Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AP2719

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-05-2004
Datum publicatie
22-06-2004
Zaaknummer
02/1554 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In geschil is de datum waarop de arbeidsongeschiktheid van betrokkene is ingetreden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

02/1554 WAO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoerings-organisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Namens appellant heeft mr. R.J.M. van den Broek, werkzaam bij De Unie, vakbond voor industrie en dienstverlening, op bij aanvullend beroepschrift (met bijlagen) aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Roermond onder dagtekening 8 februari 2002 tussen partijen gegeven uitspraak (reg.nr.: 01/920 WAO K1), waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft bij schrijven van 15 mei 2002 (met bijlagen) van verweer gediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 16 april 2004, waar appellant is verschenen bij zijn gemachtigde mr. Van den Broek, voornoemd, en waar gedaagde, met telefonische kennisgeving, niet is verschenen.

II. MOTIVERING

Appellant heeft van 25 oktober 1989 tot 1 augustus 1992 uitkeringen ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de arbeidsonge-schiktheidsverzekering (WAO) ontvangen, berekend naar een mate van arbeids-ongeschiktheid van 80 tot 100%. Vanaf laatstgenoemde datum heeft appellant deze uitkeringen ontvangen naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Per

1 januari 1993 zijn deze uitkeringen ingetrokken, omdat appellant zijn werkzaamheden bij zijn werkgever, het NCIV, Koepel voor Woningcorporaties B.V., had hervat. De kantonrechter heeft per 1 januari 1995 de arbeidsovereenkomst tussen appellant en zijn werkgever ontbonden, waarna appellant tot 1 januari 1999 een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet heeft ontvangen. Sedertdien ontving appellant van de gemeente [woonplaats] een bijstandsuitkering.

Bij brief van 28 december 1999 heeft appellant zich tot gedaagde gewend met het verzoek in zijn door hem als beroerd aangemerkte situatie een rechtvaardige oplossing te bewerkstelligen. De gemeente [woonplaats] heeft bij brief van 6 juli 2000 gedaagde verzocht te onderzoeken of appellant aan de WAO aanspraken kon ontlenen. De verzekeringsarts J.F.M.M. van der Hart is bij rapport van 8 november 2000, na ontvangst van inlichtingen van de behandelend cardioloog, tot de conclusie gekomen dat bij appellant per arbitrair gekozen datum van 1 december 1998 medische beperkingen voor het verrichten van arbeid aanwezig waren. Na onderzoek door de arbeidsdeskundige A.E.J. Charrois-Lenssen heeft gedaagde bij besluit van 17 januari 2001 met ingang van

30 november 1999, zijnde de datum waarop appellant een wachttijd van 52 weken had vervuld, aan hem een uitkering ingevolge de WAO toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%.

In de bezwaarfase van de besluitvorming heeft de bezwaarverzekeringsarts P.M.H-J. Tjen op basis van inlichtingen van de behandelende artsen bij rapport van 16 mei 2001 geconcludeerd dat er geen aanleiding was om de door de verzekeringsarts vastgestelde medische beperkingen onvoldoende te achten of om de aanvangsdatum van die beper-kingen verder in de tijd terug te leggen dan 1 december 1998. De bezwaararbeidsdes-kundige P.M.J. Kursten heeft bij rapport van 13 juni 2001 de arbeidskundige grondslag opnieuw beoordeeld en bijgesteld. Dit heeft niet geleid tot een indeling in een andere arbeidsongeschiktheidsklasse dan 65 tot 80%. Daarop heeft gedaagde bij het thans bestreden besluit van 5 juli 2001 zijn besluit van 17 januari 2001 gehandhaafd.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak als haar oordeel gegeven dat gedaagde het tijdstip van intreden van arbeidsongeschiktheid terecht heeft gesteld op

1 december 1998. Daartoe is als volgt overwogen waarbij appellant als eiser is aangeduid en gedaagde als verweerder:

