Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AR3654

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-10-2004
Datum publicatie
12-10-2004
Zaaknummer
03/263 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vanwege betrokkenes weigering om de aangeboden functies te aanvaarden ontstond, gezien het bepaalde in artikel 94, tweede lid, van het RRAZ, de bevoegdheid om aan haar ontslag te verlenen. Reorganisatieontslag; arbeidsongeschiktheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

03/263 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Raad van Bestuur van het Universitair Medisch Centrum Utrecht, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellante is op bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 4 december 2002, nr. SBR 01/1432, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Namens appellante zijn de gronden van het beroep (met bijlagen) aangevuld.

Op verzoek van de Raad heeft gedaagde nadere geschriften ingezonden.

Namens appellante zijn nadere stukken ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 26 augustus 2004. Daar is appellante in persoon verschenen, bijgestaan door mr. P. Burger, advocaat te Utrecht. Gedaagde heeft zich, daartoe opgeroepen, laten vertegenwoordigen door mr. R. Schuurman, werkzaam bij het Universitair Medisch Centrum Utrecht.

II. MOTIVERING

1. Voor een uitvoeriger uiteenzetting van de voor dit geding relevante feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellante was laatstelijk aangesteld als medewerker centrale dienkeuken bij de Hotel Civiele Dienst van het Academisch Ziekenhuis Utrecht. Een besluit van het bestuur van de Stichting Pensioenfonds ABP, inhoudend dat appellante gerekend naar de datum van 27 maart 1995 niet uit hoofde van ziekten of gebreken blijvend ongeschikt was voor de vervulling van die betrekking, is door de Raad bij uitspraak van 30 juni 2000, nr. 97/11256 ABP, in stand gelaten.

1.2. Na langdurig ziekteverlof is appellante door de bedrijfsarts op 26 juni 1998 hersteld verklaard met beperkingen voor zwaar tillen, sjouwen, duwen of trekken. Een uit drie artsen bestaande commissie (hierna: commissie van geneeskundigen) heeft op 13 augustus 1998 het oordeel van de bedrijfsarts onderschreven. Gedaagde heeft appellante van de bindende uitkomst van het rapport van de commissie van genees-kundigen op de hoogte gesteld en haar uitgenodigd voor overleg over werkhervatting. Na appellantes mededeling dat zij het niet eens was met de hersteldverklaring en daartegen rechtsmiddelen wilde aanwenden, heeft gedaagde appellante bericht dat zij geschikt is voor haar functie en dat gedaagde dienaangaande na het overleg met appellante een besluit zal nemen, waartegen bezwaar kan worden gemaakt. Het overleg met appellante zou met name betrekking hebben op de door appellante te verrichten (andere) werkzaamheden in verband met de reorganisatie van de Hotel Civiele Dienst per 1 oktober 1998, waarbij onder meer de centrale dienkeukens werden opgeheven.

1.3. Het overleg met appellante en haar raadsman heeft plaatsgevonden op 21 september 1998 en is gevolgd door contacten met alleen appellantes raadsman. Na een gesprek van appellante met vertegenwoordigers van gedaagde op 7 juni 1999 is appellante bij besluit van 30 juni 1999 met ingang van 1 oktober 1999 reorganisatieontslag verleend op grond van artikel 94, eerste lid, aanhef en onder a, van het Rechtspositiereglement Academische Ziekenhuizen (RRAZ). Bij het thans bestreden besluit van 2 juli 2001 is het bezwaar daartegen ongegrond verklaard en het besluit van 30 juni 1999 gehandhaafd. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep van appellante ongegrond verklaard.

1.4. In hoger beroep heeft appellante herhaald, dat gedaagde en de rechtbank er ten onrechte van uitgaan dat de arbeidsgeschiktheid als een gegeven beschouwd moet worden, dat zij ten tijde van het ontslag arbeidsongeschikt was wegens ziekte en dat haar derhalve geen ontslag wegens reorganisatie had mogen worden verleend. Voorts is appellante van opvatting dat gedaagde ten onrechte geen overtolligheidvolgorde heeft vastgesteld en verder onvoldoende herplaatsinginspanningen heeft gedaan. Appellante stelt tenslotte dat gedaagde de reorganisatie heeft gebruikt om haar kwijt te raken.

