Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AP3241

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-04-2004
Datum publicatie
24-06-2004
Zaaknummer
03/1924 WUBO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Dreiging van brandstichting met begin van uitvoering (klaarstaande petroleumblikken) door extremisten tijdens de Bersiap en aansluitende confrontatie met de gevolgen slachtpartij tijdens vlucht zijn ten onrechte niet aanvaard als calamiteiten in de zin van de Wet. Aan het medisch causaliteitsoordeel van verweerster is aldus de feitelijke grondslag deels ontvallen, doch de medische gegevens zijn voldoende voor een eindoordeel daarover door de rechter zelf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

03/1924 WUBO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Onder dagtekening 28 februari 2003, kenmerk JZ/Z/2003/89, heeft verweerster ten aanzien van eiseres een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Tegen dit besluit heeft eiseres bij de Raad beroep ingesteld. In een aanvullend beroepschrift is uiteengezet waarom eiseres zich met het bestreden besluit niet kan verenigen.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 19 februari 2004. Aldaar is eiseres niet verschenen, terwijl verweerster zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. T.R.A. Dircke, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. MOTIVERING

In maart 2001 heeft eiseres, geboren in 1936 in het voormalige Nederlands-Indië, een aanvraag ingediend om krachtens de Wet te worden erkend als burger-oorlogsslachtoffer en in aanmerking te worden gebracht voor, onder meer, een periodieke uitkering. Daartoe heeft eiseres aangevoerd dat zij ten gevolge van haar oorlogservaringen in het voormalige Nederlands-Indië gezondheidsklachten, waaronder psychische klachten, heeft gekregen. In dit verband heeft eiseres als relevante oorlogservaringen aangevoerd:

Tijdens de Japanse bezetting:

1) het met andere kinderen moeten toezien hoe bij een man, om een voorbeeld te stellen, door de Japanners de vingers van een hand werden afgehakt omdat hij zich zou hebben schuldig gemaakt aan diefstal;

Tijdens de naoorlogse periode van ongeregeldheden (Bersiapperiode):

2) de omsingeling, kort na de capitulatie van Japan, door extremisten van het woonhuis te Bandoeng waar het gezin toen verbleef met de duidelijke intentie, getuige de reeds klaargezette petroleumblikken, om het huis in brand te steken, welk voornemen alleen daarom niet werd uitgevoerd omdat op dat moment een overstroming plaatsvond tengevolge van het opblazen van een sluis;

3) de aansluitende vlucht van het gezin naar het hotel Preanger waar Engelse soldaten zaten, waarbij zij werden geconfronteerd met vele doden en gewonden als gevolg van een door de extremisten kort tevoren aangerichte slachtpartij;

4) beschietingen tijdens de evacuatie door de Engelsen naar een kamp te Bandoeng.

Bij besluit van 26 april 2002, zoals na daartegen gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft verweerster op deze aanvraag afwijzend beslist. Daartoe is overwogen, samengevat, dat niet is komen vast te staan dat er sprake was van levensbedreigende omstandigheden voorafgaand aan of tijdens de evacuatie naar een beschermingskamp tijdens de Bersiapperiode, en voorts dat de bij eiseres bestaande psychische klachten slechts in geringe mate samenhangen met de op zich wel aanvaarde calamiteit tijdens de Japanse bezetting, zodat van invaliditeit in de zin van de Wet niet kan worden gesproken.

De door eiseres naar voren gebrachte lichamelijke klachten ziet verweerster niet in het door de Wet vereiste verband staan met de oorlogservaringen van eiseres.

In bezwaar en beroep heeft eiseres aangevoerd - samengevat - dat verweerster de ernst van de hiervoor onder 2 en 3 genoemde gebeurtenissen tijdens de Bersiapperiode en de traumatische gevolgen daarvan voor haar psychische gezondheid geheel verkeerd heeft beoordeeld en aldus ten onrechte heeft geoordeeld dat geen sprake is van causale psychische invaliditeit in de zin van de Wet.

De Raad staat voor de vraag of, gelet op hetgeen eiseres in beroep heeft aangevoerd, het bestreden besluit in rechte kan standhouden.

Die vraag beantwoordt de Raad op de hierna volgende gronden ontkennend.

Blijkens de gedingstukken zijn de door eiseres gemelde omsingeling van hun huis en de poging tot brandstichting door de extremisten bevestigd door haar broer T. Vollmer (geb. 1935) en haar zus J.E. Denis-Vollmer (geb. 1937). Op grond van die getuigenissen en de eigen verklaringen van eiseres, bezien in onderling verband met de onder de geding-stukken aanwezige historische documentatie waaruit blijkt dat toentertijd te Bandoeng voor de Nederlanders een zeer kritieke situatie was ontstaan, acht de Raad - anders dan verweerster - wel voldoende aannemelijk dat hier sprake is geweest van een dermate ernstige, direct tegen (het gezin van) eiseres gerichte bedreiging door de extremisten, met ook een begin van uitvoering, dat van directe betrokkenheid bij ongeregeldheden in de zin als bedoeld in artikel 2, eerste lid onder f, van de Wet dient te worden gesproken.

