Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AP1958

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-05-2004
Datum publicatie
18-06-2004
Zaaknummer
03/5126 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uitsluitend staat er beoordeling de met de gezondheidstoestand van werkneemster samenhangende (on)mogelijkheid om op de door gedaagde beoordeelde datum, belastbaar te worden geacht met passende arbeid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

03/5126 WAO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 7 november 2000 heeft gedaagde de uitkering van [naam werkneemster] (hierna: de werkneemster) met ingang van 9 oktober 2000 ongewijzigd vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Gedaagde heeft het tegern dit besluit namens appellante gemaakte bezwaar bij besluit van 4 december 2001 ongegrond verklaard.

De rechtbank Arnhem heeft door mr. W.P.J.M. van Gestel, werkzaam bij ARAG-rechtsbijstand, gevestigd te Leusden, namens appellante ingestelde beroep bij uitspraak van 1 september 2003, reg.nr.: 02/111 WAO, ongegrond verklaard.

De gemachtigde van appellante heeft op bij beroepschrift aangegeven gronden tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld.

Desgevraagd heeft de werkneemster de Raad bericht niet als partij aan het geding te willen deelnemen en de Raad geen toestemming te verlenen haar medische gegevens ter kennisname te brengen aan appellante.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 13 april 2004, waar appellante - met kennisgeving - niet is verschenen en waar namens gedaagde is verschenen mr. S. Croes, werkzaam bij het Uwv.

II. MOTIVERING

De Raad stelt in de eerste plaats vast dat appellante overeenkomstig vaste jurisprudentie van de Raad ook als belanghebbende bij het besluit van 7 november 2000 heeft te gelden. Voorts stelt de Raad vast dat het besluit van

7 november 2000 eerst op 23 april 2001 aan appellante is toegezonden en dat appellantes bezwaarschrift op 1 juni 2001 bij gedaagde is ingekomen. In het voetspoor van zijn uitspraak van 14 oktober 2003 (LJN: ANL8246) stelt de Raad verder vast dat de bezwaartermijn voor appellante is aangevangen op 24 april 2001, de dag na de verzending van dit besluit aan haar. Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank appellante terecht ontvankelijk geacht in haar bezwaar.

Aan de aangevallen uitspraak en de overige gedingstukken ontleent de Raad de volgende voor zijn oordeelsvorming in dit geding van belang zijnde feiten omstandigheden.

Werkneemster was werkzaam in dienst van appellante toen zij op 6 januari 1998 uitviel met bekkeninstabiliteit. Na het doorlopen van de daarvoor geldende wachttijd heeft gedaagde bij besluit van 13 november 1998 werkneemster met ingang van 5 januari 1999 in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Deze uitkering is na herbeoordeling bij primaire besluit van 7 november 2000, dat bij het bestreden besluit is gehandhaafd, met ingang van

9 oktober 2000 ongewijzigd vastgesteld.

Aan de door appellante bestreden besluitvorming met beterkking tot deze herbeoordeling lag ten grondslag het onderzoek van de verzekeringsarts K.M. van Oijen, die in zijn rapport van 9 oktober 2000 vaststelde dat werkneemster 6 weken daarvoor een buikwandcorrectie had ondergaan, mede ter verbetering van haar bekkenklachten, dat werkneemster in november 2000 licht mag gaan trainen, dat werkneemster thans in het dagelijks leven fors belemmerd is, dat de verwachting is dat de belastbaarheid van werkneemster binnen 3 maanden aanmerkelijk zal verbeteren, dat werkneemster thans geen duurzaam benutbare mogelijkheden heeft en dat een heronderzoek over 3 tot 6 maanden wordt gepland.

