Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AR4081

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-10-2004
Datum publicatie
18-10-2004
Zaaknummer
03/4956 WUBO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag erkenning als burger-oorlogsslachtoffer aangezien in onvoldoende mate is aangetoond of aannemelijk gemaakt dat eiser is getroffen door onder de Wet vallend oorlogsgeweld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

03/4956 WUBO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Onder dagtekening 8 september 2003, kenmerk JZ/A60/2003/, heeft verweerster ten aanzien van eiser een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Tegen dit besluit heeft eiser bij de Raad beroep ingesteld. In het beroepschrift (met bijlagen) is uiteengezet waarom eiser zich niet met het besluit kan verenigen.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Desgevraagd heeft verweerster bij brief van 22 maart 2004 een nader stuk toegezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 26 augustus 2004. Daar is eiser (met bericht) niet verschenen, terwijl verweerster zich heeft doen vertegen-woordigen door mr. T.R.A. Dircke, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. MOTIVERING

Eiser, geboren in 1938 in het voormalige Nederlands-Indië, heeft in augustus 2002 bij verweerster een aanvraag ingediend om te worden erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet en in aanmerking te worden gebracht voor, onder meer, een periodieke uitkering. In dit verband heeft eiser aangevoerd dat hij ten gevolge van zijn oorlogs-ervaringen in het voormalige Nederlands-Indië gezondheidsklachten heeft gekregen.

Bij besluit van 12 februari 2003, zoals na daartegen gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft verweerster op deze aanvraag afwijzend beslist. Daartoe is overwogen dat niet is voldaan aan de voorwaarden voor erkenning als burger-oorlogsslachtoffer, zoals vermeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet, aangezien in onvoldoende mate is aangetoond of aannemelijk gemaakt dat eiser is getroffen door onder de Wet vallend oorlogsgeweld.

De Raad dient in dit geding te beoordelen of het bestreden besluit, gelet op hetgeen door eiser in beroep is aangevoerd, in rechte kan stand houden. Dienaangaande overweegt de Raad als volgt.

In artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, b, d en f, van de Wet wordt - voorzover hier van belang en kort samengevat - onder burger-oorlogsslachtoffer verstaan:

degene die tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 of gedurende de daaraan direct aansluitende periode van ongeregeldheden in het voormalige Nederlands-Indië (de zogenoemde Bersiapperiode) lichamelijk of psychisch letsel heeft opgelopen

- tengevolge van met de krijgsverrichtingen of ongeregeldheden direct verbonden handelingen of omstandigheden;

- tengevolge van direct tegen hem gerichte handelingen of maatregelen door de Japanse bezetter of daarmee vergelijkbare omstandigheden tijdens de Bersiapperiode;

- tengevolge van confrontatie met extreem geweld tegen derden door de Japanse bezetter of daarmee vergelijkbare omstandigheden tijdens de Bersiapperiode.

Als ervaringen tijdens de Japanse bezetting heeft eiser naar voren gebracht de huisuitzetting door Japanners, de vrijheidsberoving in het Kramatkamp (of Tjidengkamp), het getuige zijn van de mishandeling van zijn moeder in dit kamp en de bedreigingen en mishandelingen door Japanse soldaten tijdens het venten. Als ervaringen tijdens de Bersiapperiode heeft eiser naar voren gebracht het meemaken van huis-zoekingen door extremisten, het meemaken van beschietingen in de omgeving van Hotel Centraal te Batavia en het getuige zijn van mishandelingen van Nederlanders door extremisten.

De Raad stelt, overeenkomstig zijn vaste jurisprudentie in dezen, voorop dat algemene oorlogsomstandigheden - waaraan in meerdere of mindere mate eenieder heeft bloot-gestaan - niet zijn aan te merken als handelingen of maatregelen in de zin van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a en b, of f, van de Wet. Hieruit volgt dat de door eiser gestelde ontwrichting van het (gezins)leven, de armoede en de dreiging die het gezin waartoe eiser behoorde heeft ervaren tengevolge van de Japanse bezetting en de onlusten gedurende de Bersiapperiode niet tot erkenning als burger-oorlogsslachtoffer kunnen leiden.

Bij het door verweerster ingestelde, zorgvuldig te noemen onderzoek, waarbij archieven, algemene historische documenten en relatiedossiers zijn geraadpleegd en door eiser opgegeven getuigen zoveel mogelijk zijn benaderd, is voorts onvoldoende bevestiging gevonden van de door eiser gestelde gebeurtenissen. Dit geldt in het bijzonder ten aanzien van het getuige zijn van de mishandeling van zijn moeder in het Kramatkamp (of het Tjidengkamp) tijdens de Japanse bezetting, alsmede het meemaken van beschietingen in de omgeving van Hotel Centraal te Batavia en het getuige zijn van mishandelingen van Nederlanders door extremisten tijdens de Bersiapperiode. De Raad heeft hierbij met name in aanmerking genomen dat onvoldoende is kunnen blijken dat eiser bij deze gebeur-tenissen direct betrokken is geweest.

Wel is uit getuigenverklaringen van gezinsleden van eiser naar voren gekomen dat het gezin van eiser tijdens de Japanse bezetting in het Kramatkamp (of het Tjidengkamp) heeft verbleven. Aangezien een mogelijk verblijf van het gezin van eiser in één van deze kampen op grond van de voorhanden historische en andere gegevens echter moet worden geplaatst in een tijdvak waarin ten aanzien van geen van beide kampen sprake was van een interneringskamp, maar van een zogeheten open kamp, heeft verweerster dit verblijf naar het oordeel van de Raad terecht (alsnog) niet onder de werking van de Wet gebracht.

Ten aanzien van de overige door eiser gestelde gebeurtenissen geldt naar het oordeel van de Raad eveneens dat deze gebeurtenissen door verweerster terecht niet onder de werking van de Wet zijn gebracht. De Raad onderschrijft hierbij het standpunt van verweerster dat ten aanzien van de gestelde huisuitzetting door Japanners niet is gebleken van bedreigende omstandigheden in de vorm van excessief geweld en evenmin is gebleken van het nadien terechtkomen van het gezin in verpauperde omstandigheden. Voorts volgt de Raad verweerster in haar oordeel dat wat betreft de gestelde bedreigingen en mishandelingen door Japanse soldaten tijdens het venten niet is gebleken dat deze hebben plaatsgehad in het kader van taken die de personen van de bezettende macht in verband met de oorlogsvoering/bezetting uitoefenden. Met betrekking tot de gestelde huis-zoekingen door extremisten tijdens de Bersiapperiode is ook de Raad tot slot niet kunnen blijken dat deze tegen eiser persoonlijk waren gericht of dat deze met excessief geweld gepaard zijn gegaan.

Uit een en ander volgt dat de door eiser genoemde omstandigheden niet tot erkenning als burger-oorlogsslachtoffer kunnen leiden. Dit betekent ook dat verweerster aan een beoordeling van de door eiser naar voren gebrachte gezondheidsklachten niet meer kon toekomen. Daarmee is zeker niet miskend dat eiser tijdens de oorlogsjaren en de Bersiapperiode bijzonder angstige omstandigheden heeft ervaren. De erkenning als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet is echter gebonden aan de in die wet omschreven specifieke gebeurtenissen.

Voor vernietiging van het bestreden besluit bestaat dan ook geen grond, zodat dit besluit in rechte kan standhouden.

De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

Beslist wordt derhalve als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en mr. J.G. Treffers en

mr. C.P.J. Goorden als leden, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2004.

(get.) C.G. Kasdorp.

(get.) E. Heemsbergen.

HD

05.10