Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AP4171

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-03-2004
Datum publicatie
24-06-2004
Zaaknummer
03/240 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Berekeningsbeschikking met betrekking tot de hernieuwde vaststelling van de hoogte van het Indonesische R.I.-pensioen is een (zelfstandig) besluit.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Algemene wet bestuursrecht 7:1
Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 19
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

03/240 WUV

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[eiser], wonende te [woonplaats]r (Indonesiƫ), eiser,

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Op bij beroepschrift uiteengezette gronden heeft eiser bij de Raad beroep ingesteld tegen een onder dagtekening 31 oktober 2002, kenmerk JZ/U80/2002/0813, door verweerster genomen besluit.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 29 januari 2004. Daar is eiser niet verschenen en heeft verweerster zich doen vertegenwoordigen door mr. A. den Held, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. MOTIVERING

Blijkens de gedingstukken is eiser door verweerster bij besluit van 14 oktober 1998 gelijkgesteld met de vervolgde in de zin van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet) en is aan hem met ingang van 1 april 1997 een periodieke uitkering toegekend.

Bij berekeningsbeslissing van 31 maart 2002 heeft verweerster de aan eiser toegekende periodieke uitkering voorlopig berekend over de periode van 1 januari 2002 tot 1 maart 2002 en daarbij op die uitkering volledig in mindering gebracht het aan eiser toekomende Indonesische R.I.-pensioen.

In het tegen dat besluit ingediende bezwaar heeft eiser aangevoerd dat het bedrag dat op zijn uitkering in mindering wordt gebracht als zijnde het aan hem toekomende Indonesische R.I.-pensioen en dat door verweerster ook over 2001 werd gehanteerd, te hoog is vastgesteld. Ter ondersteuning van zijn bezwaar heeft eiser inkomengegevens overgelegd.

Verweerster heeft dat bezwaar bij het thans bestreden besluit niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat met de berekeningsbeschikking van 31 maart 2002 geen nieuwe of nadere beslissing is genomen en derhalve geen sprake is van een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zodat eiser niet in zijn bezwaar kan worden ontvangen.

De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Dienaangaande overweegt de Raad als volgt.

De systematiek van de Wet brengt met zich mee dat bij de vaststelling van de inkomsten welke op grond van artikel 19 van de Wet op de periodieke uitkering in mindering moeten worden gebracht, in een geval als het onderhavige waarin sprake is van inkomsten die op een geheel jaar betrekking hebben, wordt uitgegaan van een jaarbenadering. Dit houdt in dat het te korten bedrag vanwege inkomsten jaarlijks (opnieuw) wordt vastgesteld.

Anders dan verweerster is de Raad dan ook van oordeel dat met de berekeningsbeschikking van 31 maart 2002 met betrekking tot de hernieuwde vaststelling van de hoogte van het R.I.-pensioen een (zelfstandig) besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb voor ligt en derhalve ingevolge artikel 7:1 van de Awb tegen dat besluit het rechtsmiddel van bezwaar openstaat.

Vervolgens ziet de Raad zich voor de vraag gesteld of gelet op de berekeningsbeschik-king van 31 december 2002, waarbij verweerster gelet op de door eiser overgelegde inkomensgegevens de korting vanwege het R.I.-pensioen over de hier aan de orde zijnde periode naar beneden heeft bijgesteld, eiser nog enig (materieel) belang heeft bij inhoudelijke beoordeling. De Raad beantwoordt die vraag bevestigend, daar er (mogelijk) sprake is van rentederving.

Gelet op het vorenstaande dient het beroep van eiser gegrond te worden verklaard en het besluit te worden vernietigd.

Gezien de bijzondere wijze waarop het griffierecht in dezen is betaald, te weten door de Pensioen- en Uitkeringsraad, ziet de Raad termen aanwezig aan artikel 8:74 van de Awb geen toepassing te geven.

De Raad is, ten slotte, niet gebleken van kosten die op grond van artikel 8:75 van de Awb voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslist wordt derhalve als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het bestreden besluit;

Bepaalt dat verweerster een nieuw besluit zal nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter, mr. G.L.M.J. Stevens en mr. H.R. Geerling-Brouwer als leden, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2004.

(get.) C.G. Kasdorp.

(get.) J.P. Schieveen.