Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AP2005

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-05-2004
Datum publicatie
18-06-2004
Zaaknummer
01/6236 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Grondslag voor de berekening van het dagloon. Staat het vertrouwensbeginsel in de weg aan korting WAO-uitkering.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 1:3, geldigheid: 2004-05-18
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 40, geldigheid: 2004-05-18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2004/249
RSV 2004, 282

Uitspraak

01/6236 WAO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Als gemachtigde van appellante heeft mr. P.J. de Graaf, advocaat te Utrecht, op bij aanvullend beroepschrift vermelde gronden, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 23 oktober 2001, reg. nr: 01/135-ZET, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld op de zitting van de Raad op 24 februari 2004, waar appellante in persoon is verschenen en bijgestaan door haar gemachtigde. Gedaagde heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. W.M.J. Evers.

II. MOTIVERING

Appellante is op 17 september 1996 uitgevallen uit haar werkzaamheden als medewerkster cateraar welke zij via een uitzendbureau vanaf 1 augustus 1996 verrichtte. Op 1 november 1997 is zij gestart met werkzaamheden als bedrijfsleidster bij café [naam café]. Op 30 augustus 1998 is appellante ook uit laatstgenoemde werkzaamheden uitgevallen.

Nadat gedaagde appellante in verband met eerstgenoemde uitval aanvankelijk bij besluit van 16 september 1997 had geweigerd een arbeidsongeschiktheidsuitkering toe te kennen, heeft gedaagde aan appellante bij besluit van 22 september 1998 ingaande 16 september 1997 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheids-verzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Het dagloon is daarbij vastgesteld op f. 51,74 per dag. Het daartegen namens appellante gemaakte bezwaar heeft gedaagde ongegrond verklaard bij besluit op bezwaar van 23 augustus 1999. Tegen dat besluit zijn geen rechtsmiddelen aangewend.

Bij besluit van 24 juni 1999 heeft gedaagde aan appellante meegedeeld dat haar WAO-uitkering ongewijzigd wordt vastgesteld. Het daartegen gemaakte bezwaar, inhoudende dat het dagloon verhoogd moet worden wegens de verdiensten bij café [naam café], wordt bij besluit op bezwaar van 2 december 1999 niet-ontvankelijk verklaard omdat het besluit van 24 juni 1999 niet ziet op het aan de uitkering ten grondslag liggende dagloon. De rechtbank Rotterdam heeft het daartegen ingestelde beroep bij haar uitspraak van 14 juni 2000 ongegrond verklaard. Daartegen is geen hoger beroep ingesteld.

Bij brief van 25 augustus 1999 heeft appellante gedaagde verzocht om in elk geval uitbetaling van de WAO-uitkering vanaf de datum met ingang waarvan de uitkering is toegekend bij het besluit van 22 augustus 1998 tot haar indiensttreding bij café [naam café]. Tevens heeft appellante verzocht om een WAO-uitkering, althans een voorschot daarop, op basis van haar uitval uit haar werkzaamheden bij café [naam café] op 31 augustus 1998 en het verstrijken van 52 weken na die uitval.

Namens appellante wordt bij brief van 21 juli 2000 bezwaar gemaakt tegen het uitblijven van een besluit op de aanvraag van 25 augustus 1999. Appellante heeft daarbij verzocht de verdiensten bij café [naam café] ten grondslag te leggen aan de dagloonberekening van de WAO-uitkering.

Bij brieven van 17 en 21 september 1999 heeft gedaagde appellante meegedeeld dat WAO-uitkering wordt nabetaald over de periode van 16 september 1997 tot 1 november 1997 respectievelijk over de periode van 30 augustus 1999 tot

1 oktober 1999 conform de daarbij gegeven uitkeringsspecificatie.

Bij besluit van 18 september 2000 heeft gedaagde appellant geweigerd het dagloon te verhogen omdat niet wordt voldaan aan de in artikel 40 van de WAO gestelde voorwaarden. Bij afzonderlijk besluit van 18 september 2000 heeft gedaagde aan appellante meegedeeld dat de WAO-uitkering van appellante ingaande 1 november 1997 niet wordt uitbetaald wegens door haar genoten inkomsten uit arbeid. Gedaagde heeft tevens meegedeeld dat aangezien appellante vanaf 30 augustus 1999 geen inkomsten uit of in verband met arbeid heeft, de WAO-uitkering vanaf deze datum weer volledig wordt uitbetaald.

