Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AP2042

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-05-2004
Datum publicatie
18-06-2004
Zaaknummer
01/5109 WAOCON + 01/5110 WAOCON
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Heeft de rechtbank niet voldoende rekening heeft gehouden met de twijfels van de ingeschakelde deskundige ten aanzien van de geschiktheid voor het eigen werk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

01/5109 WAOCON

01/5110 WAOCON

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Ingevolge artikel 42, eerste lid van de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen (Wet OOW) juncto artikel 2 van het Koninklijk besluit van 24 december 1997, Stb. 1997, 769, alsmede ingevolge de met ingang van 1 januari 2002 in werking getreden Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, treedt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) als rechtsopvolger van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) wat betreft de overeenkomstige toepassing van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), bedoeld in artikel 32, eerste lid juncto artikel 46, tweede lid van de Wet privatisering ABP (WPA) met ingang van 1 januari 1998 in de plaats van het Fonds arbeidsongeschikt-heidsverzekering overheidspersoneel (FAOP). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het bestuur van het FAOP.

Bij besluit van 14 september 1998 heeft gedaagde geweigerd aan appellante ingaande 31 augustus 1998 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen.

Het daartegen op 24 september 1998 gemaakte bezwaar heeft gedaagde ongegrond verklaard bij zijn besluit op bezwaar van 15 maart 1999, hierna: het bestreden besluit I.

Appellante heeft een op 21 juni 1999 gedateerde aanvraag ingediend voor een uitkering ingevolge de WAO. Gedaagde heeft deze aanvraag bij zijn besluit van 28 juli 1999 met toepassing van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) afgewezen onder verwijzing naar zijn besluit van 14 september 1998.

Het daartegen gemaakte bezwaar heeft gedaagde ongegrond verklaard bij zijn besluit op bezwaar van 6 januari 2000, hierna: het bestreden besluit II.

De rechtbank Leeuwarden heeft de tegen de bestreden besluiten I en II ingestelde beroepen bij uitspraak van 24 augustus 2001, geregistreerd onder de nummers: 99/355 & 00/84 WAOCON, ongegrond verklaard. Appellante is van die uitspraak in hoger beroep gekomen. De daartoe aangevoerde gronden heeft mr. J.S. Visser, advocaat te Stadskanaal, die vanaf dat moment als gemachtigde van appellante optreedt, ingediend bij het aanvullend beroepschrift van 9 november 2001.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend met daarbij een reactie van bezwaarverzekeringsarts R.M.A.G. Brouns van

30 november 2001.

Appellante heeft bij brief van 6 december 2001 een besluit van gedaagde ingevolge de Wet arbeidsongeschikt- heidsverzekering zelfstandigen (WAZ) overgelegd.

Bij brief van 3 april 2002 heeft appellante overgelegd de brief van revalidatie-arts E. Heybroek van 16 maart 2000 en de brieven van neuroloog E.R.P. Brunt van 30 januari 2002 en van 13 maart 2002.

Gedaagde heeft bij brief van 23 januari 2004 de vraagstelling van de Raad van 27 november 2003 beantwoord en daarbij een notitie van R.MA.G. Brouns van 12 december 2003 overgelegd.

Appellante heeft hierop gereageerd bij brief van 2 februari 2004.

Vervolgens heeft gedaagde in reactie daarop een rapportage van bezwaarverzekeringsarts R.M.A.G. Brouns van 17 maart 2004 ingezonden.

Het geding is behandeld op de zitting van de Raad op 30 maart 2004, waar appellante is verschenen en bijgestaan door haar gemachtigde. Gedaagde heeft zich doen vertegenwoordigen door A.M.C. Crombach.

II. MOTIVERING

Appellante heeft in Hillegom als onderwijzeres gewerkt waar zij in 1974 ontslag heeft gekregen. In 1976 heeft een keuring in het kader van de Algemeen Burgerlijke Pensioenwet (ABP) plaatsgevonden waarna vanwege het Algemeen burgerlijk pensioenfonds bij beslissing van 19 augustus 1976 appellante werd meegedeeld dat zij niet uit hoofde van ziekten of gebreken blijvend ongeschikt is voor haar betrekking van gewezen onderwijzeres.

Appellante is vervolgens, voor zover hier van belang, werkzaam geweest als lerares godsdienst en maatschappijleer aan de C.P.A. Clearkamp te Leeuwarden voor 5,12 uren en 7,54 uren per week. Vervolgens heeft zij na een reorganisatieontslag met ingang van 1 augustus 1983 wachtgeld genoten.

Een verzoek van appellante en de informatiseringsbank heeft geleid tot uitgebreid geneeskundig onderzoek, waarvan het resultaat was dat appellante op 5 juli 1993 werd meegedeeld dat zij niet uit hoofde van ziekte of gebreken blijvend ongeschikt is voor haar vroegere betrekkingen van lerares voor 5,12 uren per week en lerares voor 7,54 uren per week.

