Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AP2612

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-05-2004
Datum publicatie
21-06-2004
Zaaknummer
02/1103 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAO-uitkering onder overweging dat betrokkene na afloop van de wettelijke wachttijd van 52 weken op 11 juli 2000 minder dan 15% arbeidsongeschikt was.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

02/1103 WAO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 15 juni 2000 heeft gedaagde geweigerd aan appellante een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen, onder overweging dat zij na afloop van de wettelijke wachttijd van 52 weken op 11 juli 2000 minder dan 15% arbeidsongeschikt was.

Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 20 oktober 2000, hierna: het bestreden besluit, heeft gedaagde dit bezwaar ongegrond verklaard.

De rechtbank Maastricht heeft bij uitspraak van 8 januari 2002, reg.nr.: AWB 2000/1370 WAO Z, het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

Namens appellante is mr. P.H.A. Brauer, advocaat te Heerlen, van die uitspraak in hoger beroep gekomen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Beide partijen hebben nadere stukken ingediend en op elkaars standpunt gereageerd. Desgevraagd heeft gedaagde nadere informatie verstrekt.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad op

13 april 2004, waar partijen -met voorafgaand bericht- niet zijn verschenen.

II. MOTIVERING

Het bestreden besluit berust op het standpunt dat appellante op 12 juli 2000, de in geding zijnde datum, weliswaar beperkingen ondervond bij het verrichten van arbeid, maar dat zij met inachtneming van die beperkingen geschikt was voor werkzaamheden verbonden aan de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies. Vergelijking van de mediane loonwaarde van de drie functies met de hoogste lonen met het voor haar geldende maatmaninkomen resulteert volgens gedaagde niet in enig verlies aan verdiencapaciteit.

In geding is de vraag of dit besluit in rechte stand kan houden.

De Raad beantwoordt deze vraag, evenals de rechtbank, bevestigend en stelt zich achter de overwegingen van de aangevallen uitspraak.

In hoger beroep is aangevoerd dat appellante vanwege haar psychische beperkingen niet in het vrije bedrijf kan werken, maar is aangewezen op beschut werk. Bij brief van 22 januari 2001 is haar door het Dagelijks Bestuur van het Werkvoorzieningschap Oostelijk Zuid-Limburg medegedeeld dat zij is toegelaten tot de doelgroep van de Wet Sociale Werkvoorziening (WSW). Vanaf augustus 2001 is zij daadwerkelijk in WSW-verband gaan werken als assemblagemedewerker. Voor dat werk is zij op 15 oktober 2002 uitgevallen, wat heeft geleid tot een nieuwe WAO-beoordeling per 14 oktober 2003. Gedaagde heeft daarbij wederom geweigerd om een WAO-uitkering toe te kennen, omdat appellante geschikt werd geacht voor haar maatmanfunctie. Dit betrof bij die beoordeling het laatstelijk door haar verrichte werk in WSW-verband. Uit een door mr. Brauer ingezonden rapport van 24 december 2003 van de bezwaararbeidsdeskundige

J.J. van der Naald blijkt dat appellante niet meer geschikt wordt geacht voor de vrije arbeidsmarkt. Volgens mr. Brauer moet ervan worden uitgegaan dat dit ook al bij de schatting per 12 juli 2000 het geval was.

De bezwaararbeidsdeskundige Van der Naald heeft in een reactie op deze stelling van

mr. Brauer aangegeven dat hij niet heeft bedoeld dat de medische toestand die in februari 2001 heeft geleid tot een indicatiestelling voor de WSW ook al in juli 2000 aanwezig was. Dit betreft een medisch oordeel waartoe hij niet bevoegd is.

Deze reactie van de bezwaararbeidsdeskundige heeft de Raad ertoe gebracht om aan gedaagde te verzoeken een medisch onderbouwde reactie te geven op de stelling van

mr. Brauer. Bij interne brief van 1 maart 2004 heeft de bezwaarverzekeringsarts

mw. K. Corten aangegeven dat er bij appellante in juli 2000 minder beperkingen aanwezig waren op cognitief gebied, en dus meer mogelijkheden ten aanzien van haar functioneren, dan in oktober 2003. Na juli 2000 zijn er nog enkele lacunaire TIA's cq herseninfarcten geweest die het cognitief functioneren van appellante hebben beïnvloed.

In een reactie van 10 maart 2004 heeft mr. Brauer aangegeven dat er een vergelijking moet worden gemaakt tussen de situatie juli 2000 en februari 2001 omdat toen de WSW-indicatie is afgegeven, die volgens de bezwaararbeidsdeskundige terecht is geweest.

De Raad oordeelt als volgt.

De Raad onderschrijft de overweging van de rechtbank dat een keuring voor de WSW niet gelijk kan worden gesteld met een beoordeling inzake de mate van arbeidsongeschiktheid in het kader van de WAO.

De Raad heeft in het dossier onvoldoende aanknopingspunten gevonden om aan te nemen dat appellante al op de datum in geding niet meer in staat was om de aan haar voorgehouden functies op de vrije arbeidsmarkt te verrichten. Dat zij later alleen nog in staat werd geacht tot het verrichten van werk in WSW-verband doet daar niet aan af. De Raad heeft bij dit oordeel een zwaarwegende betekenis toegekend aan de resultaten van een neuropsychologisch onderzoek door de psycholoog drs. S.J.E. Rutten zoals die zijn neergelegd in haar rapport van 7 april 2000. In dit rapport wordt aangegeven dat bij appellante wel een aantal afwijkingen is geconstateerd, zoals een inefficiënte manier van werken door middel van een "trial en error" benadering, een duidelijke afleidbaarheid, een forse onoplettendheid en een zeer beperkte geheugencapaciteit -met name voor verbale informatie-, maar dat zij functioneert op een gemiddeld intelligentieniveau en dat er geen evidente aanwijzingen zijn voor een ernstig en gegeneraliseerd verlies van inzicht en redeneervermogen. Voorts blijkt uit een brief van 7 juli 2000 van de behandelend klinisch psycholoog/psychotherapeut drs. A.W. Steenbeek niet dat de medische situatie van appellante sinds het hiervoor genoemde neuropsychologisch onderzoek is verslechterd, zodat de conclusies die in het rapport van 7 april 2000 zijn getrokken in elk geval hun gelding hebben behouden tot 7 juli 2000. Dit is vijf dagen voor de datum in geding. De Raad is daarom van oordeel dat er over de psychische gezondheidstoestand van appellante op de datum in geding geen onduidelijkheid bestaat. Naar het oordeel van de Raad is bij het vaststellen van de voor appellante geldende belastbaarheid voldoende rekening gehouden met haar psychische beperkingen.

De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. J.W. Schuttel als voorzitter en mr. C.W.J. Schoor en

mr. M.S.E. Wulfraatt-van Dijk als leden, in tegenwoordigheid van

drs. T.R.H. van Roekel als griffier en uitgesproken in het openbaar op 25 mei 2004.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) T.R.H. van Roekel.

MR