Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AQ1967

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-04-2004
Datum publicatie
16-02-2005
Zaaknummer
02/3650 ZW + 02/3651 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toename arbeidsongeschiktheid; herziening uitkering; andere oorzaak; twijfel ten voordele van betrokkene.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2004, 211
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

02/3650 ZW + 02/3651 WAO

U I T S P R A A K

in de gedingen tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in deze gedingen de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Namens appellant heeft mr. A.C.T. Hommes, advocaat te Rotterdam, op bij aanvullend beroepschrift (met bijlagen) aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Rotterdam onder dagtekening 31 mei 2002 tussen partijen gegeven uitspraak (reg.nrs.: WAO 01/2121-FRC en ZW 01/2122-FRC), waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft bij schrijven van 27 augustus 2002 van verweer gediend.

Desverzocht heeft gedaagde bij schrijven van 23 december 2003 (met bijlagen) nog enige inlichtingen verstrekt, waarop appellant bij brief van 31 december 2003 heeft gereageerd.

De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 10 maart 2004, waar appellant niet is verschenen en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. W.M.J. Evers, werkzaam bij het Uwv.

II. MOTIVERING

Appellant heeft nek- en schouderklachten, soms uitstralend naar de arm en tot in de vingers, als gevolg van een hem op 16 oktober 1996 met de scooter overkomen ongeval. Bij besluit van 30 september 1997 is appellant in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge (onder meer) de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Appellant werd weliswaar niet meer in staat geacht zijn oude werk van sjorder te verrichten, maar nog wel in staat functies te vervullen waarmee hij een zodanig inkomen kon verwerven dat het verlies aan verdiencapaciteit 35 tot 45% bedroeg. Naast zijn WAO-uitkering ontving appellant een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet. Bij op bezwaar genomen besluit van 5 mei 1998 heeft gedaagde het besluit van 30 september 1997 gehandhaafd.

Het beroep tegen het besluit van 5 mei 1998 is door de rechtbank Rotterdam bij uitspraak van 28 oktober 1999 ongegrond verklaard. Inmiddels was de bezwaarverzekeringsarts J.C. Kokenberg bij rapport van 23 maart 1999 tot de conclusie gekomen dat de belastbaarheid van appellant was afgenomen. Na een tijdelijke verhoging van de uitkering van appellant naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% heeft gedaagde bij besluit van 11 oktober 1999 met ingang van 8 december 1999 de arbeidsongeschiktheidsuitkering wederom herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Bij het thans bestreden besluit van 15 augustus 2001 (besluit I) heeft gedaagde het besluit van 14 augustus 2000 gehandhaafd, waarbij de WAO-uitkering van appellant onveranderd is vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Daaraan is ten grondslag gelegd dat de arbeidsongeschiktheid van appellant weliswaar met ingang van 13 juni 2000 was toegenomen, maar dat die toename niet voortkwam uit dezelfde oorzaak als die waarvoor appellant reeds uitkering ontving. Om die reden heeft gedaagde geweigerd de WAO-uitkering van appellant na ommekomst van een wachttijd van vier weken na 13 juni 2000 te verhogen.

Per 9 april 2001 heeft appellant zich (wederom) ziekgemeld en heeft hij uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) ontvangen. Bij het thans bestreden besluit van 20 augustus 2001 (besluit II) heeft gedaagde het besluit van 2 mei 2001 gehandhaafd, waarbij appellant op en na 3 mei 2001 uitkering ingevolge de ZW is ontzegd, op de grond dat hij niet meer wegens ziekte of gebreken ongeschikt wordt geacht om de werkzaamheden te verrichten, behorend bij de hem in het kader van de

WAO-beoordeling voorgehouden functies.

De rechtbank heeft de bestreden besluiten in stand gelaten.

In hoger beroep heeft appellant in het kader van besluit I aangevoerd dat de toegenomen arbeidsongeschiktheid wel degelijk voortvloeit uit dezelfde oorzaak als die waarvoor hij al een WAO-uitkering ontving. In het bijzonder heeft appellant aangevoerd dat die toename te maken heeft met bij hem bestaande klachten van urologische aard en dat hij al urologische klachten had in 1996.

De Raad overweegt dienaangaande dat gedaagde de toename van de arbeidsongeschiktheid per 13 juni 2000 getoetst heeft aan het bepaalde in artikel 39a, eerste lid, van de WAO, inhoudende dat herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering steeds plaatsvindt als sprake is van een toename van de arbeidsongeschiktheid binnen vijf jaar na de datum van toekenning of herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering en die toename voortkomt uit dezelfde oorzaak als de arbeidsongeschiktheid terzake waarvan uitkering wordt genoten. Gedaagde heeft zich blijkens de gedingstukken en het verhandelde ter zitting op het standpunt gesteld dat niet wordt voldaan aan het in deze bepaling gestelde vereiste dat sprake moet zijn van een toename uit dezelfde ziekteoorzaak, omdat weliswaar ook al in 1996 sprake was van urologische klachten, welke de betrokken verzekeringsartsen bekend waren, maar dat deze in het kader van de arbeidsongeschiktheidschattingen nimmer hebben geleid tot het aanvaarden van beperkingen tot het verrichten van arbeid.