"De rechtbank overweegt dat uit de beschikbare gegevens over eisers gezondheids-toestand in de periode 12 augustus 1994 tot 5 oktober 2000, waaronder de door eiser in bezwaar ingebrachte angiografische gegevens, naar voren komt dat eiser in deze periode (toenemende) rug-, hart- en arteriële klachten had. Gezien echter het feit dat deze klachten in het overgrote deel van de genoemde periode, ook niet na het vaststellen van de arteriële problematiek in 1999, voor eiser geen aanleiding hebben gevormd om zich arbeidsongeschikt te melden of een hernieuwde aanvraag voor een arbeidsongeschikt-heidsbeoordeling te doen - eiser heeft zich eerst bij brief van 28 december 1999 tot verweerder gewend met het verzoek een oplossing in zijn situatie te bewerkstelligen - is de rechtbank van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat eiser op 12 augustus 1994 reeds arbeidsongeschikt was. Nu eiser zich pas op eerdergenoemde datum tot verweerder heeft gewend, heeft dit tot gevolg dat de arbeidsongeschiktheid van eiser achteraf moet worden vastgesteld. Deze retrospectieve bepaling van het exacte tijdstip van het intreden van de arbeidsongeschiktheid draagt, gelet op de (ontwikkelende) aard van de medische problematiek van eiser, onvermijdelijk een enigszins arbitrair karakter. De rechtbank is van oordeel dat het risico van onduidelijkheid in gevallen van te late melding, zoals in casu, voor rekening van eiser dient te blijven. De rechtbank acht het in deze omstandig-heden dan ook aanvaardbaar dat verweerder het tijdstip van intreden van arbeidsonge-schiktheid heeft gesteld op 1 december 1998."

Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat het bestreden besluit op een deugdelijke arbeidskundige grondslag berust.

Mede gelet op het verhandelde ter zitting staat ook in hoger beroep de vraag centraal of bij het bestreden besluit er terecht van is uitgegaan dat de arbeidsongeschiktheid van appellant op 1 december 1998 is ingetreden. Evenals in eerste aanleg heeft appellant aangevoerd dat die arbeidsongeschiktheid al op 12 augustus 1994 was ingetreden toen hij zich bij zijn werkgever had ziekgemeld. Ter adstructie hiervan heeft appellant in hoger beroep een copie van zijn brief van 12 april 2001 aan de arbo-arts M. Stekelenburg ingezonden, waarin hij enige aan hem gedane mededelingen van deze arts bevestigt. Daaraan valt te ontlenen dat de bedrijfsarts appellant op 26 augustus 1994 naar aanleiding van een ziekmelding per 12 augustus 1994 heeft gezien. Voorts heeft appellant ter zitting desverzocht inzage gegeven in een van de bedrijfsarts ontvangen computeruitdraai betreffende deze ziekmelding. Daaruit heeft de Raad opgemaakt dat deze arts geen aanleiding zag appellant langer dan enige weken arbeidsongeschikt te achten.

Gelet hierop onderschrijft de Raad het oordeel van de rechtbank in die zin dat niet aannemelijk is geworden dat op 12 augustus 1994 een periode van arbeidsongeschiktheid is aangevangen die onafgebroken 52 weken heeft voortgeduurd.

Te minder reden ziet de Raad om het standpunt van appellant voor juist te houden, nu aan de in hoger beroep door gedaagde overgelegde gegevens met betrekking tot de in het najaar van 1994 gevoerde ontbindingsprocedure bij de Kantonrechter geen enkele aanwijzing valt te ontlenen dat appellant arbeidsongeschikt was dan wel dat hij heeft aangevoerd dat hij arbeidsongeschikt was. Naar het de Raad wil voorkomen was een dergelijke stellingname, indien overeenkomstig de feiten, in het kader van deze procedure voor appellant niet zonder belang geweest.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep geen doel treft en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. D.J. van der Vos en mr. G.J.H. Doornewaard als leden, in tegenwoordigheid van mr. A.C.W. van Huussen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2004.

(get.) J. Janssen.

(get.) A.C.W. van Huussen.

MH