Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AQ8100

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-05-2004
Datum publicatie
09-09-2004
Zaaknummer
03/4606 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Invordering onverschuldigd betaalde WW-uitkering. Bedrag dient binnen 6 weken na dagtekening van dit besluit te worden betaald omdat van betrokkene geen gegevens zijn ontvangen op grond waarvan een betalingsregeling had kunnen worden getroffen.

Wetsverwijzingen
Werkloosheidswet
Werkloosheidswet 36
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2004/303
RSV 2004, 286

Uitspraak

03/4606 WW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Namens appellant heeft mr. D.H. Stibbe, advocaat te Amsterdam, op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Amsterdam, reg.nr. AWB 02/3028 WW, op 7 augustus 2003 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 7 april 2004, waar appellant -met bericht- niet is verschenen en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. H.A.G. Rasterhoff, werkzaam bij het Uwv.

II. MOTIVERING

De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

De rechtbank Amsterdam heeft bij uitspraak van 4 augustus 2000, reg.nr. AWB 99/654, beslist op het beroep van appellant ter zake van de terugvordering van de teveel betaalde WW-uitkering aan appellant over de periode van 1 juli 1996 tot en met 31 december 1996. Het besluit van 11 maart 1998 dat ter zake daarvan door gedaagde was afgegeven, is door de rechtbank vernietigd omdat in strijd met artikel 36, derde lid, van de WW daarbij niet is beslist omtrent de wijze van invordering. De rechtbank heeft daarbij tevens bepaald dat gedaagde binnen 6 weken na dagtekening van de uitspraak een nader besluit op bezwaar dient te nemen. Partijen hebben in die uitspraak berust.

Gedaagde heeft hierop op 28 mei 2002 een nader besluit op bezwaar genomen, het bestreden besluit. Met betrekking tot de invordering van het onverschuldigd betaalde bedrag van € 4.511,25 is besloten dat appellant dit bedrag binnen 6 weken na dagtekening van dit besluit dient te betalen omdat van hem geen gegevens zijn ontvangen op grond waarvan een betalingsregeling had kunnen worden getroffen.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

In hoger beroep is namens appellant naar voren gebracht dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat er geen dringende redenen zijn om van terugvordering af te zien. Nu gedaagde 22 maanden heeft “stilgezeten” tijdens de bezwaarprocedure is de schijn gewekt dat niet meer tot invordering zou worden overgegaan, terwijl de rechtbank destijds gedaagde opdracht had gegeven binnen 6 weken een beslissing af te geven. Verder is het standpunt ingenomen dat ten onrechte geen rekening is gehouden met het feit dat appellant 60 uur dienstverlening heeft verricht. Tenslotte is gesteld dat de inkomensgegevens van appellant op 15 mei 2002, derhalve voor het bestreden besluit aan gedaagde zijn gezonden.

De Raad overweegt als volgt.

In hoger beroep is in geschil of het bestreden besluit, voor zover daarbij over de invordering is beslist, in rechte stand kan houden.

De Raad beantwoordt deze vraag met de rechtbank bevestigend. Ook de Raad is van oordeel dat nu appellant, hoewel hem meermalen daarnaar is gevraagd, heeft nagelaten zijn inkomensgegevens tijdig te verstrekken, gedaagde terecht heeft beslist tot het invorderen van het door appellant terug te betalen bedrag op de wijze zoals bij het bestreden besluit is geschied. Uit de gedingstukken leidt de Raad af dat gedaagde pas nadat het bestreden besluit is genomen, de inkomensgegevens van appellant heeft ontvangen. Dat bedoelde gegevens reeds per fax van 15 mei 2002 zouden zijn toegezonden wordt niet bevestigd door de gedingstukken. Die wijzen erop dat die gegevens eerst op 5 juni 2002 per fax aan gedaagde zijn toegezonden.

De lange termijn voor het afgeven van het besluit op bezwaar na de uitspraak van de rechtbank van 4 augustus 2000 is volgens de gemachtigde van appellant een aspect dat een dringende reden oplevert om niet tot invordering over te gaan.

De Raad merkt met betrekking tot dat standpunt op dat een dringende reden een rol kan spelen bij een terugvordering maar niet bij een invordering zoals hier aan de orde. Dit neemt echter niet weg dat gedaagde niet tijdig opnieuw op het bezwaar heeft beslist. Hij wijst er in dit verband op dat de rechtbank daartoe een termijn had gesteld van zes weken na de dagtekening van die uitspraak, welke termijn ruimschoots is overschreden. Nadat de rechtbank op 4 augustus 2000 uitspraak had gedaan, heeft gedaagde pas bij schrijven van 30 januari 2001 aan appellant gevraagd zijn inkomensgegevens te verstrekken en pas op 28 mei 2002 heeft gedaagde, na herhaaldelijk om verstrekking van bedoelde gegevens te hebben verzocht, het nadere besluit op bezwaar genomen. De Raad verbindt echter aan deze vaststelling geen consequenties. In de eerste plaats is niet gebleken dat appellant schade heeft ondervonden door het uitblijven van het nadere besluit op bezwaar. Het terug te betalen bedrag is, zoals van de zijde van gedaagde ter zitting is bevestigd, niet verhoogd met de wettelijke rente. In de tweede plaats is de Raad van oordeel dat het voor een belangrijk deel aan appellant is te wijten dat het nadere besluit niet eerder is genomen.

Appellant heeft van zijn adreswijziging geen melding gemaakt aan gedaagde zodat de brief van 30 januari 2001 aan het verkeerde adres is gezonden. Op latere brieven, wel aan het juiste adres gericht, dan wel aan de gemachtigde van appellant toegezonden, heeft appellant niet gereageerd. Nadat de hoorzitting op 17 januari 2002 op verzoek van appellant is uitgesteld en appellant nadien in Australië verbleef, heeft de hoorzitting pas op 2 mei 2002 plaatsgevonden. De inkomensgegevens zijn vervolgens eerst door appellant verstrekt nadat het bestreden besluit was genomen.

Hetgeen namens appellant overigens nog is aangevoerd kan niet leiden tot een ander oordeel. De omstandigheid dat appellant dienstverlening heeft verricht, brengt niet mee dat het invorderingsbesluit in rechte geen stand kan houden.

Ook de vermeende schending van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden leidt niet tot het door appellant gewenste resultaat. Nu, gelet op de uitspraak van de rechtbank van 4 augustus 2000 -in welke uitspraak partijen hebben berust-, tussen partijen de hoogte van het teruggevorderde bedrag is komen vast te staan, kan de omstandigheid dat pas na zekere tijd over de wijze van invorderen van dat bedrag is beslist, met name gelet op de mate waarin het verstrijken van die periode aan appellant is te wijten, niet leiden tot het oordeel dat uit vermelde bepaling zou voortvloeien dat de invordering dient te worden gematigd.

Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

Voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht acht de Raad geen termen aanwezig.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gewezen door mr. M.A. Hoogeveen als voorzitter en mr. H. Bolt en mr. C.P.J. Goorden als leden, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 19 mei 2004.

get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) P. Boer.