Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AP3134

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-05-2004
Datum publicatie
22-06-2004
Zaaknummer
03/146 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Medische besluitenregeling; opleggen van een maatregel; proceskostenveroordeling.

Wetsverwijzingen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 28, geldigheid: 2004-05-18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2004/236

Uitspraak

03/146 WAO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

Aan het geding heeft voorts deelgenomen [naam werknemer], wonende te [woonplaats], hierna te noemen: de werknemer.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 22 november 2000, hierna: besluit 1, heeft gedaagde in aansluiting op de wettelijke wachttijd van 52 weken, in dit geval met ingang van 8 januari 2001, aan de werknemer een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheids- verzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Bij besluit van 19 februari 2001, hierna: besluit 2, heeft gedaagde de werknemer met ingang van 7 februari 2001 ongewijzigd ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse 80 tot 100%.

Bij besluit van 9 mei 2001 heeft gedaagde de namens appellante door mr. J.P.M. van Zijl, advocaat te Tilburg, tegen de besluiten 1 en 2 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

De rechtbank Almelo heeft bij uitspraak van 27 november 2002, registratienummer 01 / 499 WAO V1 A, het namens appellante ingestelde beroep tegen het besluit van 9 mei 2001, hierna: het bestreden besluit, ongegrond verklaard.

Namens appellante is op bij aanvullend beroepschrift - met bijlagen - aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen die uitspraak.

Mr. M.J. Klinkert, advocaat te Utrecht, heeft zich als (opvolgend) gemachtigde van de werknemer gesteld.

Desgevraagd heeft de gemachtigde van de werknemer de Raad doen weten dat deze als partij aan het geding in hoger beroep wenst deel te nemen. Tevens is meegedeeld dat de werknemer geen toestemming geeft om zijn medische gegevens aan appellante ter kennisname te brengen.

Namens de werknemer is geen gebruik gemaakt van de hem geboden gelegenheid om, naar aanleiding van het namens appellante ingediende aanvullende beroepschrift, een schriftelijke uiteenzetting over de zaak te geven.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 6 april 2004, waar voor appellante is verschenen mr. Van Zijl, voornoemd, en waar namens gedaagde is verschenen mr. D.H. Harben, werkzaam bij het Uwv. De werknemer is noch in persoon, noch bij gemachtigde verschenen.

II. MOTIVERING

De feiten en omstandigheden van het onderhavige geval, voor zover van belang voor de oordeelsvorming van de Raad, laten zich als volgt weergeven.

De werknemer is begin januari 2000 wegens psychische klachten uitgevallen voor zijn werkzaamheden als chauffeur in dienst van appellante. Naar blijkt uit diens rapport van 17 oktober 2000, heeft de verzekeringsarts van gedaagde bij onderzoek in oktober 2000, waarvan ook deel uitmaakte het inwinnen van informatie bij de behandelend sector, vastgesteld dat ten aanzien van de werknemer, in verband met diens ernstige psychische problematiek, sprake is van onvermogen tot persoonlijk en sociaal functioneren, zodat hij op dat moment - op medische gronden - als volledig arbeidsongeschikt dient te worden aangemerkt. Uit een verzekeringsgeneeskundig rapport van 16 januari 2001 kwam naar voren dat bij een ongeveer drie maanden na het eerste onderzoek ingesteld heronderzoek de psychische gezondheidssituatie van de werknemer niet wezenlijk was gewijzigd. Gegeven die uitkomsten heeft gedaagde de werknemer bij besluit 1 met ingang van 8 januari 2001 een WAO-uitkering toegekend, berekend naar een volledige mate van arbeidsongeschiktheid en bij besluit 2 met ingang van 7 februari 2001 de indeling in de hoogste arbeidsongeschiktheidsklasse gehandhaafd. Bij het bestreden besluit zijn de bezwaren van appellante tegen deze beide besluiten ongegrond verklaard.

Van de zijde van appellante wordt op zich niet betwist dat de werknemer op de beide in geding zijnde data volledig arbeidsongeschikt is te achten. Aangevoerd wordt evenwel dat gedaagde met toepassing van het bepaalde in artikel 28, aanhef en onder c, van de WAO uitkering aan de werknemer had dienen te weigeren, om reden dat hij zich naar de zienswijze van appellante - door voortzetting van zijn cannabisgebruik - schuldig heeft gemaakt aan gedragingen waardoor zijn genezing wordt belemmerd.

De rechtbank heeft in dit verband, samengevat weergegeven, overwogen dat hetgeen uit de omtrent de werknemer beschikbare (verzekeringsgeneeskundige) rapportages naar voren komt onvoldoende aanleiding vormt om aan te nemen dat hij zijn genezing heeft belemmerd. Uit het feit dat de verzekeringsarts van gedaagde bij het eerste onderzoek in oktober 2000 aan de werknemer het voordeel van de twijfel heeft gegund - in de hoop dat hij zelf initiatief zou ontplooien en stappen zou ondernemen om zijn situatie te verbeteren - volgt naar het oordeel van de rechtbank nog niet dat hij zijn genezing heeft belemmerd. Hooguit kan volgens de rechtbank worden geconcludeerd dat hieromtrent enige twijfel mogelijk is. Bovendien heeft de werknemer naar aanleiding van het besprokene tijdens het eerste onderzoek in oktober 2000 wederom contact gezocht met zijn behandelaar. Uit het tweede onderzoeksverslag van 16 januari 2001 kan, aldus de rechtbank, weliswaar worden opgemaakt dat (toekomstig) deficiënt herstelgedrag consequenties zal hebben voor de uitkomst van de herbeoordeling, maar daaruit volgt nog niet dat reeds sprake is geweest van dergelijk gedrag.

