Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AP2751

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-05-2004
Datum publicatie
23-06-2004
Zaaknummer
02/1531 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Is voldoende rekening gehouden met de beperkingen van betrokkene?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

02/1531 WAO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 1 februari 2000 heeft gedaagde de uitkering van appellant ingevolge de Wet op de arbeidsongeschikt- heidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 21 maart 2000 ingetrokken, onder overweging dat de mate van appellants arbeidsongeschiktheid met ingang van die datum minder dan 15% was.

Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 16 augustus 2000, hierna: het bestreden besluit, heeft gedaagde dit bezwaar ongegrond verklaard.

De rechtbank ’s-Hertogenbosch heeft bij uitspraak van 3 januari 2002, kenmerk AWB 00/6825, het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

Namens appellant is mr. P.F.L.M. Verwey, werkzaam bij het Bureau Rechtshulp ‘s-Hertogenbosch, op bij aanvullend beroepschrift vermelde gronden van die uitspraak in hoger beroep gekomen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad op 13 april 2004, waar appellant en gedaagde, beiden met voorafgaand bericht, niet zijn verschenen.

II. MOTIVERING

Het bestreden besluit berust op het standpunt dat appellant op 21 maart 2000, de in geding zijnde datum, weliswaar beperkingen ondervond bij het verrichten van arbeid, maar met inachtneming van die beperkingen geschikt was voor werkzaamheden verbonden aan de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies.

In geding is de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

De rechtbank heeft die vraag in de aangevallen uitspraak bevestigend beantwoord en heeft daarbij gewezen op de in het dossier aanwezige medische gegevens, waarin de rechtbank voldoende aanknopingspunten heeft gevonden voor het oordeel dat door gedaagde ten aanzien van appellante een juist medisch oordeel ten aanzien van het verrichten van arbeid is aangenomen.

De van de zijde van appellant in bezwaar en beroep, en thans wederom in hoger beroep, aangevoerde grieven betreffen de medische grondslag van het bestreden besluit. Appellant is de mening toegedaan dat er onvoldoende rekening gehouden wordt met de beperkingen die hij ondervindt in zijn dagelijks leven, beperkingen die het hem ook onmogelijk zullen maken de voorgehouden functies te vervullen. De rugklachten, de artrose en de tremor hebben in de loop der jaren geleid tot een toename van het klachtenpatroon en vormen een ernstige beperking bij het gedurende langere tijd zitten en staan. De tremor leidt tot ernstige beperkingen in hand- en vingergebruik. De bezwaarverzekeringsarts heeft ten onrechte - omdat er geen aanwijsbare oorzaak voor de tremor te vinden was - geen beperking ten aanzien van het hand- en vingergebruik vastgesteld en heeft daardoor volgens appellant een onjuiste uitleg gegeven aan de richtlijn medisch arbeidsongeschiktheidscriterium (MAOC) waarin staat dat ook zonder diagnose beperkingen gesteld kunnen worden.

Evenals de rechtbank heeft de Raad in de in dit geding beschikbare medische en andere gegevens geen aan- knopingspunten gevonden te twijfelen aan de juistheid van het aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde medische oordeel. In zijn rapport van 28 oktober 1999 heeft verzekeringsarts C. Stoffels appellant beperkt geacht voor zware statische en lange statische rugbelasting en zware belasting van de knieën. Op basis van zijn eigen onderzoek schat Stoffels de klacht van het beven van de handen niet zodanig in dat op grond daarvan specifieke beperkingen zijn aan te geven. De bezwaarverzekeringsarts H.M.Th. Offermans heeft op grond van de verklaring van behandelend neuroloog

Th.P.J. Timmerhuis van 18 mei 2000 appellant op een aantal punten meer beperkt geacht dan Stoffels had aangenomen. In zijn schrijven van 2 januari 2001 heeft Timmerhuis verklaard de medische situatie sedert 13 januari 2000, de dag waarop hij appellant voor het eerst heeft gezien, onveranderd te achten en vanuit neurologisch opzicht geen reden te hebben appellant minder belastbaar te achten, hoewel de pijnklachten uiteraard wel beperkingen zullen geven. De Raad neemt in aanmerking dat van de zijde van appellant geen medische gegevens in het geding zijn gebracht die aanwijzingen bevatten voor het oordeel dat appellant in objectief-medische zin op de hier in geding zijnde datum ernstiger beperkt is te achten dan door gedaagdes verzekeringsartsen is aangenomen. Het is de Raad voorts niet gebleken dat de verzekeringsartsen hun beoordeling in het bijzonder wat betreft de tremor aan de handen, niet volgens de richtlijn MAOC zouden hebben uitgevoerd.

Op grond van het bovenstaande moet worden vastgesteld dat appellantes medische beperkingen niet zijn onderschat. Uitgaande van de juistheid van de vastgestelde belastbaarheid bestaat evenmin grond om ervan uit te gaan dat de aan appellant voorgehouden functies, voorzover na beoordeling in de bezwaarschriftprocedure nog gehandhaafd, voor hem in medisch opzicht niet geschikt zouden zijn.

Nu geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat het bestreden besluit in rechte geen stand kan houden, komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. J.W. Schuttel als voorzitter en mr. C.W.J. Schoor en mr. M.S.E. Wulffraat-van Dijk als leden, in tegenwoordigheid van drs. T.R.H. van Roekel als griffier en uitgesproken in het openbaar op 25 mei 2004.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) T.R.H. van Roekel.