Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AR3845

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-10-2004
Datum publicatie
14-10-2004
Zaaknummer
02/6362 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Is terecht besloten om aan betrokkene geen uitkering ingevolge artikel 29a van de Ziektewet meer toe te kennen?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

02/6362 ZW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.

Bij brief van 29 maart 2000 is gedaagde vanwege appellant in kennis gesteld van een besluit waarbij aan haar met ingang van 9 maart 2000 geen ziekengeld meer is toegekend.

Bij besluit van 19 oktober 2000 (hierna: het bestreden besluit) is het bezwaar van gedaagde tegen voormeld besluit ongegrond verklaard.

De rechtbank Arnhem heeft bij uitspraak van 24 oktober 2002 (reg.nr.: 00/2198 ZW) het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dit besluit vernietigd.

Namens appellant is op bij beroepschrift aangevoerde gronden tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld.

Namens gedaagde heeft mr. H.W. Bemelmans, advocaat te Nijmegen, een verweerschrift ingediend, waarop appellant desgevraagd heeft gereageerd door inzending van een commentaar van een bezwaarverzekeringsarts.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 1 september 2004, waar appellant zich niet heeft doen vertegenwoordigen en waar gedaagde in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Bemelmans voornoemd.

II. MOTIVERING

Gedaagde heeft zich op 25 juni 1999 wegens zwangerschapsklachten ziekgemeld.

Zij was toen werkzaam als activiteitenbegeleidster bij de Stichting Zorg voor Ouderen Maasland te Oss. Na de bevalling op 29 december 1999 heeft zij nog 10 weken, derhalve tot 9 maart 2000, een bevallingsuitkering als bedoeld in artikel 29a van de Ziektewet ontvangen.

De Raad staat in dit geding voor de vraag of appellant terecht heeft besloten om aan gedaagde met ingang van 9 maart 2000 geen uitkering ingevolge artikel 29a van de Ziektewet meer toe te kennen.

Ingevolge die bepaling heeft – kort samengevat – de vrouwelijke verzekerde, indien zij na de beëindiging van het recht op ziekengeld in verband met bevalling aansluitend nog ongeschikt is tot het verrichten van haar arbeid en die ongeschiktheid haar oorzaak vindt in de bevalling of de daaraan voorafgaande zwangerschap, recht op ziekengeld ter hoogte van het dagloon.

De Raad beantwoordt voormelde vraag, anders dan de rechtbank, bevestigend en heeft terzake het volgende overwogen.

Op 27 maart 2000 heeft gedaagde het spreekuur bezocht van verzekeringsarts J. ten Kortenaar, die blijkens een rapport van dezelfde datum vaststelde, dat gedaagde het werk niet heeft kunnen hervatten, wegens de volgende klachten:

“vermoeidheid, snel geïrriteerd, slaapt weinig (dochter komt ’s nachts regelmatig), concentratie is slecht, hoofdpijn, zweverigheid.”

De verzekeringsarts concludeerde dat de klachten van gedaagde wel reëel waren, maar niet konden worden aangemerkt als een gevolg van de bevalling.

In de bezwaarfase is gedaagde gezien door bezwaarverzekeringsarts M.M. Schampers, die, in aanmerking nemend dat de bevalling snel en goed was verlopen en dat ook het kraambed goed was gegaan, eveneens een relatie als vorenbedoeld tussen de klachten van gedaagde en de zwangerschap of de bevalling niet aannemelijk achtte.

In de bezwaarfase heeft gedaagde nog een brief overgelegd van haar huisarts van 12 september 2000, waarin deze verklaarde dat gedaagde de afgelopen maanden regelmatig het spreekuur had bezocht met klachten over vermoeidheid, waardoor zij niet in staat was geweest te werken. Deze klachten waren volgens de huisarts begonnen in aansluiting op de zwangerschap en bevalling. In een in eerste aanleg overgelegde brief van 18 december 2000 heeft de huisarts zich op het standpunt gesteld dat de klachten van gedaagde, zoals concentratiezwakte, geheugenzwakte verwarring, frigiditeit en labiliteit waren terug te voeren op de diagnose post-partum depressie.

In een commentaar op deze brief heeft de bezwaarverzekeringsarts R.T. Hupkens benadrukt dat bij het onderzoek door de primaire verzekeringsarts op 27 maart 2000 een beeld naar voren was gekomen van vermoeidheid en snelle geïrriteerdheid als gevolg van slaaptekort, omdat de baby betrokkene uit de slaap hield, met als gevolg een gebrek aan concentratie en een gevoel van zweverigheid. De bezwaarverzekeringsarts achtte de nadere verklaring van de huisarts dat hier sprake was van een post-partum depressie niet overtuigend. Het door de huisarts beschreven beeld leek volgens de bezwaarverzekerings- arts veel meer op hetgeen door de primaire verzekeringsarts al werd beschreven, te weten uitputting als gevolg van de omstandigheden die na de bevalling zijn ontstaan.

De Raad ziet in de beschikbare medische gegevens onvoldoende reden om te twijfelen aan de conclusie van de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts. De Raad acht het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts dat het bij het eerste onderzoek van gedaagde vastgestelde klachtenpatroon niet wijst op een depressie, zeer wel verenigbaar met de verklaring van de huisarts van 12 september 2000, welke inhoudt dat het ging om klachten van vermoeidheid, die aansluitend op de bevalling zijn opgetreden. Het door bezwaarverzekeringsarts J.A.M.M. Sijben in het commentaar van

26 mei 2004 ingenomen standpunt dat het hier gaat om klachten die moeten worden gezien als een reactie op overbelasting door omgevingsfactoren, acht de Raad met hetgeen namens gedaagde in hoger beroep is aangevoerd niet weerlegd.

De Raad is mitsdien van oordeel dat hier niet is voldaan aan het in voormelde bepaling van de Ziektewet neergelegde causaliteitsvereiste.

Dat bij het primaire besluit van 29 maart 2000 met terugwerkende kracht tot en met 9 maart 2000 uitkering van ziekengeld is geweigerd, acht de Raad niet in strijd met de ten aanzien van gedaagde in acht te nemen zorgvuldigheid. Gedaagde had ingevolge artikel 7:629 van het Burgerlijk Wetboek op en na 9 maart 2000 recht op doorbetaling van loon.

Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd en dat het inleidend beroep alsnog ongegrond moet worden verklaard.

De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het inleidend beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst als voorzitter en mr. G.J.H. Doornewaard en mr. M.C. Bruning als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.W.P. van der Hoeven als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2004.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) J.W.P. van der Hoeven.