Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AQ1484

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-05-2004
Datum publicatie
30-07-2004
Zaaknummer
01/6290 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verwijtbaar werkloos. Rooster. Goed werkgeverschap. Betekenis beschikking kantonrechter.

Wetsverwijzingen
Werkloosheidswet 24, geldigheid: 2004-05-04
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2004/239 met annotatie van Boot
RSV 2004, 240

Uitspraak

01/6290 WW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en in-komen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoerings-organisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.

Appellant heeft op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank Utrecht op 31 oktober 2001, reg. nr. SBR 00/1933, tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde heeft mr. J.J.H. Post, advocaat te Amersfoort, van verweer gediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 7 april 2004, waar appel-lant zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. R.M.H. Rokebrand en

mr. P.A.L. Nieuwenhuis, werkzaam bij het Uwv, en waar gedaagde in persoon is ver-schenen, bijgestaan door mr. Post voornoemd als zijn raadsman.

II. MOTIVERING

De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

Aan de gedingstukken en het verhandelde te zijner zitting ontleent de Raad de volgende feiten en omstandigheden.

Gedaagde is op 7 januari 1993 in dienst getreden van MacSomel Amersfoort-Drive B.V. Hij was werkzaam in een McDonalds restaurant te Amersfoort, aanvankelijk als mede-werker fastfood en vanaf 1 februari 1998 als trainee. Die functie werd door gedaagde te zwaar bevonden, onder meer wegens de onregelmatige werktijden en de omvang van het daaraan verbonden overwerk. Blijkens de brief van 14 augustus 1998 is vervolgens afge-sproken dat gedaagde weer in zijn oude functie zou hervatten, met behoud van zijn salaris, en dat de werktijden zullen zijn: van maandag tot en met vrijdag van 11.00 tot 19.00 uur en eventueel in de weekends in overleg. Op verzoek van gedaagde zijn de werktijden in 1999 gewijzigd in 9.00 tot 17.00 uur. Tussen partijen is niet in geschil dat gedaagde de maand juli 1999 en vervolgens vanaf eind augustus 1999 op die tijden werk-zaam is geweest. Sedert augustus 1998 heeft gedaagde niet in de weekends gewerkt.

Na een periode van arbeidsongeschiktheid vanaf 14 oktober 1999 heeft gedaagde begin februari 2000 het werk op arbeidstherapeutische basis hervat. Ingaande (dinsdag)

29 februari 2000 werd hij hersteld verklaard. Op die dag heeft hij van 9.00 tot 17.00 uur gewerkt. Aan het einde van de werkdag werd hem een brief uitgereikt met de volgende tekst:

"Met ingang van vandaag, 29 februari ben je weer 100% hersteld verklaard door de Relan/Arbo. Dit houdt in dat je weer 5 dagen in de week zult gaan werken, in totaal 38 uur per week.

Afgesproken is dat je de volgende dagen en tijden in het restaurant werkzaam zult zijn:

Maandag: vrij

Dinsdag: 12.00- 19.00

Woensdag: 12.00-19.00

Donderdag: 17.00 - sluit

Vrijdag: 12.00- 19.00

Zaterdag: 18.00- sluit

Zondag: vrij

Wij gaan ervan uit dat we in de toekomst op je aanwezigheid kunnen rekenen en de samenwerking zonder problemen zal verlopen."

Gedaagde heeft bezwaar gemaakt tegen dit rooster omdat dit in strijd was met de afspraak over de vaste werktijden. Hij heeft zich op woensdag 1 maart 2000 om 9.00 uur op het werk gemeld. Hij werd toen weggestuurd met de mededeling dat hij volgens het rooster om 12.00 uur moest komen werken. Dit heeft de werkgever bij brief van 1 maart 2000 bevestigd, met de toevoeging dat als gedaagde niet om 12.00 uur zou komen werken dat beschouwd werd als genomen ontslag per 1 maart 2000. Gedaagde heeft zich vervolgens om 12.00 uur gemeld en heeft zich na ongeveer een uur weer ziek gemeld, omdat hij, naar hij stelt, de door de gang van zaken veroorzaakte spanningen niet verdroeg. Op

2 maart 2000 heeft hij zich met een brief van de Arbo-dienst weer om 9.00 uur gemeld en werd hij opnieuw weggestuurd om volgens het rooster te gaan werken. De ziekmelding is na een spoedcontrole op verzoek van de werkgever niet geaccepteerd. Bij brief van

3 maart 2000 heeft de werkgever meegedeeld dat gedaagde op die dag zijn werk om 17.00 uur had moeten beginnen en dat hij die middag en avond zonder enig bericht niet is verschenen, en dat hij ook op 3 maart 2000 niet is verschenen. De werkgever accepteerde dat gedrag niet en zette de loonbetaling per 2 maart 2000 stop, aldus die brief.