De Raad volgt gedaagde hierin.

Appellant heeft op zichzelf terecht erop gewezen dat de Raad al vaker, onder meer in zijn uitspraak van 27 augustus 1999 (RSV 1999/286), heeft overwogen dat in geval van twijfel over het oorzakelijk verband tussen de oorspronkelijke arbeidsongeschiktheid en de later toegenomen arbeidsongeschiktheid, de balans ten voordele van de betrokkene dient door te slaan. Nu evenwel bij de eerdere arbeidsongeschiktheidsschatting de urologische klachten bekend waren en geen aanleiding hebben gegeven tot het stellen van medische beperkingen, kan niet worden gezegd dat die klachten als oorzaak van arbeidsongeschiktheid zijn aan te merken.

Voorts heeft appellant aangevoerd dat mede sprake is van een toename van zijn arbeidsongeschiktheid als gevolg van een toename van zijn nek- en armklachten, zulks onder verwijzing naar een rapport van 23 mei 2000 van de neuroloog

A.H.C. Geerlings en een rapport van 29 februari 2000 van de orthopedisch chirurg

B. Verbiest. De Raad stelt vast dat deze rapporten aan de bezwaarverzekeringsarts Kokenberg blijkens zijn rapport van 2 november 2000 bekend waren en dat hij dienaangaande heeft opgemerkt dat bij de functieduiding met de daarin beschreven bevindingen al rekening is gehouden en dat er geen aanleiding is om zwaardere of andere beperkingen in verband hiermee te aanvaarden. De Raad heeft in de voorhanden zijnde medische gegevens onvoldoende aanknopingspunten gevonden voor twijfel aan diens standpunt dat van een toename van de medische beperkingen na de laatste aanscherping van het belastbaarheidspatroon op 23 maart 1999 (geldend vanaf 6 juli 1998) geen sprake was.

Aldus komt de Raad tot het oordeel dat het bestreden besluit I op een deugdelijke grondslag berust. Hierin ligt tevens besloten dat de Raad geen aanleiding heeft gevonden een nader medisch onderzoek te gelasten, gelijk door appellant is verzocht. De Raad acht zich over de medische situatie van appellant in de hier van belang zijnde perioden voldoende voorgelicht.

Ten aanzien van besluit II overweegt de Raad als volgt.

In hoger beroep heeft gedaagde toegelicht dat als maatstaf arbeid waarnaar de ongeschiktheid tot werken op en na 3 mei 2001 is beoordeeld de functies hebben gegolden die appellant in het kader van de herziening van WAO-uitkering met ingang van 8 december 1999 naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45% zijn voorgehouden. In het kader van besluit I heeft geen arbeidskundige toetsing plaatsgevonden, omdat geen sprake was van een toename van de arbeidsongeschiktheid uit dezelfde oorzaak.

Gelet op hetgeen omtrent besluit I is overwogen is de Raad van oordeel dat die arbeidskundige toetsing op goede gronden achterwege is gebleven en dat gedaagde terecht heeft teruggegrepen op de voor appellant in het kader van evenvermelde herziening geschikt bevonden werkzaamheden. Daarmee heeft gedaagde overeenkomstig vaste rechtspraak van de Raad een juiste maatstaf arbeid aangelegd.

In hoger beroep zijn alsnog door gedaagde de functiebeschrijvingen en belastingpatronen ingezonden van de in aanmerking genomen functies. Deze waren, naar de Raad aannemelijk acht, de betrokken verzekeringsartsen bekend. Voorts droeg de bezwaarverzekeringsarts blijkens zijn rapport van 9 augustus 2001 kennis van de bevindingen van de neurochirurg dr. J.H. van den Berge, zodat ook daarmee rekening is gehouden. Gelet hierop ziet de Raad geen reden te twijfelen aan het aan besluit II ten grondslag gelegde medisch oordeel. Te minder ziet de Raad daarvoor reden, nu van de zijde van appellant geen nadere in een andere richting wijzende medische gegevens in hoger beroep zijn ingebracht.

Ook besluit II ziet de Raad in hoger beroep derhalve standhouden.

De aangevallen uitspraak komt mitsdien voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst als voorzitter en mr. D.J. van der Vos en mr. M.C. Bruning als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.W.P. van der Hoeven als griffier en uitgesproken in het openbaar op 21 april 2004.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) J.W.P. van der Hoeven.

Gw