Gedaagde heeft het bezwaar tegen het uitblijven van een besluit op grond van artikel 6:20, vierde lid, van de Awb aangemerkt als zijnde mede gericht tegen het besluit op de aanvraag. Appellante heeft tevens afzonderlijk bezwaar gemaakt.

Gedaagde heeft het bezwaar na medisch en arbeidskundig onderzoek ongegrond verklaard bij zijn in rubriek I van deze uitspraak genoemde besluit op bezwaar van 8 december 2000 (hierna: het bestreden besluit).

De rechtbank Rotterdam heeft het beroep tegen het handhaven van de weigering het dagloon te verhogen gegrond verklaard en het bestreden besluit op dat onderdeel vernietigd. De rechtbank heeft bepaald dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het bestreden besluit en heeft het bezwaar van appellante gericht tegen de weigering op 18 september 2000 het dagloon te verhogen niet-ontvankelijk verklaard. Voor het overige heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft bepaald dat het griffierecht dient te worden vergoed en heeft gedaagde veroordeeld in de proceskosten. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het besluit van 18 september 2000 gelijkluidend is aan het eerste rechtens onaantastbaar geworden besluit van 22 september 1998 zodat het ingevolge vaste jurisprudentie niet gericht kan zijn op enig rechtsgevolg en om die reden niet kan worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

In hoger beroep heeft appellante het standpunt herhaald dat de verdiensten bij café [naam café] aan de berekening van het dagloon ten grondslag gelegd dienen te worden. Daarnaast heeft appellante aangevoerd dat het vertrouwensbeginsel in de weg staat aan korting van appellantes WAO-uitkering. Voorts wordt gesteld dat toepassing van dit artikel tot bijzondere hardheid zou leiden.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en betoogd dat de hoogte van het dagloon gelet op de uitspraak van de rechtbank niet langer aan de orde is. Voor zover het WAO-dagloon wel ter discussie zou staan heeft gedaagde aangevoerd dat op grond van artikel 18 van de WAO en de Dagloonregelen WAO uitgegaan moet worden van de inkomsten die de uitkeringsgerechtigde in het jaar dat aan het intreden van zijn arbeidsongeschiktheid onmiddellijk vooraf is gegaan, heeft genoten. Daarnaast heeft gedaagde er op gewezen dat appellante sedert 17 september 1996 onafgebroken arbeidsongeschikt is gebleven zodat van intreden van arbeidsongeschiktheid per

31 augustus 1998 geen sprake kan zijn. Tot slot acht gedaagde de toepassing van artikel 44 van de WAO niet in strijd met het vertrouwensbeginsel.

De Raad overweegt als volgt.

De Raad is - anders dan de rechtbank - van oordeel dat het besluit van

18 september 2000, inhoudende de weigering het dagloon te verhogen omdat niet is voldaan aan de in artikel 40 van de WAO vervatte voorwaarden, aangemerkt dient te worden als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. In de eerdere besluiten, namelijk die van 22 september 1998 en van 24 juni 1999 is de vraag of toepassing van artikel 40 van de WAO al dan niet tot verhoging van het WAO-dagloon dient te leiden, niet aan de orde geweest. Het eerdere besluit van 22 augustus 1998 betreft namelijk de toekenning van de WAO-uitkering en de vaststelling van de hoogte van het dagloon. Het besluit van 24 juni 1999 betreft de ongewijzigde vaststelling nadien van de WAO-uitkering. Het besluit van 18 september 2000 betreft de vraag of wordt voldaan aan de in artikel 40 van de WAO vervatte voorwaarden voor hernieuwde vaststelling van het WAO-dagloon en heeft in die zin zelfstandige betekenis ten opzichte van de besluiten van 22 september 1998 en van 24 juni 1999. Hier doet zich dan ook niet de situatie voor van identieke besluiten.