Bij verzoekschrift van 3 maart 2000 heeft de werkgever de kantonrechter verzocht de arbeidsovereenkomst te ontbinden. Aan dat verzoek is ten grondslag gelegd frequent verzuim, met name sinds begin 1999, en regelmatige overtreding van de controlevoor-schriften, alsmede het zonder bericht niet verschijnen op het werk ondanks de hersteld-verklaring per 29 februari 2000 en het niet-verschijnen op het werk zonder enig bericht na niet-acceptatie van de ziekmelding. Bij het verweerschrift namens gedaagde is er in de eerste plaats op gewezen dat gedaagde zijn werk altijd goed heeft gedaan. Hij heeft be-streden dat hij zich niet aan de controlevoorschriften hield, met uitzondering van één ge-val dat telefonisch is opgelost. Hij heeft benadrukt dat de werkgever gedaagde, in strijd met de gemaakte afspraken over vaste werktijden, zonder overleg heeft ingeroosterd vol-gens een voor hem niet acceptabel rooster en dat daarover geen discussie mogelijk was. De onregelmatige diensten en het gebrek aan overleg waren oorzaak van het probleem met de werkgever. Bij beschikking van 26 april 2000 heeft de kantonrechter aangenomen dat de arbeidsverhouding grondig was verstoord en hij heeft de arbeidsovereenkomst met ingang van 10 mei 2000 ontbonden met toekenning van een vergoeding van € 3.194,60

(f 7.040,--) bruto aan gedaagde.

Bij besluit van 17 mei 2000 heeft appellant in verband met de toegekende ontbindings-vergoeding de eerste werkloosheidsdag gesteld op 1 juni 2000. Per die datum is de WW-uitkering blijvend geheel geweigerd op de grond dat gedaagde verwijtbaar werkloos is geworden. Daarbij is overwogen dat het ontslag is aangevraagd omdat gedaagde niet volgens het door de werkgever opgelegde rooster wilde werken, dat uit de gegevens blijkt dat gedaagde volgens zijn arbeidsovereenkomst en de algemene voorwaarden verplicht was om volgens het door de werkgever opgestelde rooster te werken, en dat gedaagde, door het niet gaan werken volgens het rooster maar zich ziek te melden en na de directe hersteldverklaring niet te komen werken volgens rooster, de zaak op de spits heeft ge-dreven hetgeen in een ontslag resulteerde.

Bij het op bezwaar genomen besluit van 30 augustus 2000 heeft appellant zijn standpunt gehandhaafd. Daarbij is tevens overwogen dat de werkgever geen overleg hoefde te plegen met de werknemers voor de vaststelling van het werkrooster, dat gedaagde zich duidelijk niet aan de arbeidsovereenkomst hield door zich niet aan het rooster te houden en zich ziek te melden. Van gedaagde had verwacht mogen worden dat hij zich zodanig opstelde dat communicatie met de werkgever mogelijk bleef. Hij had zich neer kunnen leggen bij het nieuwe rooster en de werkgever kunnen verzoeken na te gaan of er mogelijkheden waren deze tijden weer te wijzigen in de toekomst. Indien dat niet mogelijk was had gedaagde vanuit de dienstbetrekking naar ander werk kunnen zoeken. Feiten en omstandigheden die tot verminderde verwijtbaarheid leiden, waren volgens appellant niet aanwijsbaar.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat appellant zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat gedaagde verwijtbaar werkloos is geworden. Zij heeft daartoe overwogen dat gedaagde door zijn opstelling naar aanleiding van de op

29 februari 2000 meegedeelde gewijzigde werktijden, verdere communicatie met de werkgever onmogelijk heeft gemaakt. De rechtbank laat daar of de werkgever al dan niet in strijd met de van toepassing zijnde CAO handelde door gedaagde reeds met ingang van 1 maart het gewijzigde rooster op te dragen. Van gedaagde had mogen worden verwacht dat hij zijn werk volgens dat rooster verrichtte. Hij had vervolgens kunnen trachten met de werkgever tot een compromis te komen ten aanzien van de werktijden of had een andere baan kunnen gaan zoeken. Van zodanige persoonlijke omstandigheden dat het voor gedaagde niet mogelijk was om op de door de werkgever gewenste tijden te werken, is de rechtbank niet gebleken. Voorts kan de rechtbank uit de verklaring van de huisarts van 30 maart 2000 niet afleiden dat gedaagde reeds op 1 maart 2000 dermate over-spannen was dat zijn houding tegenover de werkgever hem niet is toe te rekenen.

