Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AP1706

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-05-2004
Datum publicatie
16-06-2004
Zaaknummer
01/4780 AAW/WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering terug te komen van besluit inzake WAO omdat geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in het eerste lid van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zijn aangevoerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

01/4780 AAW/WAO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 6 januari 2000 heeft gedaagde geweigerd terug te komen van een door de Bedrijfsvereniging voor het Bakkersbedrijf, als rechtsvoorganger van gedaagde, genomen besluit van 14 oktober 1981.

Bij besluit van 22 maart 2000 heeft gedaagde het namens appellant door mr. R.M.W.H. Bedaux, advocaat te Heerlen, tegen dat besluit gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

De rechtbank Maastricht heeft bij uitspraak van 17 juli 2001, reg.nr. AWB 00/526 WAO Z, het namens appellant ingestelde beroep tegen het besluit van 22 maart 2000, hierna: het bestreden besluit, ongegrond verklaard.

Namens appellant is op bij aanvullend beroepschrift met bijlagen aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen die uitspraak.

Gedaagde heeft een verweerschrift met bijlage ingediend.

Bij brief van 23 december 2003 heeft appellants raadsman het standpunt van appellant nader toegelicht en een rapport ingezonden van prof. dr. R.P.H. Veth, orthopaedisch chirurg, gedateerd 3 september 2003 alsmede een in reactie op een nadere vraagstelling van appellants raadsman door die arts opgestelde aanvullende rapportage van 26 november 2003.

Bij brief van 5 januari 2004 heeft appellants gemachtigde ontbrekende stukken ingezonden.

In reactie op de rapporten van de orthopaedisch chirurg Veth heeft gedaagde een commentaar van zijn bezwaar- verzekeringsarts J. Jonker, gedateerd 8 januari 2004, ingezonden.

Namens appellant is bij schrijven van 27 januari 2004 een rapport van de medisch adviseur dr. mr. J.W.G.A. van Rens, gedateerd 22 januari 2002, ingezonden.

Vervolgens heeft appellants raadsman bij brief van 11 maart 2004 nog diverse oudere stukken aan de Raad doen toekomen.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 23 maart 2004, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Bedaux, en waar namens gedaagde is verschenen mr. T.M. Kuijpers, werkzaam bij het Uwv.

II. MOTIVERING

Aan de aangevallen uitspraak, waarin appellant als eiser en gedaagde als verweerder is aangeduid, ontleent de Raad de volgende feiten en omstandigheden:

"Bij beslissing van 14 oktober 1981 heeft het Bestuur van de Bedrijfsvereniging voor het Bakkersbedrijf, gevestigd te 's-Gravenhage, besloten de aan eiser toegekende uitkering ingevolge de Algemene arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de WAO met ingang van 1 november 1981 in te trekken c.q. te herzien en nader vast te stellen naar een percentage van

15 tot 25.

Het tegen deze beslissing ingestelde beroep is door de toenmalige Raad van Beroep te Roermond op 28 september 1982 ongegrond verklaard. In hoger beroep is die uitspraak door de Centrale Raad van Beroep bevestigd.

Op 9 januari 1984 heeft eiser aan voornoemde bedrijfsvereniging kennis gegeven van (toegenomen) arbeidsongeschiktheid sedert 10 december 1981 en op 14 maart 1984 van toegenomen arbeidsongeschiktheid sedert 5 juni 1982. Vervolgens is besloten eiser niet in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de AAW en zijn WAO-uitkering te handhaven. Het daartegen ingestelde beroep is ongegrond verklaard. In hoger beroep is die ongegrondverklaring bevestigd.

Verweerder heeft eiser met ingang van 18 december 1985 in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de AAW naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% tot 100%. Tegen het desbetreffende besluit is geen beroep ingesteld.

Nadien hebben nog verschillende beroepszaken gediend terzake van eisers aanspraak op uitkeringen ingevolge de AAW en de WAO."

"Eisers gemachtigde heeft zich bij brief van 2 juni 1999 tot verweerder gewend met het verzoek om terug te komen van de eerdere beslissing van 14 oktober 1981 en te bepalen dat eiser vanaf 1 november 1981 aanspraak heeft op een uitkering (kennelijk) ingevolge de AAW en de WAO naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Bij besluit van 6 januari 2000 heeft verweerder besloten niet terug te komen op het gestelde in de beslissing van 14 oktober 1981. Verweerder heeft daarbij overwogen dat uit het ingestelde onderzoek is gebleken dat er geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn die er toe leiden dat de genomen beslissing onjuist zou zijn."

Bij het bestreden besluit heeft gedaagde het tegen evenvermeld besluit van 6 januari 2000 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het standpunt van gedaagde onderschreven dat appellant bij zijn verzoek om terug te komen van eerder genoemde beslissing van 14 oktober 1981 geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in het eerste lid van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft vermeld. Gedaagde was daarom naar het oordeel van de rechtbank bevoegd om onder verwijzing naar de eerdere beslissing van 14 oktober 1981 het verzoek van appellant om terug te komen van die beslissing af te wijzen. De rechtbank heeft voorts als haar oordeel uitgesproken dat de afwijzing door gedaagde van appellants verzoek de aan de rechtbank toekomende, in de aangevallen uitspraak nader omschreven, terughoudende toetsing kan doorstaan.

