Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AR3667

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-10-2004
Datum publicatie
12-10-2004
Zaaknummer
03/3057 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugvordering van onverschuldigd betaalde BWOO-uitkering. Dient het terugvorderingsbedrag te worden gematigd?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

03/3057 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Appellante heeft op de daartoe bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 7 mei 2003, nr. Awb 99/1218 AW V02, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 2 september 2004, waar namens appellante is verschenen mr. L. Rijpkema, advocaat te Groningen. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D.R. Abdoelhak, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. MOTIVERING

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Bij besluit van 10 februari 1995 is aan appellante met ingang van 1 augustus 1994 een werkloosheidsuitkering op grond van het Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekspersoneel (BWOO) toegekend.

Bij besluit van 27 juni 1997 is aan appellante met ingang van 21 mei 1997 een ziekte-uitkering krachtens het BWOO toegekend. Ter zake van deze uitkering zijn haar begin 1998 nabetalingen gedaan.

Bij besluit van 23 februari 1998 heeft gedaagde aan appellante medegedeeld dat haar vanaf 1 oktober 1997 ten onrechte zowel een werkloosheidsuitkering als een ziekte-uitkering betaalbaar is gesteld. Gedaagde heeft laatstgenoemde uitkering hierbij ingaande 1 oktober 1997 beëindigd.

Bij besluit van 25 januari 1999 heeft gedaagde van appellante een bedrag van f 5.059,94 (thans: € 2.296,10) aan over de periode van 1 oktober 1997 tot 1 maart 1998 onverschuldigd aan haar betaalde uitkering op grond van de BWOO teruggevorderd.

Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en in dat kader ook opgave gedaan van door haar geleden schade ten gevolge van het feit dat zij in 1998 te veel inkomsten van gedaagde had ontvangen en deze eerst in 1999 zijn teruggevorderd.

Bij het bestreden besluit van 1 november 1999 heeft gedaagde genoemd bezwaar ongegrond verklaard. Tevens heeft gedaagde zich hierbij bereid verklaard aantoonbare schade die het directe gevolg is van het feit dat zijnerzijds teveel uitkering betaalbaar is gesteld, inclusief eventuele fiscale schade, te vergoeden. Hiertoe is appellante om een (meer) gespecificeerd verzoek gevraagd.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard.

3. Ter zitting is gebleken dat appellante niet meer betwist dat het haar indertijd duidelijk was dat haar te veel aan uitkering werd betaald. Ook de hoogte van het bedrag dat onverschuldigd is betaald, vormt geen voorwerp van geschil. Appellante stelt zich in hoger beroep uitsluitend nog op het standpunt dat gedaagde in de gegeven omstandigheden het terugvorderingsbedrag had dienen te matigen.

4.1. De Raad kan appellante niet volgen in dit standpunt. Gedaagde heeft zich immers bereid verklaard om door appellante geleden aantoonbare schade als hiervoor bedoeld aan haar te vergoeden. Aan appellante is een vergoeding van in totaal f 1.304,01 toegekend, waarbij zij zich uiteindelijk heeft neergelegd.

Onder die omstandigheden bestaat geen grond voor het oordeel dat gedaagde niet in redelijkheid heeft kunnen weigeren om het terugvorderingsbedrag te matigen.

4.2. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. J.C.F. Talman als voorzitter en mr. J.Th. Wolleswinkel en mr. K. Zeilemaker als leden, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2004.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) P.W.J. Hospel.

HD

16.09