Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AQ8361

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-04-2004
Datum publicatie
30-08-2004
Zaaknummer
03/1669 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In bezwaarschrift werd alleen gerefereerd aan een besluit van 26 juli 2001 terwijl het gericht was op een besluit van 10 augustus 2001. Rechtbank heeft het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

03/1669 ZW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Appellant is op bij beroepschrift vermelde gronden in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank Alkmaar op 21 maart 2003 tussen partijen gewezen uitspraak

(reg.nr.: ZW 01/1846), waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft op 11 juni 2003 een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 11 juni 2003 (met bijlage) heeft appellant de gronden van het hoger beroep aangevuld.

Mr. S. Mahabier, advocaat te Amsterdam, heeft zich bij brief van 21 juli 2003 als gemachtigde van appellant gesteld en heeft bij brief van 12 september 2003 de gronden van het hoger beroep nader aangevuld. Op deze brief van 12 september 2003 heeft gedaagde bij brief van 17 september 2003 een reactie gegeven. Op deze reactie heeft

mr. Mahabier, voornoemd, bij brief van 6 november 2003 gereageerd. Vervolgens heeft mr. Mahabier de gronden van het hoger beroep nader aangevuld bij brief van

16 december 2003 (met bijlagen).

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 10 maart 2004,

waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Mahabier als zijn raadsvrouw, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door

mr. D.H. Harbers, werkzaam bij het Uwv.

II. MOTIVERING

Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Appellant is vanaf 5 juni 2001 op uitzendbasis werkzaam geweest als inpakker via

Capac Inhouse Services B.V. te Diemen. Op 4 juli 2001 is appellant voor deze werkzaamheden uitgevallen wegens rugklachten, waarna bij gedaagde een aanvraag is ingediend om een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW).

Bij besluit van 26 juli 2001 is aan appellant meegedeeld dat gedaagde de bevoegdheid heeft om geheel of gedeeltelijk uitkering ingevolge de ZW te weigeren, indien de ongeschiktheid tot werken reeds bestond op het tijdstip dat de verzekering een aanvang nam dan wel indien deze ongeschiktheid is ingetreden binnen een half jaar na het tijdstip waarop de verzekering een aanvang nam, terwijl de gezondheidstoestand van de verzekerde ten tijde van aanvang van de verzekering het intreden van de ongeschiktheid binnen een half jaar kennelijk moest doen verwachten. Hieraan heeft gedaagde toegevoegd dat hij het gegronde vermoeden heeft dat deze situatie op de ongeschiktheid tot werken van appellant van toepassing is en dat daarom de betaling van het ziekengeld met ingang van 4 juli 2001 wordt opgeschort.

Op 2 augustus 2001 is appellant op het spreekuur van een verzekeringsarts geweest. Vervolgens heeft gedaagde bij besluit van 10 augustus 2001 geweigerd om aan appellant per 4 juli 2001 een ZW-uitkering toe te kennen, op de grond dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 44, eerste lid, aanhef en onder b, van de ZW dan wel van een situatie als bedoeld in artikel 44, eerste lid, aanhef en onder a, van de ZW.

Bij brief van (vrijdag) 10 augustus 2001, welke brief blijkens het desbetreffende poststempel op 10 augustus 2001 ter post is bezorgd en op (maandag) 13 augustus 2001 door gedaagde van een ontvangststempel is voorzien, heeft appellant bezwaar gemaakt onder vermelding van het volgende:

" Hierbij stuur ik u mijn bezwaarschrift tegen afgewezen arbeidsongeschiktheid ingang van 4 juli 01. Zie BV 26/145578090102.

Ik ben niet eens bent met het beslissing. Als iemand werkt en ziete

Geval heeft die persoon geen recht op inkomsten/uitkering.

Ik ben gewoon niet eens bent met GAK Alkmaar beslissing.

Hopen dat GAK afdeling bezwaar en beroep Enschede wil serious

Ondernemen. Ik heb rug pijn/last van, makelijke moe en gaat stress van

En dergelijke serious gezondheid probleem. Ook psychology probleem.

U mag ook serious onderzoeken over mij gezondheid zorg.

Hopen en wachting van GAK dat zo snel mogelijke behandeling te nemen."

Bij dit bezwaarschrift was een bijlage gevoegd, waarin appellant onder meer het volgende heeft vermeld:

" Ik beb ziek toen ik gewrkt en daar heb ik last van mij rug.

Heel dag en/of nacht moet ik stand en inpak met machine snelheid. Ik heb recht Op ziektewet uitkering.