Sedert 1984 is de toenmalige werkgever van appellante een uitkering verstrekt ingevolge de Algemene arbeids- ongeschiktheidswet (AAW). Gedaagde heeft desgevraagd in zijn brief van 23 januari 2004 meegedeeld dat de AAW-uitkering op grond van de Wet privatisering ABP met ingang van 1 januari 1996 is geconverteerd in een WAO-conforme uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Bij besluit van 28 mei 1997 heeft gedaagde appellante meegedeeld dat volgens de arts geen sprake (meer) is van ziekte en/of gebreken in de zin van de WAO en dat appellantes WAO-conforme uitkering met ingang van 28 juli 1997 wordt ingetrokken.

Met ingang van 5 september 1997 heeft appellante zich ziek gemeld. Appellante heeft een op 30 mei 1998 gedateerde aanvraag ingediend voor een uitkering ingevolge de WAO. Vervolgens zijn de in rubriek I van deze uitspraak genoemde besluiten genomen waaronder de bestreden besluiten I en II.

De rechtbank heeft de daartegen ingestelde beroepen ongegrond verklaard onder de overweging dat appellante op

14 september 1998 en 28 juli 1999 niet arbeidsongeschikt kan worden geacht in de zin van de WAO omdat op grond van het deskundigenrapport van 7 december 2000 van J.M.E. van Zandvoort, zenuwarts, onvoldoende aannemelijk is dat bij appellante ten tijde in geding medische beperkingen op het psychische vlak bestonden, die rechtstreeks voortvloeiden uit ziekte of gebrek. De rechtbank heeft er met name op gelet dat appellante volgens de deskundige tijdelijk enigszins uit balans was, hetgeen niet kon worden geduid als ziektebeeld.

In hoger beroep is namens appellante aangevoerd dat de rechtbank niet voldoende rekening heeft gehouden met de twijfels van de ingeschakelde deskundige ten aanzien van de geschiktheid voor het eigen werk. Er ontbreekt volgens appellante een arbeidskundige beantwoording van de vraag of als gevolg van algemene ontwikkelingen in het onderwijs de werkzaam- heden in 1998 en 1999 zwaarder waren geworden. Appellante acht zich ongeschikt voor haar gewezen betrekking wegens onder meer de spraakstoornis. Voorts heeft de deskundige appellante ten onrechte niet lichamelijk onderzocht. Appellante is daarnaast van mening dat het merkwaardig is dat zij recht heeft op een WAZ-uitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Gedaagde heeft zijn Besluit samenloop WAO en WAZ van 25 november 1998,

Stcrt. 1998, 237 (hierna het Besluit samenloop), volgens appellante ten onrechte niet in acht genomen.

Aan de orde is de vraag of de Raad de rechtbank kan volgen in haar oordeel dat de bestreden besluiten I en II in rechte kunnen standhouden.

De Raad constateert allereerst dat de rechtbank ten aanzien van bestreden besluit I 14 augustus 1998 en ten aanzien van het bestreden besluit II 28 juli 1999 als datum in geding heeft gehanteerd. Gedaagde heeft in het primaire besluit van

14 augustus 1998 echter WAO-uitkering geweigerd ingaande 31 augustus 1998, welke datum dan ook als de datum hier in geding heeft te gelden. Het bestreden besluit II betreft de handhaving van het besluit van 28 juli 1999 strekkende tot de weigering om het besluit van 14 augustus 1998 te herzien, zodat ook het bestreden besluit II ziet op de datum van

31 augustus 1998, hetgeen de gemachtigde van gedaagde ter zitting heeft bevestigd. Hoewel de rechtbank en als gevolg daarvan de door haar ingeschakelde onafhankelijke deskundige van de data van de primaire besluiten zijn uitgegaan zal de Raad daaraan geen consequenties verbinden omdat kennelijk sprake is van een abuis en - zoals hierna zal blijken - het deskundigenrapport voldoende inzicht geeft in de medische situatie van appellante op 31 augustus 1998.

Het bestreden besluit I.

In artikel 18 van de WAO is, voor zover van belang bepaald dat arbeidsongeschikt is degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebreken, zwangerschap of bevalling niet in staat is om met arbeid te verdienen, hetgeen gezonde personen, met soortgelijke opleiding en ervaring, met arbeid gewoonlijk verdienen. Naar vaste jurisprudentie van de Raad dient dit artikel aldus uitgelegd te worden dat slechts sprake is van arbeidsongeschiktheid als een verzekerde op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten de in aanmerking komende arbeid niet kan of mag verrichten.