Voorts heeft de rechtbank, onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 13 februari 2002, onder meer gepubliceerd in RSV 2001/130 en USZ 2002/101, het standpunt van appellante verworpen dat gedaagde ten onrechte in de bezwaarfase toepassing heeft gegeven aan de zogeheten medische besluitenregeling als neergelegd in hoofdstuk VII, paragraaf 2, van de WAO. Eveneens heeft de rechtbank, onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 20 juli 2001, onder meer gepubliceerd in RSV 2001/105 en USZ 2001/199, de opvatting van appellante verworpen dat ook bij toepassing van artikel 8:32, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) - zoals geschied - nog steeds niet kan worden voldaan aan de vereisten van artikel 6 van het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (Trb. 1951,154).

In hoger beroep heeft appellante in de eerste plaats haar grieven van principiële aard met betrekking tot de medische besluitenregeling alle herhaald. Van de zijde van appellante is ter zitting - desgevraagd - aangegeven dat appellante bekend is met de uitspraken van de Raad - waaronder de beide in de aangevallen uitspraak vermelde uitspraken - waarin die grieven zijn beoordeeld, maar dat zij deze niettemin wenst te handhaven. De Raad volstaat daarom met de overweging dat in hetgeen van de zijde van appellante is aangevoerd geen aanknopingspunten zijn gelegen, en ook overigens van zodanige aanknopingspunten niet is kunnen blijken, om terug te komen van het in evenbedoelde uitspraken neergelegde oordeel, dan wel om in het onderhavige geval tot een andersluidend oordeel te komen dan in die uitspraken is neergelegd.

In reactie op hetgeen namens appellante dienaangaande naar voren is gebracht, merkt de Raad voorts nog op dat er geen aanleiding bestaat om het ervoor te houden dat de rechtbank niet in overeenstemming heeft gehandeld met het door de Raad in zijn uitspraak van 25 februari 1998, gepubliceerd in RSV 1998/106, neergelegde oordeel dat het eerste lid van artikel 88h van de WAO aldus moet worden toegepast dat de behandeling van het geding ter zitting in beginsel met gesloten deuren plaatsvindt, maar dat de rechter - ambtshalve of op verzoek van één of meer partijen - kan beslissen dat de behandeling ter zitting in het openbaar plaatsvindt. De rechtbank heeft partijen in een bijlage bij de kennisgeving van de zitting ook in deze zin geïnformeerd, conform hetgeen de Raad in evenvermelde uitspraak als aangewezen heeft bestempeld.

Voorts heeft appellante in hoger beroep haar standpunt gehandhaafd dat gedaagde ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan het bepaalde in artikel 28, aanhef en onder c, van de WAO. De Raad heeft in hetgeen daarbij namens appellante naar voren is gebracht geen aanknopingspunten gevonden om tot een ander oordeel te komen dan -hiervoor samengevat weergegeven- in de aangevallen uitspraak is neergelegd. De Raad kan zich volledig vinden in de overwegingen en het daarop gegronde oordeel van de rechtbank en maakt die overwegingen en dat oordeel tot de zijne. De Raad voegt daaraan nog toe dat, voor zover appellante haar stellingname doet steunen op het uitgangspunt dat cannabisgebruik bij psychische aandoeningen als de onderhavige immer genezingsbelemmerend werkt, die - overigens zeer vèrstrekkende - stelling niet aan de hand van enig medisch stuk is onderbouwd en reeds om die reden niet kan worden gevolgd. Voorts is ook in het onderhavige geval op grond van de beschikbare medische gegevens en rapporten niet gebleken van een zodanig genezingsbelemmerend effect van het cannabisgebruik van de werknemer op diens aandoening, dat gedaagde, aan wie ter zake overigens een zekere beoordelingsruimte dient te worden gelaten, gehouden zou moeten worden geacht om een maatregel als bedoeld in meergenoemde bepaling te treffen.

Ten slotte heeft appellante in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte geen proceskostenveroordeling heeft uitgesproken. In dit verband is naar voren gebracht dat appellante als gevolg van het in de eerder genoemde, onder meer in RSV 2002/130 en USZ 2002/101 gepubliceerde, uitspraak neergelegde oordeel gedwongen was om beroep in te stellen teneinde kennis te kunnen nemen van de medische gegevens betreffende de werknemer. Zoals de Raad vaker heeft overwogen vormt de onrechtmatigheid van het bestreden besluit, welke onrechtmatigheid vaststaat als de rechter dat besluit geheel of gedeeltelijk heeft vernietigd, als regel de grond voor de veroordeling tot vergoeding van de door de rechtzoekende gemaakte proceskosten. In hetgeen van de zijde van appellante is aangedragen ziet de Raad geen aanleiding voor het oordeel dat, in afwijking van die hoofdregel, de rechtbank een proceskostenveroordeling had dienen uit te spreken. Evenmin zijn er termen voor zodanige proceskostenveroordeling in hoger beroep.

De Raad beslist als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. J.W. Schuttel en mr. C.W.J. Schoor als leden, in tegenwoordigheid van J.W. Engelhart als griffier en uitgesproken in het openbaar op 18 mei 2004.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) J.W. Engelhart.