De rechtbank heeft vervolgens het bestreden besluit vernietigd op de grond dat appellant onvoldoende heeft onderzocht of het niet nakomen van de verplichting om niet verwijt-baar werkloos te worden gedaagde niet in overwegende mate kan worden verweten. Verwezen is naar de artikelen 24, eerste lid, onder a en artikel 24, tweede lid, onder a, in verbinding met artikel 27, eerste lid, van de WW. Naar het oordeel van de rechtbank had appellant meer in het bijzonder moeten onderzoeken of de werkgever zonder voorafgaand overleg een gewijzigd werkrooster kon opleggen. Verder is onvoldoende onderzocht in hoeverre de opstelling van de werkgever het gevolg is van een verstoorde arbeidsverhou-ding en zo ja, in hoeverre gedaagde daarvan een verwijt te maken is. Een dergelijk onder-zoek had temeer voor de hand gelegen omdat de stukken van de ontbindingsprocedure daarover geen uitsluitsel bieden. Uitgaande van afspraken omtrent aangepaste werktijden ontbreekt een motivering van de werkgever waarom daarin met ingang van maart 2000 verandering moest worden aangebracht.

Appellant richt zich in hoger beroep tegen het oordeel van de rechtbank omtrent de on-zorgvuldigheid van de besluitvorming en stelt dat de beëindiging van de dienstbetrekking gedaagde in overwegende mate kan worden verweten.

Namens gedaagde is het standpunt ingenomen dat geen sprake is van verwijtbare werkloosheid.

De Raad overweegt als volgt.

Hoewel gedaagde geen hoger beroep heeft ingesteld en de grieven van appellant zich niet richten tegen het oordeel van de rechtbank omtrent de verwijtbaarheid van de werkloos-heid maar alleen tegen het oordeel over de onzorgvuldigheid van de besluitvorming ter-zake van de vraag of de werkloosheid gedaagde in overwegende mate is te verwijten, acht de Raad, gelet op de verwevenheid van de onderscheiden onderdelen van het be-streden besluit, in hoger beroep het gehele besluit in geding.

Voor de Raad staat vast dat tussen gedaagde en zijn werkgever sedert augustus 1998 vaste werktijden overeengekomen zijn, dat de werkgever zonder met gedaagde te overleggen, eenzijdig het gewijzigd rooster per 1 maart 2000 heeft opgelegd en dat na het bezwaar van gedaagde over dat rooster geen discussie mogelijk was. Naar het oordeel van de Raad handelde de werkgever daarmee niet alleen in strijd met de van toepassing zijnde CAO voor het Horecabedrijf, maar ook in strijd met de verplichting op grond van artikel 7:611 van het Burgerlijk Wetboek om zich als een goed werkgever te gedragen. Daarbij heeft de Raad meegewogen dat sprake was van werkhervatting na een periode van arbeidsongeschiktheid en dat gedaagde op die manier ook geen gelegenheid heeft gekregen zijn privé-omstandigheden en de reden van niet-aanvaarding van dat rooster met de werkgever te bespreken. Anders dan door appellant is aangenomen is niet gebleken dat gedaagde op grond van zijn arbeidsovereenkomst dan wel “algemene voorwaarden” verplicht was om volgens het door de werkgever opgelegde rooster te gaan werken.

De reactie van gedaagde acht de Raad dan ook begrijpelijk en, ook al werd de ziekmel-ding door de Arbo-dienst niet geaccepteerd, uit een oogpunt van toepassing van de WW niet onaanvaardbaar. Dat laatste zou mogelijk anders kunnen zijn geweest indien vast-stond dat, zoals appellant heeft verondersteld, het opgelegde rooster alleen voor die week gold. Dat is weliswaar door de kantonrechter aangenomen, maar noch uit de stukken van de ontbindingsprocedure, voorzover die zich onder de stukken van het onderhavige geding bevinden, noch uit de beschikking blijkt op grond waarvan de kantonrechter dat als feit heeft aangenomen. Dat staat ook niet in de brief van 29 februari 2000 van de werkgever, naar appellant ter zitting van de Raad heeft erkend. Overigens ziet de Raad, gelet op de gedingstukken en het verhandelde te zijner zitting, geen of nauwelijks aanknopingspunten aanwezig voor de veronderstelling dat de werkgever genegen was op een later moment over het rooster te praten en met de belangen van zijn werknemer, zoals tevoren, rekening te houden.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen is de Raad tot het oordeel gekomen dat de per 1 juni 2000 ingetreden werkloosheid niet aan gedaagde verweten kan worden. De rechtbank heeft dan ook het bestreden besluit terecht vernietigd, zij het op minder ver-gaande gronden dan waartoe de Raad is gekomen.

De Raad acht termen aanwezig appellant te veroordelen in de aan de zijde van gedaagde gevallen kosten in hoger beroep, begroot op € 644,-- wegens verleende rechtsbijstand, vermeerderd met de reiskosten van gedaagde, begroot op € 9,46, totaal derhalve

€ 653,46.

Beslist wordt als hierna is aangegeven.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Veroordeelt appellant in de kosten van gedaagde in hoger beroep, begroot op totaal

€ 653,46, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;

Gelast dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een recht wordt geheven van € 409,--.

Aldus gegeven door mr. M.A. Hoogeveen als voorzitter en mr. H. Bolt en

mr. C.P.J. Goorden als leden, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2004

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) P. Boer.

RW204