De door de rechtbank ingeschakelde deskundige Van Zandvoort is, blijkens zijn rapport van 7 december 2000 na een uitgebreid onderzoek waarbij hij kennis heeft genomen van de ruim beschikbare medische gegevens in het dossier, de behandelende sector heeft geraadpleegd en appellante psychisch heeft onderzocht, tot de conclusie gekomen dat bij betrokkene sprake is van intrapsychische problematiek die in haar leven al veel eerder herkenbaar is en ook geleid heeft tot een wat aparte bestaanswijze. De verklaring daarvan is gelegen in de persoonlijkheidsstructuur maar op zich kan die volgens de deskundige niet worden beschreven als afwijkend. Aanwijzingen voor psychopathologie in engere zin werden door de deskundige niet gesignaleerd.

In ‘s Raads vaste jurisprudentie, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 21 september 1999, gepubliceerd in USZ 1999/298, ligt besloten dat de Raad het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel pleegt te volgen, tenzij zich de bijzondere omstandigheid voordoet dat uit de reactie van die deskundige op een anders- luidend oordeel van een door een partij ingeschakelde deskundige zijn eigen oordeel niet serieus heeft heroverwogen. Zodanige bijzondere omstandigheid doet zich in dit geval niet voor zodat de Raad de deskundige Van Zandvoort volgt. In zijn rapport zijn geen aanknopingspunten te vinden voor het oordeel dat appellante op de datum in geding leed aan een psychiatrisch ziekte.

De deskundige Van Zandvoort acht het wel waarschijnlijk dat tijdelijk sprake is geweest van een licht uit balans zijn. De deskundige achtte deze verminderde stabiliteit met name aanwezig in de door hem genoemde periode tussen

14 september 1998 en 28 juli 1999. Nu de datum hier in geding echter 31 augustus 1998 betreft is de medische situatie van appellante in de tussenliggende periode niet bepalend voor de vraag of appellante al dan niet recht heeft op WAO-uitkering. Om deze reden acht de Raad het evenmin van belang dat de deskundige zich afvraagt of appellante in die tussenliggende periode haar gewezen betrekking zou hebben kunnen vervullen.

Ingaande op de grieven van appellante is de Raad voorts van oordeel dat Van Zandvoort gezien de in het dossier ruim beschikbare medische gegevens lichamelijk onderzoek achterwege heeft kunnen laten. Daarbij laat de Raad tevens wegen dat de deskundige informatie bij revalidatie-arts E. Heybroek heeft ingewonnen die appellante op 16 maart 2000 heeft gezien en lichamelijk onderzoek heeft gedaan. De Raad is dan ook van oordeel dat het rapport van Van Zandvoort op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen.

De namens appellante in hoger beroep bij brief van 3 april 2002 ingebrachte medische gegevens geven de Raad geen aanleiding tot twijfel aan de juistheid van de medische grondslag van het bestreden besluit I. De deskundige Van Zandvoort had reeds informatie opgevraagd bij revalidatiearts Heybroek en betrokken bij zijn onderzoek. In de door appellante overgelegde brieven van neuroloog E.R.P. Brunt heeft de Raad evenmin aanleiding gezien tot zodanige twijfel. Brunt heeft in zijn brief van 13 maart 2002 vermeld dat hij thans bij zijn onderzoek misschien sterker dan voorheen aanwijzingen voor epileptische activiteit in EEG links heeft gezien. Hij heeft tegretol of difantoïne geadviseerd. Daar staat naar het oordeel van de Raad echter tegenover dat uit de beschikbare medische gegevens uit onderzoeken vanaf 1987 steeds is gebleken van afwijkingen in het EEG van de linker hersenhelft, terwijl daarmee verband houdende functiestoornissen bij herhaling niet werden aangetroffen dan wel niet uitdrukkelijk zijn vermeld. Zo wijst de Raad op de bevindingen van L.J. Engström, neuroloog, neergelegd in zijn brief van 11 augustus 1987, de brief van neuroloog J.G. Koster van 7 december 1992 en de brieven van J.P. Krooman van 6 oktober 1992, 13 april 1995 en 18 september 1995. Daarnaast wijst de Raad op de brieven van drs. M. Reuvekamp, neuropsycholoog en dr. G.H. Visser, neuroloog, van 1 december 1998 en 19 februari 1999, verbonden aan de stichting Epilepsie Instellingen Nederland en het Instituut voor epilepsiebestrijding, waarin verslag wordt gedaan van onderzoek dat heeft plaats gevonden nabij de datum in geding en dat heeft uitgewezen dat ondanks de duidelijke epileptiforme afwijkingen in het EEG, de klachten van appellante niet als epileptisch imponeren. Tijdens het gecombineerd EEG- en psychologisch onderzoek is ook geen relatie naar voren gekomen tussen de epileptiforme EEG-afwijkingen en de wisselingen in het functioneren, de haperende spraak en de afwezigheden van appellante. Tevens wordt in dat rapport opgemerkt dat in het verleden zowel ritrovil als tegretol is geprobeerd maar dat dit geen enkel effect heeft gehad.