Gezien het voorgaande komt de uitspraak van de rechtbank in zoverre voor vernietiging in aanmerking.

Naar aanleiding van hetgeen appellante in hoger beroep naar voren heeft gebracht overweegt de Raad als volgt.

Appellantes grieven met betrekking tot het dagloon, die veeleer zien op de vaststelling daarvan, kunnen gezien het toetsingskader zoals dat voortvloeit uit het thans aan de orde zijnde artikel 40 van de WAO, naar het oordeel van de Raad niet leiden tot verhoging van het WAO-dagloon. Er is immers niet voldaan aan de in dit artikel neergelegde eis dat sprake dient te zijn van toename van de mate van arbeidsongeschiktheid. De appellante met ingang van 16 september 1997 toegekende WAO-uitkering is immers steeds berekend geweest naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Gedaagde heeft dan ook terecht het besluit tot weigering het dagloon te verhogen gehandhaafd. Anders dan de rechtbank in haar uitspraak heeft overwogen stelt de Raad vast dat gedaagde het bestreden besluit heeft gemotiveerd met artikel 40 van de WAO.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellantes beroep op het vertrouwensbeginsel niet kan slagen. Daartoe overweegt de Raad het volgende. Appellante heeft volgens het rapport van C.D. de Hoop, arbeidsdeskundige, van

5 september 2000, in haar functie van bedrijfsleidster meer uren gemaakt dan de vier uur per dag waartoe zij volgens de rapporten van de verzekeringsarts P.L. Ganani-Allis van 27 juni 1997 en van de bezwaarverzekeringsarts A.P. de Vries van 29 juli 1998 in staat wordt geacht. Voorts overweegt de Raad dat blijkens het rapport van de arbeidsdeskundige van 5 september 2000 appellante in het gesprek met hem heeft verklaard dat de pijnklachten vanaf de aanvang van de werkzaamheden bij café [naam café] toenamen en dat zij zich geestelijk niet in orde voelde. Zij had last van slaapstoornissen, het medicijngebruik nam toe en het ging haar steeds minder makkelijk af vriendelijk tegen de klanten te blijven. De Raad is gezien het voorgaande van oordeel dat gedaagde zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de arbeid die appellante verrichtte bij café [naam café] niet kan worden beschouwd als algemeen geaccepteerde arbeid waartoe appellante met haar krachten in staat was. Gezien hetgeen appellante daarover blijkens meergenoemd rapport van de arbeidsdeskundige van 5 september 2000 zelf heeft verklaard kon appellante er naar het oordeel van de Raad niet op vertrouwen dat de werkzaamheden bij het genoemde café passend voor haar waren.

Namens appellante is ter zitting aangegeven dat haar standpunt dat toepassing van de anticumulatiebepalingen zal leiden tot bijzondere hardheid is gebaseerd op de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De Raad is evenwel niet gebleken van redenen - en appellante heeft die ook niet naar voren gebracht - op basis waarvan het bestreden besluit in strijd moet worden geacht met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Appellantes grief kan dan ook niet slagen.

Gelet op al het voorgaande komt de uitspraak van de rechtbank voor vernietiging in aanmerking voor zover deze de weigering het dagloon te verhogen betreft. De Raad zal het beroep tegen het bestreden besluit in zoverre ongegrond verklaren. Voor het overige komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking. De Raad zal tevens bepalen dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het griffierecht van € 82,-- vergoedt.

De Raad ziet geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb omdat appellante met het hoger beroep niet heeft bereikt wat zij had willen bereiken. De gedeeltelijke vernietiging van de uitspraak van de rechtbank leidt er namelijk toe dat het bestreden besluit in stand blijft.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover deze de weigering het dagloon te verhogen betreft;

verklaart het inleidend beroep tegen het bestreden besluit ook in zoverre ongegrond;

bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het griffierecht van € 82,-- aan appellante vergoedt;

bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor het overige.

Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. J.W. Schutttel en mr. C.W.J. Schoor als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.D. Streefkerk als griffier en uitgesproken in het openbaar op 18 mei 2004.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) J.D. Streefkerk.

MR