Namens appellant is in hoger beroep, samengevat weergegeven, staande gehouden dat zijn beperkingen ten tijde van de afschatting in 1981 onvoldoende door gedaagde zijn erkend. In het bijzonder zou gedaagde naar de zienswijze van appellant bij het nemen van het besluit van 14 oktober 1981 geen, althans onvoldoende, rekening hebben gehouden met een niet in goede stand genezen patella-fractuur van september 1980, terwijl voorts geen aandacht is besteed aan het feit dat appellant ook destijds al lijdende was aan de ziekte chondrocalcinosis.

De Raad stelt voorop dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat de onderhavige weigering door gedaagde om terug te komen van het eerdere besluit van 14 oktober 1981 slechts terughoudend kan worden getoetst. Zoals de Raad inmiddels al vaker als zijn oordeel heeft uitgesproken, hanteert de Raad daarvoor, anders dan voorheen, in een geval als het onderhavige thans de navolgende toetsingsnorm.

Overeenkomstig hetgeen voor herhaalde aanvragen is bepaald in artikel 4:6 van de Awb, mag van degene die een bestuursorgaan verzoekt van een eerder ambtshalve genomen besluit terug te komen worden verlangd dat bij dit verzoek nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld die zulk een terugkomen kunnen rechtvaardigen. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan het verzoek zonder nader onderzoek afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere besluit.

De Raad stelt zich achter het oordeel van de rechtbank dat hetgeen appellant heeft doen aanvoeren ter onderbouwing van zijn standpunt dat gedaagde het eerdere besluit van 14 oktober 1981 dient te herzien, geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in vorenbedoelde zin bevat. Zulke feiten en of omstandigheden zijn ook niet gelegen in de namens appellant in hoger beroep overgelegde rapporten van de orthopaedisch chirurg Veth en de medisch adviseur Van Rens.

De Raad heeft daarbij in aanmerking genomen dat de knieproblematiek van appellant - als gevolg van een val in september 1980 - destijds bij gedaagde bekend was, zoals onder meer blijkt uit een zich onder de gedingstukken bevindend rapportageformulier van de voormalige Gemeenschappelijke Medische Dienst van 11 augustus 1981. Gedaagdes bezwaarverzekeringsarts Jonker heeft - in lijn hiermee - in haar reactie van 8 januari 2004 ook naar voren gebracht dat destijds bij de beoordeling per 1 november 1981 wel degelijk bekend was dat appellant zijn knieschijf had gebroken, dat was immers ook de reden dat een eerdere (voorgenomen) afschatting werd uitgesteld. De Raad onderschrijft voorts de overweging van de rechtbank dat er geen aanleiding is voor de veronderstelling dat de brief van 15 oktober 1980 van de afdeling chirurgie van het ziekenhuis St. Annadal te Maastricht destijds geen deel zou hebben uitgemaakt van de - ook aan gedaagde bekende - stukken. De Raad houdt het er aldus voor dat appellants knieproblemen en de daarvoor door appellant ondergane behandeling destijds bij gedaagde bekend waren en in de beoordeling zijn betrokken, zodat daarin geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden in meergenoemde zin kunnen zijn gelegen.

Voorts treft de Raad in de hiervoor bedoelde in hoger beroep door appellants gemachtigde ingebrachte rapporten onvoldoende steun aan voor de stellige bewering van appellant dat hij reeds destijds lijdende was aan de ziekte chondrocalcinosis. In het midden latend overigens of het enkele feit van die diagnose van belang zou zijn voor de vraag of destijds de juiste beperkingen in aanmerking zijn genomen, stelt de Raad vast dat uit de ter zake dienende rapporten, waarvan in het bijzonder de rapporten van 3 september en 26 november 2003 van de orthopaedisch chirurg Veth, slechts valt af te leiden dat naar het oordeel van die arts de mogelijkheid niet valt uit te sluiten dat appellant toentertijd al lijdende was aan genoemde aandoening. Een meer stellige uitspraak wordt niet gedaan. Een dergelijk voorzichtig geformuleerd oordeel inzake een mogelijk aanwezig ziektebeeld kan bezwaarlijk gelden als een voor herziening van een eerdere beslissing relevant te achten nieuw feit of veranderde omstandigheid in de zin van artikel 4:6, eerste lid, van de Awb.

Nu aldus ook naar 's Raads oordeel niet kan worden gesproken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in de hiervoor vermelde bepaling, was gedaagde bevoegd om met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb het verzoek van appellant af te wijzen en voor de motivering van die beslissing te volstaan met te verwijzen naar het besluit van 14 oktober 1981. Naar het oordeel van de Raad kan niet worden gezegd dat gedaagde niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van de Awb.

De Raad beslist als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. J.W. Schuttel en mr. N.J. Haverkamp als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.D. Streefkerk als griffier en uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2004.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) J.D. Streefkerk.