Gelet op al het voorgaande kan de Raad voorts aan het door appellante overgelegde besluit inzake de WAZ, waarbij appellante werd meegedeeld dat de WAZ-uitkering die is gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55% per 1 januari 2000 ongewijzigd wordt voortgezet, niet de betekenis hechten die appellante daaraan gehecht wil zien. Nu appellante naast haar WAZ-uitkering geen WAO-uitkering geniet is het door haar genoemde Besluit samenloop in dit geval niet aan de orde.

Over appellantes grief dat ten onrechte geen arbeidskundig onderzoek heeft plaats gevonden overweegt de Raad dat in een geval als het onderhavige waarin geen beperkingen ten gevolge van ziekte of gebreken worden vastgesteld, een arbeidskundig onderzoek achterwege kan blijven. Een vergelijking van de belastbaarheid van appellante met de in de eigen of andere gangbare arbeid voorkomende belastingen is in dat geval niet aan de orde.

De Raad is gelet op al het voorgaande evenals de rechtbank op basis van het rapport van de door haar ingeschakelde deskundige van oordeel dat appellante op de datum hier in geding niet arbeidsongeschikt was in de zin van de WAO en dat gedaagde derhalve bij het betreden besluit I terecht heeft gehandhaafd de weigering appellante ingaande 31 augustus 1998 WAO-uitkering toe te kennen.

Het bestreden besluit II.

In artikel 4:6, eerste lid van de Awb is bepaald dat, indien na een geheel of gedeeltelijke afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden is nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. Ingevolge het tweede lid kan het bestuursorgaan, het verzoek zonder nader onderzoek afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere besluit.

Bij het besluit van 14 september 1998 heeft gedaagde afwijzend beslist op de aanvraag van appellante van 30 mei 1998 om een uitkering ingevolge de WAO. Op 21 juni 1999 heeft appellante een nieuwe aanvraag van dezelfde strekking ingediend waarbij geen nadere gegevens waren gevoegd.

Bij het besluit van 28 juli 1999 heeft gedaagde appellantes aanvraag afgewezen onder verwijzing naar het eerdere besluit van 14 september 1998.

Op uitnodiging van gedaagde heeft appellante hangende de bezwaarprocedure de brieven ingebracht van

drs. M. Reuvekamp, neuropsycholoog, van 1 december 1998, van dr. G.H. Visser, neuroloog, van 19 februari 1999, van

T.C.M. Bruinen, psychiater, van 4 november 1999, van J.P. Krooman neuroloog, van 30 september 1999 en van

dr. H.M. Koning, anesthesioloog van 19 juli 1999.

Naar aanleiding van deze gegevens heeft de bezwaarverzekeringsarts R.M.A.G. Brouns in zijn rapport van 24 december 1999 overwogen dat appellante ook nu geen concrete argumenten aandraagt op grond waarvan andere inzichten omtrent de recente aanvraag kunnen ontstaan; ook nu blijkt dat er feitelijk géén concrete afwijkingen kunnen worden vastgesteld ondanks uitputtend onderzoek door diverse specialisten. Wat aangetroffen wordt was bovendien ook reeds uit onderzoeken uit het verleden bekend.

De Raad ziet met gedaagde hierin geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in vorenbedoelde zin, nu niet is gebleken dat genoemde medische stukken wezenlijk andere gegevens ten aanzien van appellantes medische situatie ten tijde hier in geding vermelden dan waarmee gedaagde bij het nemen van het besluit van 14 september 1998 reeds bekend was.

Gedaagde was dan ook bevoegd om met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, de aanvraag af te wijzen en voor de motivering van die beslissing te volstaan met te verwijzen naar het besluit van 14 september 1998. In hetgeen door appellante is gesteld ziet de Raad geen grond te oordelen dat gedaagde niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

De Raad is derhalve evenals de rechtbank van oordeel dat bestreden besluit II, waarbij het hierboven genoemde besluit van 28 juli 1999 is gehandhaafd, in rechte kan stand houden. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank zich echter niet beperkt tot het toetsingskader zoals dat hier aan de orde is. De aangevallen uitspraak komt derhalve in zoverre, met verbetering van gronden, voor bevestiging in aanmerking.

De Raad ziet geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. J.W. Schuttel en mr. C.W.J. Schoor als leden, in tegenwoordigheid van drs. T.R.H. van Roekel als griffier en uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2004.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) T.R.H. van Roekel.