Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AP4459

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-03-2004
Datum publicatie
30-06-2004
Zaaknummer
03/1054 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gelijkstelling met de vervolgde.

Wetsverwijzingen
Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

03/1054 WUV

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[eiseres], wonende te [woonplaats] (Israƫl), eiseres,

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Verweerster heeft onder dagtekening 16 december 2002, kenmerk JZ/R60/2002/0957, ten aanzien van eiseres een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Namens eiseres heeft mr. drs. C. Lamphen, advocaat te Utrecht, als haar gemachtigde tegen dit besluit bij de Raad beroep ingesteld op de in het beroepschrift aangevoerde gronden.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 13 januari 2004 heeft de gemachtigde van eiseres de Raad nog een door de moeder van eiseres opgestelde beschrijving van haar eigen leven doen toekomen.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 29 januari 2004. Voor eiseres is daar verschenen haar gemachtigde mr. drs. C. Lamphen voornoemd, terwijl verweerster zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. A. den Held, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. MOTIVERING

Eiseres, geboren in oktober 1943 in Zwitserland, heeft in januari 2001 bij verweerster een aanvraag ingediend om als vervolgde in aanmerking te worden gebracht voor voor-zieningen krachtens de Wet. Deze aanvraag heeft verweerster afgewezen bij besluit van 31 oktober 2001, zoals na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, op de grond dat eiseres geen vervolging heeft ondergaan als bedoeld in artikel 2 van de Wet en dat de omstandigheden waaronder eiseres de oorlogsjaren heeft meegemaakt niet zodanig uitzonderlijk zijn dat het niet toepassen van de Wet in haar geval een klaarblijkelijke hardheid zou zijn, zodat verweerster haar niet met toepassing van artikel 3, tweede lid, van de Wet kan gelijkstellen met de vervolgde.

Verweerster heeft zich daarbij voorts op het standpunt gesteld dat eiseres moet worden gerekend tot de naoorlogse generatie voor welke de wetgever met de wijziging van laatstgenoemde bepaling ingaande 15 juli 1994 (Wet van 7 juli 1994, Stb. 519) de toegang tot de Wet uitdrukkelijk heeft beoogd te sluiten.

Eiseres heeft in beroep tegen dat besluit doen aanvoeren dat zij ten onrechte door verweerster gerekend wordt tot de naoorlogse generatie nu zij in niet-bezet gebied is geboren, omdat geen rekening is gehouden met de omstandigheid dat zij is geboren in een kamp voor "displaced persons" in Morgin in Zwitserland. Eiseres acht de omstandig-heden waaronder zij in de oorlogsjaren heeft geleefd zodanig vergelijkbaar met vervolging dat zij het een kennelijke hardheid vindt indien zij niet wordt gelijk gesteld.

De Raad staat voor de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen namens eiseres in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden. Die vraag beantwoordt de Raad bevestigend.

Gezien het beroepschrift en het verhandelde ter zitting is niet in geschil dat eiseres geen vervolging in de zin van de Wet heeft ondergaan.

Ingevolge artikel 3, tweede lid, van de Wet kan verweerster niettemin de persoon die voldoet aan de vereisten, bedoeld in het eerste lid, en tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 in omstandigheden verkeerde welke overeenkomst vertonen met de vervolging, met de vervolgde gelijkstellen, indien het niet toepassen van de Wet ten aanzien van deze persoon een klaarblijkelijke hardheid zou zijn.

Namens eiseres wordt gesteld dat van omstandigheden als hier bedoeld sprake was, omdat het feit dat eiseres niet in Nederland geboren is, uitsluitend is toe te schrijven aan het onrechtmatige handelen van de Duitse bezetter, waardoor de ouders van eiseres moesten vluchten. Voorts acht zij van belang dat het in Zwitserland ging om een gedwongen verblijf in een vluchtelingenkamp.

Met verweerster is de Raad evenwel van oordeel dat het verblijf in een kamp voor "displaced persons" in Morgin niet kan worden beschouwd als het verkeerd hebben in op vervolging gelijkende omstandigheden, omdat, nog daargelaten of eiseres inderdaad zelf in dat kamp heeft verbleven, hier niet gesproken kan worden van een situatie waarin eiseres heeft blootgestaan aan terreur van de bezetter.

Ook met betrekking tot een eventuele gelijkstelling met de vervolgde in verband met bij eiseres aanwezige tweede-generatieproblematiek acht de Raad verweersters opvatting dat die gelijkstelling in het geval van eiseres niet mogelijk is, in overeenstemming met een redelijke uitleg van artikel 3, tweede lid, van de Wet, zoals deze bepaling sinds 15 juli 1994 luidt.

Eiseres heeft haar aanvraag ingediend na laatstgenoemde datum waarop de Wet voor de zogenoemde naoorlogse generatie gesloten is. Als gevolg van deze wetswijziging zou tweede generatieproblematiek bij een medische beoordeling nog slechts kunnen worden (mee-)gewogen ten aanzien van personen die tenminste de bezetting daadwerkelijk hebben meegemaakt. Kinderen die, als eiseres, zijn geboren in bevrijd of in niet-bezet gebied en ten aanzien van wie die situatie zich dus niet voordoet, worden door verweerster dan ook terecht gerekend tot de naoorlogse generatie.

Het beroep dat de gemachtigde van eiseres doet op een eerder geval, waarin door verweerster in de omstandigheid dat de betrokkene was geboren in niet bezet Engeland geen beletsel is gezien om diens aanvraag voor toepassing van antihardheid in verband met tweede generatieproblematiek voor te leggen aan de medische dienst, moet worden verworpen. Verweerster heeft, zoals zij aangeeft, in die zaak een fout gemaakt, waarop zij nadien niet meer ten nadele van de betrokkene heeft willen teruggekomen, en verweerster is, naar het oordeel van de Raad, niet gehouden die fout te herhalen in het geval van eiseres.

Het bovenstaande brengt mee dat het namens eiseres ingestelde beroep ongegrond moet worden verklaard.

De Raad acht tenslotte geen termen aanwezig om met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht een der partijen te veroordelen in de proceskosten.

Beslist wordt derhalve als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en mr. G.L.M.J. Stevens en mr. H.R. Geerling-Brouwer als leden, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2004.

(get.) C.G. Kasdorp.

(get.) J.P. Schieveen.