Ieman kan ziekte binnen eenkelen dagen of weken, dan die persoon heeft geen recht op zietewet uitkering?

Ik heb besproken met iemaand ander van mij bekender uit Nederland en wat een rare zegd de manier.

Voel ik ook wat een rare beslissing door GAK medewerker.

Hopen dat mij bezwaarschrift is menningelijke is.

GAK huis art zegd, toen medische controle dat ik zie it wel maar je hebt tekort weken gewerkt heeft dat weet ik niet als je heb recht op ziektewet uitkering. Maar ik voel wel."

Gedaagde heeft dit bezwaarschrift opgevat als een bezwaar dat (alleen) is gericht tegen het hiervoor vermelde opschortingsbesluit van 26 juli 2001. Bij besluit van

11 september 2001 (hierna: het bestreden besluit) heeft gedaagde de bezwaren van appellant tegen het besluit van 26 juli 2001 ongegrond verklaard. Hierbij heeft gedaagde er met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van afgezien om appellant vooraf te horen.

De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk verklaard. Hierbij heeft de rechtbank overwogen dat appellant geen bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 10 augustus 2001, waarbij is geweigerd om appellant per

4 juli 2001 een ZW-uitkering toe te kennen, zodat dit besluit in rechte is komen vast te staan. Volgens de rechtbank heeft appellant in verband hiermee geen (voldoende) procesbelang meer bij een beoordeling van het bestreden besluit, nu de door appellant nagestreefde vernietiging van dit besluit nimmer kan leiden tot uitkering van ziekengeld per 4 juli 2001.

Namens appellant is in hoger beroep onder meer naar voren gebracht dat het bezwaarschrift van 10 augustus 2001 mede was gericht tegen het besluit van

10 augustus 2001, aangezien hij ervan uitging dat het definitieve besluit tot weigering van ziekengeld per 4 juli 2001 reeds tot stand was gekomen. Volgens appellant had gedaagde het bezwaarschrift met toepassing van artikel 6:10, eerste lid, van de Awb mede moeten behandelen als een bezwaarschrift gericht tegen het besluit van 10 augustus 2001.

Voorts heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat gedaagde hem ten onrechte niet in aanmerking heeft gebracht voor een ZW-uitkering.

Gedaagde heeft naar voren gebracht dat het bezwaarschrift van 10 augustus 2001 expliciet was gericht tegen het besluit van 26 juli 2001, dat dit besluit ook was bijgevoegd en dat appellant, nu hij het besluit van 10 augustus 2001 op 11 augustus 2001 heeft ontvangen - derhalve eerst nadat hij het desbetreffende bezwaarschrift per post had bezorgd -, niet beoogd kan hebben om mede bezwaar te maken tegen het besluit van

10 augustus 2001.

De Raad overweegt als volgt.

Het kan als vaststaand worden aangenomen dat gedaagde het door appellant op

10 augustus 2001 ter post bezorgde bezwaarschrift op 13 augustus 2001 heeft ontvangen. Op dat moment had de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift, gericht tegen het besluit van 10 augustus 2001, gelet op het bepaalde in artikel 6:8, eerste lid, van de Awb, reeds een aanvang genomen. Nu het desbetreffende bezwaarschrift wat de inhoud betreft (primair) is gericht tegen het besluit van 10 augustus 2001, had gedaagde dit bezwaarschrift (mede) als zodanig in behandeling moeten nemen. Het feit dat in de aanhef van het bezwaarschrift alleen wordt gerefereerd aan het besluit van 26 juli 2001 doet daar onder de gegeven omstandigheden niet aan af. Gedaagde zal alsnog een besluit op bezwaar dienen te nemen met betrekking tot het bezwaar van appellant tegen het besluit van 10 augustus 2001.

Uit het voorgaande volgt dat de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep tegen het bestreden besluit zoals die door de rechtbank op grond van de hiervoor samengevatte overwegingen is uitgesproken, geen stand kan houden. De Raad ziet aanleiding om de zaak met toepassing van artikel 26, eerste lid, aanhef en onder a, van de Beroepswet terug te wijzen naar de rechtbank.

Voorts ziet de Raad aanleiding om gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,-- aan verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Wijst de zaak terug naar de rechtbank Alkmaar;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag groot € 322,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat gedaagde het door appellant betaalde recht van € 87,-- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst en mr. D.J. van der Vos en mr. M.C. Bruning als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.W.P. van der Hoeven als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 21 april 2004.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) J.W.P. van der Hoeven.

Gw