2. Arbeidsgeschiktheid

2.1. Gedaagdes gemachtigde heeft desgevraagd ter zitting verklaard, dat het ontslagbesluit het eerste besluit van gedaagde is ná de onder 1.2. vermelde mededeling dat gedaagde pas na overleg een besluit zou nemen over de rechtspositionele gevolgen van de uitkomst van het rapport van de commissie van geneeskundigen. Dit brengt mee dat appellante in het bezwaar tegen het ontslag mede de juistheid van de in het ontslagbesluit vervatte beslissing dat appellante arbeidsgeschikt was aan de orde mocht stellen en dat gedaagde dienaangaande in het besluit op bezwaar een beslissing diende te nemen.

2.2. De Raad deelt derhalve niet de in het bestreden besluit neergelegde opvatting dat de arbeidsgeschiktheid van appellante als in rechte vaststaand heeft te gelden. In aanmerking genomen dat bij het bestreden besluit ten overvloede en gemotiveerd is overwogen dat appellante niet ongeschikt is voor haar werk dan wel soortgelijke arbeid, zal de Raad thans bezien of in rechte houdbaar is het standpunt van gedaagde dat appellante ten tijde van het ontslag arbeidsgeschikt was.

2.3. Aangezien er ten tijde van het ontslagbesluit bijna een jaar was verstreken sedert het rapport van de commissie van geneeskundigen, had het op de weg van gedaagde gelegen om een herbeoordeling door de bedrijfsarts te laten plaats vinden voordat het ontslagbesluit werd genomen. Nu appellante nadien heeft aangegeven dat haar medische situatie inmiddels niet was veranderd, zal de Raad aan deze tekortkoming geen gevolgen verbinden.

2.4. De Raad is anders dan appellante van oordeel dat in het onderhavige geval de samenstelling van de commissie van geneeskundigen niet voor onjuist kan worden gehouden. Bij het gegeven dat in de rapportages van de verschillende specialisten, bij wie appellante onder behandeling was, geen objectiveerbare afwijkingen waren gevonden die een voldoende grondslag konden bieden voor (de ernst van) de door appellante geuite klachten is de Raad van oordeel dat de keuze van gedaagde om in de commissie een bedrijfsarts als specialist op te nemen eveneens adequaat was. De Raad merkt daarbij op dat de derde bedrijfsarts verbonden was aan een andere Arbodienst dan de twee vast voorgeschreven bedrijfsartsen en dat de commissie derhalve voldoende evenwichtig was samengesteld.

2.5. De Raad is - mede gelet op de uitvoerige rapportage die ten grondslag ligt aan de beslissing van de bedrijfsarts van 26 juni 1998 - niet tot het oordeel kunnen komen dat gedaagde zijn beslissing om appellante geschikt te achten voor haar functie niet had mogen baseren op het rapport van de commissie van geneeskundigen. De Raad heeft uit de door appellante nadien overgelegde medische rapporten geenszins kunnen afleiden dat appellante ten tijde van het ontslag uit hoofde van objectiveerbare afwijkingen meer medische beperkingen had dan die waarvan gedaagde bij het ontslag is uitgegaan.

2.6. Aangezien aan de Raad tenslotte niet is gebleken dat de door de bedrijfsarts genoemde beperkingen van appellante een beletsel zouden vormen voor het verrichten van haar opgeheven functie van medewerker centrale dienkeuken of een soortgelijke functie, is de Raad van oordeel dat gedaagde appellante ten tijde van het ontslag als arbeidsgeschikt heeft mogen aanmerken.

3. Het ontslag

3.1. De door gedaagde overlegde stukken over de reorganisatie laten zien dat de centrale dienkeukens werden opgeheven en dat de functie medewerker centrale dienkeuken geheel verdween. De taken van de medewerkers centrale dienkeukens werden vanaf de reorganisatie verdeeld over de nieuwe functies medewerker Reiniging en Onderhoud afwas (hierna: medewerker RenO) en voedingsassistente; van een vermindering van het aantal formatieplaatsen was geen sprake. De reorganisatie leidde voorts in totaal tot een toename van het aantal formatieplaatsen bij de Hotel Civiele Dienst.

3.2. Gelet op de in het Sociaal Beleidskader bij Organisatieveranderingen (hierna: SBO) gegeven definities van “opheffing van een functie” en “overtolligheid” en de in het SBO genoemde voorwaarden waaronder een overtolligheidvolgorde dient te worden vastgesteld was gedaagde bij de feitelijke omstandigheden zoals in 3.1. weergegeven niet gehouden om ten aanzien van de medewerkers centrale dienkeuken een zodanige volgorde vast te stellen.

3.3. Met betrekking tot appellantes grief dat gedaagde tekort is geschoten in zijn verplichting om te trachten appellante te herplaatsen in de nieuwe organisatie overweegt de Raad het volgende.

