Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AR4104

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-10-2004
Datum publicatie
18-10-2004
Zaaknummer
03/5951 WUBO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eiser is feitelijk getroffen geweest door oorlogsgeweld in de zin van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wet.

Het bestreden besluit geeft dan ook blijk van een onjuiste toepassing van de Wet en moet wegens het niet voldaan zijn aan artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) worden vernietigd.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 7:12
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

03/5951 WUBO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Onder dagtekening 14 oktober 2003, kenmerk JZ/K60/2003, heeft verweerster ten aanzien van eiser een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet),

Tegen dat besluit heeft eiser bij de Raad beroep ingesteld. In het beroepschrift heeft eiser uiteengezet waarom hij zich met het bestreden besluit niet kan verenigen.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 26 augustus 2004. Daar is eiser in persoon verschenen, bijgestaan door R.A.M. Verhagen, maatschappelijk werker te Krommenie, als zijn gemachtigde en heeft verweerster zich doen vertegenwoordigen door mr. T.J.A. Dircke, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. MOTIVERING

In september 2002 heeft eiser, geboren op 27 december 1936, bij verweerster een aanvraag ingediend om te worden erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet. Eiser heeft deze aanvraag gebaseerd op gezondheidsklachten die naar zijn mening het gevolg zijn van zijn oorlogservaringen, te weten dat hij op 12 maart 1945 lijfelijk aanwezig is geweest bij de executie van burgers op de Weteringschans te Amsterdam.

Bij besluit van 27 februari 2003, zoals na daartegen gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit, heeft verweerster die aanvraag afgewezen. Daartoe is overwogen dat niet is voldaan aan de voorwaarden voor erkenning als burger-oorlogsslachtoffer zoals vermeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet, aangezien niet is gebleken dat eiser is getroffen door onder de Wet vallend oorlogsgeweld.

In beroep heeft eiser aangevoerd dat hij getroffen is door het gemelde oorlogsgeweld en dat dit oorlogsgeweld onder de Wet moet worden gebracht.

De Raad dient de vraag te beantwoorden of het bestreden besluit, gelet op hetgeen eiser in beroep heeft aangevoerd, in rechte kan standhouden. Deze vraag beantwoordt de Raad ontkennend. Hiertoe heeft hij als volgt overwogen.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wet wordt - voor zover van belang - onder burger-oorlogsslachtoffer verstaan, degene die tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 als burger op jeugdige leeftijd psychisch letsel heeft opgelopen door de confrontatie met doodslag, executie of zware mishandeling van derden door de vijandelijke bezettende macht. Gelet op de duidelijke tekst alsook de parlementaire geschiedenis van de totstandkoming ervan dient deze bepaling strikt te worden gelezen. Hieruit volgt naar vaste jurisprudentie van de Raad dat deze bepaling slechts van toepassing kan zijn indien sprake is van een directe confrontatie met (in dit geval) executie van derden, in die zin dat men hiervan ooggetuige is geweest, althans dat men ter plekke en ten tijde van de executie in persoon aanwezig was.

Op grond van de gedingstukken neemt de Raad de volgende feiten als voldoende vaststaand aan.

In de ochtend van 12 maart 1945 was eiser tezamen met andere kinderen van het weeshuis aan de Stadhouderskade, waar hij was ondergebracht, op weg naar zijn school aan de Frans Halsstraat. Bij het oversteken van de Ferdinand Bolstraat, bij de brug over de Stadhouderskade, werden zij door gewapende Duitse militairen tegengehouden. Eiser kwam bij dan wel op de brug te staan tussen de al aanwezige mensen. Op een gegeven moment hoorde eiser in de richting van de Weteringschans schieten. Even later heeft hij de lichamen van omgebrachte burgers zien liggen.

De Raad overweegt eerst dat historisch vaststaat dat in de ochtend van 12 maart 1945 op de Weteringschans 30 mannen door de vijandelijke bezetter zijn geëxecuteerd. De vraag die voor de toepassing van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wet moet worden beantwoord is echter, of van eiser gezegd kan worden ooggetuige van deze executie te zijn geweest, althans ter plekke en ten tijde van de executie in persoon aanwezig te zijn geweest.

Anders dan verweerster beantwoordt de Raad deze vraag bevestigend. Uit de feiten die de Raad heeft vastgesteld, leidt hij af dat eiser, die als gevolg van toevallige omstandigheden niet in letterlijke zin ooggetuige van de executie is geweest, wel ter plekke en ten tijde van deze executie aanwezig was. De zienswijze van verweerster, dat eiser werd tegengehouden teneinde uit het schootsveld te blijven, kan de Raad nog gezien de beschikbare historische documentatie niet plaatsen. Aan de kant van verweerster is niet gesteld, en de Raad is niet gebleken, dat eiser zo ver verwijderd was van de plaats van de executie, dat van een ter plekke aanwezig zijn niet kan worden gesproken.

Dit leidt de Raad tot het oordeel dat de eiser feitelijk getroffen is geweest door oorlogsgeweld in de zin van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wet. Het bestreden besluit geeft dan ook blijk van een onjuiste toepassing van de Wet en moet wegens het niet voldaan zijn aan artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) worden vernietigd. Het beroep van eiser is dan ook gegrond.

De Raad acht termen aanwezig om verweerster op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van eiser, groot € 15,52 als reiskosten. Van andere voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de Raad niet gebleken.

Beslist wordt als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het bestreden besluit;

Bepaalt dat verweerster een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

Gelast de Pensioen- en Uitkeringsraad aan eiser het betaalde griffierecht van € 27,00 te vergoeden;

Veroordeelt verweerster in de proceskosten van eiser, groot € 15,52, te betalen door de Pensioen- en Uitkeringsraad.

Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en mr. J.G. Treffers en mr. C.P.J. Goorden als leden, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier, en uitsproken in het openbaar op 7 oktober 2004.

(get.) C.G. Kasdorp.

(get.) E. Heemsbergen.

HD

05.10