en gerelateerd zijn aan levensfaseproblematiek in combinatie met ervaringen die zeker niet in de eerste plaats in de interneringstijd in Gombong zijn gelokaliseerd. Geconcludeerd wordt dat, nog afgezien van de causaliteit van de psychische klachten, bij eiser geen sprake is van dusdanige beperkingen in het dagelijks functioneren dat gesproken kan worden van een blijvende invaliditeit.

De Raad acht het bestreden besluit op grond van de onderliggende adviezen voldoende zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd. Dat eiser van mening is dat het onderzoek van Husken voornoemd te kort heeft geduurd om zijn psychische problematiek voldoende te kunnen doorgronden, geeft de Raad geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen. De Raad is - afgaande op de omvang, inhoud en mate van detaillering van het rapport van Husken alsook de daarin besproken onderwerpen - niet gebleken dat het aan voormeld rapport ten grondslag liggende onderzoek niet lang genoeg heeft geduurd om tot een verantwoorde diagnose te komen, dan wel dat dit onderzoek anderszins op onvoldoende zorgvuldige wijze is uitgevoerd.

Voorts is ook de Raad op grond van de beschikbare medische informatie van oordeel dat bij eiser geen sprake is van zodanige beperkingen in het dagelijks functioneren dat gesproken kan worden van tot blijvende invaliditeit leidend psychisch letsel in de zin van de Wet. De Raad heeft hierbij tevens in aanmerking genomen dat eiser in bezwaar noch in beroep nadere medische gegevens heeft overgelegd. Onder deze omstandigheden bestaat naar het oordeel van de Raad evenmin aanleiding voor het doen instellen van een nader psychiatrisch onderzoek, zoals namens eiser ter zitting is verzocht.

Gezien het vorenstaande bestaat voor vernietiging van het bestreden besluit geen grond en dient het ingestelde beroep ongegrond te worden verklaard.

De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

Beslist wordt derhalve als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en mr. J.G. Treffers en mr. C.P.J. Goorden als leden, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2004.

(get.) C.G. Kasdorp.

(get.) E. Heemsbergen.

HD

05.10