Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AP3225

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-05-2004
Datum publicatie
22-06-2004
Zaaknummer
02/724 NABW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet gebleken is van enig resterend belang bij een oordeel van de Raad over het onderhavige bijstandbesluit zodat het hoger beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

02/724 NABW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Doetinchem, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellante heeft mr. J.J. van der Woude, werkzaam bij het Buro Rechtshulp te Zutphen, op bij beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Zutphen op 20 december 2001 tussen partijen gewezen uitspraak, reg.nr. 01/916 NABW 58, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 18 februari 2004, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Van der Woude, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door H. te Hennepe, werkzaam bij de gemeente Doetinchem.

II. MOTIVERING

Bij besluit van 24 november 2000 heeft gedaagde aan appellante met ingang van

24 augustus 2000 een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) toegekend. Tevens is een maatregel opgelegd in de vorm van verlaging van de uitkering tot 100% over de periode van 24 augustus 2000 tot 24 september 2000 wegens het door eigen toedoen niet behouden van arbeid in dienstbetrekking.

Bij besluit van 23 mei 2001 is appellantes bezwaar, voor zover gericht tegen de opgelegde maatregel, gedeeltelijk gegrond verklaard en is over de periode van 24 augustus 2000 tot 24 september 2000 alsnog een maatregel tot verlaging van de uitkering met 50% opgelegd. Appellantes bezwaar tegen de ingangsdatum van de

Abw-uitkering is door gedaagde ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft appellantes beroep tegen het besluit van 23 mei 2001 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hiertoe -samengevat- overwogen dat gedaagde terecht de Abw-uitkering niet eerder dan op 24 augustus 2000 heeft laten ingaan en voorts dat gedaagde, gelet ook op de uitspraak van de rechtbank inzake appellantes recht op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet (WW), terecht tot het oordeel heeft kunnen komen dat op appellantes bijstandsuitkering een maatregel van 50% gedurende een maand vanwege het door eigen toedoen niet behouden van arbeid in dienstbetrekking, diende te worden opgelegd.

Appellante heeft zich tegen de uitspraak van de rechtbank gekeerd en verzocht te bepalen dat zij recht heeft op een ongekorte bijstandsuitkering.

De Raad overweegt als volgt.

Gelet op zijn uitspraak inzake appellantes recht op WW-uitkering, reg.nr. 01/4842 WW, in welke uitspraak de Raad onder meer heeft bepaald dat in het kader van appellantes aanspraken op een WW-uitkering met ingang van 16 juni 2000 er door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen ten onrechte van uit is gegaan dat appellante door eigen toedoen geen passende arbeid heeft behouden en er bijgevolg ten onrechte een maatregel op haar WW-uitkering is opgelegd, stelt de Raad vast dat niet is gebleken van enig nog resterend belang van appellante bij een oordeel van de Raad over het besluit van 23 mei 2001. Dit betekent dat het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard dient te worden.

De Raad acht op grond van het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht termen aanwezig gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,-- voor in beroep verleende rechtsbijstand en op € 644,-- voor in hoger beroep verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante tot een bedrag groot € 1.288,-- te betalen door de gemeente Doetinchem;

Bepaalt dat de gemeente Doetinchem aan appellante het betaalde griffierecht van in totaal € 109,23 (€ 27,23 + € 82,--) vergoedt.

Aldus gegeven door mr. M.A. Hoogeveen als voorzitter, en mr. C.P.J. Goorden en mr. H.G. Rottier als leden, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier en uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2004.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) M.D.F. de Moor.

RB1805