Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AR3989

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-10-2004
Datum publicatie
18-10-2004
Zaaknummer
01/1768 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoogte vastgestelde gedifferentieerde premiepercentage kleine werkgever. Hoogte premie bij arbeidsongeschiktheid als gevolg van zwangerschap.

Wetsverwijzingen
Besluit premiedifferentiatie WAO 6
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 87e
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2004/343
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

01/1768 WAO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[Naam Stichting], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Met ingang van 1 januari 2004 treedt de [Naam Stichting] te [vestigingsplaats] op als rechtsopvolgster van de [rechtsopvolger] te [vestigingsplaats]. In het navolgende wordt onder appellante tevens begrepen de [rechtsopvolger].

Namens appellante heeft mr. C.M.E.F. Theuns, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand te Amsterdam, op bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 13 februari 2001, nr. 00/736 WAO 58, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft van verweer gediend.

Bij brief van 11 februari 2002 heeft mr. R.P.P. Caubo, advocaat te Almere, zich als opvolgend gemachtigde van appellante gesteld.

Bij brief van 8 september 2003 heeft gedaagde een vraag van de Raad beantwoord. Hierop is namens appellante bij brief van 8 oktober 2003 gereageerd, op welke brief bij brief van 12 november 2003 is gereageerd door gedaagde.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 9 juli 2004, waar voor appellante zijn verschenen mr. Caubo voornoemd, alsmede T.G. Winter, als hoofd personeel werkzaam bij appellante, en waar gedaagde niet is verschenen.

II. MOTIVERING

Bij besluit van 14 december 1999 heeft gedaagde aan appellante -als niet-eigenrisicodrager- een beslissing doen toekomen inzake het premiepercentage voor de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) voor het jaar 2000. Het voor appellante -als ‘kleine werkgever’- vastgestelde gedifferentieerde premiepercentage bedraagt blijkens dit besluit 2,48%.

In bezwaar is namens appellante als grief tegen dit besluit naar voren gebracht dat gedaagde ten aanzien van een aantal bij de premievaststelling betrokken WAO-gerechtigden de mogelijkheid heeft om de uitkering te verhalen op de aansprakelijke partij. Gedaagde leidt in dat geval geen schade, zodat er geen reden is de betreffende bedragen in aanmerking te nemen bij de premievaststelling. Daarnaast dienen arbeidsongeschiktheidsuitkeringen met als oorzaak verkeersongevallen, niet in aanmerking te worden genomen bij de vaststelling van de premie. Ten slotte wordt in een aantal individuele gevallen bestreden dat deze mogen worden betrokken bij de berekening van de gedifferentieerde premie van appellante over het jaar 2000.

Bij besluit van 30 maart 2000 is het bezwaar gegrond verklaard overwegende dat bij de berekening van de premie ten onrechte is betrokken de WAO-uitkering van [werknemer 1]. Medegedeeld wordt dat opnieuw zal worden beslist.

Bij uitspraak van 5 juli 2000 heeft de rechtbank het beroep tegen dit besluit kennelijk gegrond verklaard en gedaagde opgedragen een nieuw besluit te nemen.

Bij besluit van 13 juli 2000 -hierna: het bestreden besluit- heeft gedaagde -onder gegrondverklaring van het bezwaar- de gedifferentieerde premie vastgesteld op 2,40%.

In beroep heeft appellante de reeds in bezwaar naar voren gebrachte grieven herhaald.

De rechtbank heeft bij de in rubriek I genoemde uitspraak het beroep ongegrond verklaard.

In hoger beroep is namens appellante aan de in bezwaar en beroep naar voren gebrachte grieven toegevoegd dat naar haar oordeel WAO-uitkeringen welke worden verstrekt naar aanleiding van een ziekte of gebrek tengevolge van zwangerschap niet volledig ten laste mogen komen van de werkgever.

In verweer is namens gedaagde naar voren gebracht dat de oorzaak van de arbeidsongeschiktheid, in het kader van de toepassing van de onderhavige regelgeving, niet relevant is. Dat geldt ook voor het geval dat de arbeidsongeschiktheid haar oorzaak vindt in zwangerschap.

Bij brief gedateerd 14 augustus 2003 heeft de Raad aan gedaagde verzocht te reageren op de uitspraak van de Raad van

6 juni 2003, gepubliceerd in USZ 2003/235, waarin is geoordeeld dat de periode waarin een verzekerde aanspraak had op ziekengeld in verband met bevalling als bedoeld in artikel 29a, eerste en vijfde lid, van de Ziektewet, voor de wachttijd van de WAO niet mag worden meegeteld.

Bij brief van 8 september 2003 heeft gedaagde dienaangaande naar voren gebracht de gevolgen van deze uitspraak voor de onderhavige zaak niet te kunnen beoordelen, aangezien door appellante ter zake geen gegevens in het geding zijn gebracht.