In de bezwaarprocedure heeft de gemachtigde van appellante onder andere gewezen op een contact met werkneemster in december 2000 omtrent een vacature welke zij afwees omdat zij het aantal uren in combinatie met haar gezin te hoog vond. Voorts heeft de door appellante aangestelde arts-gemachtigde prof.dr. A. Zwaveling in zijn brief van 12 november 2001 aan gedaagde erop gewezen dat het lichamelijk onderzoek op 9 oktober 2000 niet veel bijzonders opleverde, dat de diagnose bekkeninstabiliteit is gehandhaafd en dat binnen 3 maanden een aanmerkelijk verbetering van de belastbaarheid van werkneemster werd verwacht. Gelet op een en ander vroeg Zwaveling van gedaagde de mogelijkheden van werkneemster inzake loonvormende arbeid te vernemen. De bezwaarverzekeringsarts J.P.M. Joosten heeft blijkens het rapport van

15 november 2001 kennis genomen van de bezwaren van appellante en heeft de beoordeling van Van Oijen onderschreven. Volgens Joosten is het onderzoek van Van Oijen eenduidig en helder en de conclusie ten aanzien van de datum 9 oktober 2000 juist. Wel acht Joosten het voorstelbaar dat werkneemster vóór de buikwandcorrectie en 3 maanden na het onderzoek door Van Oijen aanmerkelijk beter belastbaar was. Voorts wees Joosten erop dat het geplande heronderzoek toen kennelijk niet heeft plaatsgevonden. Gedaagde heeft in het bestreden besluit de medische visie van Joosten (en van Van Oijen) gevolgd.

Naar aanleiding van het beroepschrift van appellante, waarin zij stelde dat gedaagde op de brief van de arts-gemachtigde niet heeft gereageerd, gaf gedaagde in zijn verweerschrift van 12 maart 2002 aan dat Joosten in zijn rapport onder meer heeft gereageerd op de brief van Zwaveling.

De rechtbank oordeelde dat er op basis van de beschikbare medische gegevens, waaronder de rapporten van Van Oijen en Joosten, geen redenen zijn voor twijfel aan de conclusie van gedaagde omtrent de belastbaarheid van werkneemster op

9 oktober 2000 en dat gedaagde door middel van de beoordeling door en de bevindingen van Joosten genoegzaam heeft gereageerd op de brief van Zwaveling. Daarbij gaf de rechtbank tevens aan dat haar uitsluitend ter beoordeling voorlag de datum in geschil, 9 oktober 2000.

In hoger beroep heeft de gemachtigde van appellante haar in eerste aanleg voorgedragen standpunt dat vanwege gedaagde niet op de brief van Zwaveling is gereageerd, herhaald. Gedaagde heeft zijnerzijds andermaal heeft gewezen op het rapport van Joosten.

De Raad heeft, evenals de rechtbank benadrukkend dat in dit geding uitsluitend ter beoordeling staat de met de gezond- heidstoestand van werkneemster samenhangende (on)mogelijkheid om op de door gedaagde beoordeelde datum, te weten 9 oktober 2000, belastbaar te worden geacht met passende arbeid, in de gedingstukken geen aanknopingspunten gezien om daaromtrent anders te oordelen dan de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft gedaan. Ook de Raad vermag niet in te zien dat het rapport van Joosten, die beargumenteerd de conclusie van Van Oijen onderschrijft, niet tevens een reactie van de kant van Joosten inhoudt op de visie en vraagstelling van Zwaveling. De Raad neemt hierbij in aanmerking dat Joosten in zijn rapport onder het kopje “3. Onderzoeksactiviteiten” onder andere een bezwaarschrift van appellante van 12 november 2001 vermeldt, waarmee, naar het de Raad voorkomt, niet anders dan de brief van Zwaveling van dezelfde datum kan zijn bedoeld. Aan de conclusie van Joosten met betrekking tot die datum en derhalve aan het bestreden besluit doet voorts naar het oordeel van de Raad niet af dat, zoals ook Joosten heeft vastgesteld, het door

Van Oijen geplande heronderzoek toen niet heeft plaatsgehad. Ter zitting van de Raad deelde de gemachtigde van gedaagde overigens mede dat in februari 2002 een heronderzoek heeft plaatsgevonden en dat de WAO-uitkering van werkneemster met ingang van 14 oktober 2002 is ingetrokken in verband met werkhervatting bij een andere werkgever.

Al het voorgaande leidt de Raad tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. J.W. Schuttel als voorzitter en mr. C.W.J. Schoor en mr. M.S.E. Wulffraat-van Dijk als leden, in tegenwoordigheid van drs. T.R.H. van Roekel als griffier en uitgesproken in het openbaar op 25 mei 2004.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) T.R.H. van Roekel.