Op overeenkomstige wijze oordeelt de Raad over de aansluitende - door de genoemde zus van eiseres bevestigde - confrontatie met de gevolgen van een door de extremisten aangerichte slachtpartij tijdens de vlucht naar het hotel Preanger.

Bij de beoordeling van de vraag of bij eiseres tengevolge van de meegemaakte oorlogsgebeurtenissen sprake is van invaliditeit in de zin van de Wet heeft verweerster wel acht geslagen op het in bezwaar, naar aanleiding van een door de psychiater C.M.M. Vleugels verrichte expertise uitgebrachte, voor eiseres positieve advies van haar geneeskundig adviseur A.J. Maas, doch is daarvan afgeweken. Daartoe heeft verweerster blijkens de gedingstukken en de ter zitting van de Raad verstrekte toelichting laten wegen, dat uit de rapportage van de psychiater Vleugels valt af te leiden dat de invloed van de door verweerster aanvaarde calamiteit (hierboven genoemd onder 1) dermate gering is in verhouding tot de aan andere niet-geverifieerde oorlogsgebeurtenissen en andere levenservaringen - waaronder een verkrachting - toe te schrijven invloed op de geestelijke gezondheid van eiseres, dat causale invaliditeit niet - ook niet met toepassing van het zogenoemde SOT-beleid - kan worden aanvaard.

De Raad stelt vast - daargelaten of verweerster in dit geval, gelet op 's Raads jurisprudentie op dit punt, wel gerechtigd was om op basis van een eigen beoordeling van een medisch advies af te wijken - dat aan deze visie in verband met hetgeen hierboven door de Raad is overwogen omtrent aard en omvang van de voor de toepassing van de Wet in aanmerking te nemen oorlogscalamiteiten, de feitelijke grondslag deels is ontvallen.

De Raad is verder echter van oordeel dat de voorhanden medische gegevens voldoende inzicht en houvast bieden om ten aanzien van de vraag of bij eiseres - uitgaande van de in deze uitspraak nader vastgestelde aard en omvang van de voor toepassing van de Wet in aanmerking te nemen oorlogscalamiteiten - sprake is van causale psychische invaliditeit, thans tot een eindoordeel te komen.

Voor dit eindoordeel acht de Raad doorslaggevend dat in het - door verweersters geneeskundig adviseur gevolgde - expertiserapport van de psychiater Vleugels is aangeven dat in de pathogenese van de psychopathologie van eiseres weliswaar een groot aandeel toekomt aan de negatieve seksueel grensoverschrijdende ervaringen en de gezinsomstandigheden, maar dat ook de genoemde oorlogservaringen een aanmerkelijke (verergerende) rol hebben gespeeld. Bij die ervaringen heeft deze psychiater ook de door verweerster (toen) niet als calamiteit in de zin van de Wet aanvaarde oorlogservaringen al laten meewegen. Voorts geeft deze psychiater aan dat een valide kwantificering in de genese per ervaring niet mogelijk is maar dat in de inkleuring van de herbelevingen en angsten van eiseres de oorlogscalamiteiten zijn terug te vinden.

Naar het oordeel van de Raad moet hieruit worden afgeleid dat bij eiseres sprake is van een zodanige (verergerende) invloed van de voor toepassing van de Wet in aanmerking te nemen oorlogscalamiteiten op de psychische gezondheid, dat een causale psychische invaliditeit als bedoeld in artikel 2 van de Wet dient te worden aanvaard.

Het voorgaande brengt de Raad tot de slotsom dat de in het bestreden besluit gehandhaafde afwijzing van de aanvraag van eiseres - voorzover betreffende de beoordeling van de psychische klachten van eiseres - berust op een ondeugdelijke grondslag en dat het bestreden besluit deswege, als strijdig met het bepaalde in artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), moet worden vernietigd.

De Raad is niet gebleken van kosten, aan de zijde van eiseres gevallen, welke voor vergoeding op grond van artikel 8:75 van de Awb in aanmerking komen.

Beslist wordt als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het bestreden besluit, voorzover in beroep aangevochten;

Bepaalt dat verweerster een nieuw besluit zal nemen met in achtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

Bepaalt dat de Pensioen- en Uitkeringsraad aan eiseres het in dit geding betaalde griffierecht ad € 27,-- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en mr. G.L.M.J. Stevens en mr. H.R. Geerling-Brouwer als leden, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 1 april 2004.

(get.) C.G. Kasdorp.

(get.) E. Heemsbergen.