In reactie hierop is namens appellante naar voren gebracht dat genoemde uitspraak in elk geval voor één van haar (ex)werkneemsters leidt tot een opschuiving van de aanvang van de aanspraken op WAO (van april 1998 naar augustus 1998). Hiervan uitgaande is bij de vaststelling van de premie over het jaar 2000 met een te hoog bedrag aan WAO-uitkeringen in het jaar 1998 rekening gehouden. Los hiervan wordt aangevoerd dat een aantal individuele gevallen ten onrechte bij de premievaststelling van appellante zijn betrokken.

Namens gedaagde is hierop medegedeeld dat het opschuiven van de eerste arbeidsongeschiktheidsdag in het onderhavige geval -door toepassing van het kasstelsel- geen gevolgen sorteert voor de vaststelling van de premie over het jaar 2000.

Ter zitting is namens appellante nog als grief naar voren gebracht dat bij de berekening van de premie ten onrechte is betrokken de WAO-uitkering mevrouw [werknemer 2], die bij haar indiensttreding arbeidsgehandicapt in de zin van de WAGW was. Volgens appellante dient toekenning van een WAO-uitkering in dit geval -conform het regime van de Wet REA- geen gevolgen te hebben voor de vaststelling van de gedifferentieerde premie.

De Raad oordeelt als volgt.

De Raad stelt voorop dat appellantes eerst ter zitting in hoger beroep naar voren gebrachte grief dat bij de berekening van de gedifferentieerde premie ten onrechte is rekening gehouden met de aan mevrouw [werknemer 2] in 1998 uitbetaalde arbeidsongeschiktheidsuitkering, als in strijd met de goede procesorde, buiten beschouwing dient te blijven.

Ten aanzien van appellantes grief dat bij de berekening van de gedifferentieerde premie rekening dient te worden gehouden met het verhaalsrecht van gedaagde op de veroorzaker van de arbeidsongeschiktheid van de betreffende verzekerde, is van belang dat het onderhavige besluit is gebaseerd op arbeidsongeschiktheidsuitkeringen betaald in 1998 en toegekend in de jaren 1994 tot en met 1998. Zoals de Raad reeds heeft overwogen in zijn uitspraak van 22 januari 2004, USZ 2004, 98, bood -ten tijde van belang- het samenstel van wettelijke bepalingen, waaronder begrepen het Besluit premiedifferentiatie WAO, geen ruimte om de gedifferentieerde premie te verlagen wegens mogelijk verhaal van gedaagde op de voor het intreden van de arbeidsongeschiktheid aansprakelijke derde. De Raad voegt daaraan toe dat aan de nadien plaatsgevonden hebbende wijziging van artikel 6 van het Besluit premiedifferentiatie WAO -waarbij verhaal door de werkgever op de veroorzaker van de arbeidsongeschiktheid wel relevant kan zijn voor de vaststelling van de hoogte van de gedifferentieerde premie- door de (besluit)wetgever -bewust- geen verdergaande terugwerkende kracht dan tot en met 1 januari 2002 is toegekend. Naar het oordeel van de Raad kan niet worden gezegd dat de (besluit)wetgever niet in redelijkheid tot deze afweging heeft kunnen komen. De Raad concludeert dat de hier besproken, namens appellante naar voren gebrachte grief, niet kan slagen.

Ten aanzien van zwangerschap en bevalling als oorzaak van arbeidsongeschiktheid merkt de Raad op dat uit artikel 87e van de WAO volgt dat het bezwaar of beroep tegen een premiebesluit als hier aan de orde niet kan zijn gegrond op de grief dat de arbeidsongeschiktheidsuitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is vastgesteld. Uit het wettelijk stelsel vloeit voort dat appellante, wil zij voorkomen dat toekenning van een WAO-uitkering aan één van haar (ex-)werknemers van invloed is op de hoogte van de door haar te betalen premie, het toekenningsbesluit dient aan te vechten.

Ten aanzien van de in het onderhavige geval aan de orde zijnde toekenning van een WAO-uitkering, bij welke toekenning bij de berekening van de wachttijd van 52 weken mede in aanmerking is genomen het door die werkneemster genoten zwangerschaps- en bevallingsverlof, moet de Raad vaststellen dat die uitkering in 1998 is toegekend en dat daartegen door of namens appellante geen rechtsmiddelen zijn aangewend. Daaruit volgt dat de gestelde onrechtmatigheid van dit toekenningsbesluit bij de toetsing van de juistheid van het in deze procedure bestreden premiebesluit geen enkele rol kan spelen.

Appellante kan zich desgewenst tot gedaagde wenden met een verzoek om terug te komen van de -in het toekenningsbesluit neergelegde- ingangsdatum van de desbetreffende WAO-uitkering. Daarbij wijst de Raad er nog op dat in artikel 6, eerste lid, van het Besluit premiedifferentiatie WAO, is bepaald dat een herziening of intrekking van het WAO-besluit, voor wat betreft de berekening van het individuele werkgeverspercentage, (eerst) in aanmerking wordt genomen in het kalenderjaar waarin die herziening of intrekking plaats vindt.

De Raad concludeert dat appellants grieven niet slagen, zodat de uitspraak van de rechtbank voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen als voorzitter en mr. T.L. de Vries en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van C. Molle als griffier en uitgesproken in het openbaar op 1 oktober 2004.

(get.) H. van Leeuwen.

(get.) C. Molle.