3.3.1. In de bespreking op 21 september 1998 heeft gedaagde melding gemaakt van de nieuwe functies medewerker RenO en voedingsassistente en aangegeven dat er een functie van medewerker RenO voor appellante is vrijgehouden. Appellante heeft die functie afgewezen, daartoe stellende dat zij een geheugenstoornis heeft, niet kan tillen, bukken en lang staan, dat zij tussentijds moet kunnen rusten en dat zij ziek moet kunnen zijn. Appellante heeft een leidinggevende functie als mogelijkheid genoemd.

3.3.2. Gedaagde heeft als vervolg op het gesprek van 21 september 1998 de mogelijkheid onderzocht om een functie “bestek klaarmaken” voor appellante te creëren. Aan appellantes raadsman is nadien kenbaar gemaakt dat deze mogelijkheid niet bleek te bestaan.

3.3.3. Naar aanleiding van appellantes brief van 3 mei 1999 is er op 7 juni 1999 een gesprek met appellante geweest. Daaromtrent is in het ontslagbesluit opgemerkt, dat gedaagde appellante als mogelijke functies medewerker RenO en schoonmaakster heeft voorgehouden en dat appellante deze functies heeft afgewezen omdat zij deze om medische redenen niet kon en niet wilde uitvoeren. Appellante heeft betwist dat bedoeld aanbod is gedaan, doch nu dit eerst in hoger beroep is gebeurd, gaat de Raad daarin niet met appellante mee.

3.3.4. Onder verwijzing naar hetgeen in 3.3.1. en 3.3.2. is overwogen stelt de Raad vast, dat appellante zich steeds wegens arbeidsongeschiktheid in het geheel niet in staat achtte om enig (passend) werk te verrichten; zij was dan ook niet bereid tot het aanvaarden van werkzaamheden. Dit wordt nog eens bevestigd door het gegeven dat appellante(s raads-man) op een aanbod van gedaagde bij brief van 20 december 1999 om alsnog naar een passende functie te zoeken niet is ingegaan. De raadsman heeft als reactie op dat aanbod met name verzocht om intrekking dan wel opschorting van het ontslag tot na de onder 1.1. genoemde uitspraak van de Raad over de arbeidsongeschiktheidskwestie.

3.3.5. Appellante heeft in (hoger) beroep vraagtekens geplaatst bij de verenigbaarheid van de onder 3.3.3. genoemde functies met haar medische beperkingen. Dienaangaande overweegt de Raad dat het SBO enige mogelijkheid bood om het passende karakter van een aangeboden functie op verzoek van de ambtenaar te laten herbeoordelen. Gelet op de omstandigheid dat appellante zich - zoals hiervoor is overwogen ten onrechte - geheel arbeidsongeschikt achtte en generlei bereidheid toonde om enig werk te verrichten en gelet ook op de aard van de functies, is de Raad van oordeel dat onvoldoende grond bestaat te oordelen dat gedaagde gehouden was om nader onderzoek te doen naar de passendheid in medisch opzicht van de aangeboden functies voor appellante.

3.4. Met appellantes weigering om de aangeboden functies te aanvaarden had gedaagde, gezien het bepaalde in artikel 94, tweede lid, van het RRAZ, de bevoegdheid om aan appellante ontslag te verlenen. De Raad ziet geen grond voor appellantes zienswijze dat gedaagde niet had mogen volstaan met het aanbieden van functies doch ook een functie had moeten opdragen alvorens tot ontslag kon worden overgegaan. Noch artikel 94, tweede lid, van het RRAZ noch het SBO behelst een regeling die steun biedt aan appellantes opvatting.

3.5. Appellantes grief dat gedaagde het ontslag heeft verleend om zich te ontdoen van appellante behoeft geen afzonderlijke bespreking, nu appellante deze zienswijze geheel ontleent aan haar opvatting dat zij ten tijde van het ontslag arbeidsongeschikt was wegens ziekte. De Raad verwijst naar hetgeen hij dienaangaande hiervoor heeft overwogen.

3.6. Al hetgeen appellante heeft aangevoerd heeft de Raad tenslotte niet tot het oordeel kunnen brengen dat gedaagde bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn ontslagbevoegdheid. Derhalve houdt het bestreden besluit in rechte stand en komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.

4. Aangezien de Raad geen aanleiding ziet om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake proceskosten beslist de Raad als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. J.C.F. Talman als voorzitter en mr. A. Beuker-Tilstra en mr. J.Th. Wolleswinkel als leden in tegenwoordigheid van mr. E.W.F. Menkveld-Botenga als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2004.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) E.W.F. Menkveld-Botenga.

HD

27.09