Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AR3895

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-10-2004
Datum publicatie
14-10-2004
Zaaknummer
03/3808 + 03/3810 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling gedifferentieerde premie op grond van de WAO voor het premiejaar 2002. Is bij die vaststelling terecht mede in aanmerking genomen de in 2000 aan betrokken werknemers betaalde WAO-uitkeringen?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R

03/3808 en 03/3810 WAO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[Naam B.V.], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekringen (Uwv), gedaagde.

?. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellante is op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de tussen partijen door de rechtbank ’s-Hertogenbosch op 19 juni 2003 onder kenmerk 02/748 en 02/3148 gewezen uitspraak.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 21 september 2004, waar namens appellante is verschenen mr. M.A. Hoes, werkzaam bij de Metaalunie te Nieuwegein, en gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door

mr. K.D. van Someren en E. van Dompselaar, werkzaam bij het Uwv.

??. MOTIVERING

Bij besluit van 11 januari 2002 heeft gedaagde de voor appellante geldende gedifferentieerde premie op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) voor het premiejaar 2001 vastgesteld. Bij die vaststelling is mede in aanmerking genomen de in 1999 aan [werknemer 1] en [werknemer 2] betaalde WAO-uitkeringen.

Het hiertegen gerichte bezwaar van appellante is bij het bestreden besluit van 22 augustus 2002 ongegrond verklaard.

Bij besluit van 26 november 2001 heeft gedaagde de voor appellante geldende gedifferentieerde premie op grond van de WAO voor het premiejaar 2002 vastgesteld. Bij die vaststelling is mede in aanmerking genomen de in 2000 aan [werknemer 3] en [werknemer 4] betaalde WAO-uitkeringen. Het hiertegen gerichte bezwaar van appellante is bij het bestreden besluit van 19 februari 2002 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen de bestreden besluiten ingestelde beroep ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen, kort gezegd, dat gedaagde appellante terecht artikel 87e WAO heeft tegengeworpen.

In hoger beroep heeft appellante zich hiertegen gekeerd en heeft daartoe aangevoerd dat de rechtbank met toepassing van artikel 8:32, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de medische stukken aan de gemachtigde van appellante had moeten toezenden.

De Raad stelt met appellante vast dat [naam werknemer 1] en [naam werknemer 2] reeds v??r 1998 hun werkzaamheden wegens ziekte hebben gestaakt en dat deze gevallen voor appellante tot premieverhoging hebben geleid voor het jaar 2001. Desondanks heeft appellante ter zitting uitdrukkelijk te kennen gegeven om haar moverende redenen de juistheid van de toekenningsbesluiten van de WAO-uitkeringen aan [naam werknemer 1] en [naam werknemer 2] niet langer aan de orde te willen stellen. De Raad verstaat appellante aldus dat zij hiermee haar eerdere medische grieven intrekt.

Alle overige, in hoger beroep aangevoerde gronden zijn door de Raad in zijn nadien ontwikkelde, partijen bekende rechtspraak, reeds verworpen, en zij slagen evenmin in het onderhavige geval. De Raad volstaat, in overeenstemming met partijen, voor de motivering naar de verwijzing naar die eerdere rechtspraak.

Met betrekking tot de door appellante eerst ter zitting van de Raad geuite twijfel of bij de vaststelling van de gedifferentieerde premie 2002 de aan [naam werknemer 3] en [naam werknemer 4] betaalde WAO-uitkeringen zijn betrokken, overweegt de Raad het volgende. Uit de zich onder de gedingstukken bevindende overzichten blijkt dat de premie van 2002 is vastgesteld (mede) op basis van twee in 2000 betaalde uitkeringen. De Raad heeft onvoldoende aanleiding tot twijfel dat de op deze overzichten genoemde sofinummers zien op [naam werknemer 3] en [naam werknemer 4].

De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

De Raad ziet geen aanleiding voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

???. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. R.C. Stam, in tegenwoordigheid van mr. A. Kovács als griffier, en uitsproken in het openbaar op

7 oktober 2004.

(get.) R.C. Stam.

(get.) A. Kovács.