Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AP1703

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-05-2004
Datum publicatie
15-06-2004
Zaaknummer
02/649 NABW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Had bijzondere bijstand moeten worden verleend tot een zodanig bedrag dat betrokkene in dezelfde positie was komen te verkeren als een alleenstaande van 21 jaar en ouder die, net als zij, de noodzakelijke bestaanskosten niet kan delen met een ander

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

02/649 NABW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Venlo, gedaagde,

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellante heeft mr. N.A.M. Friedrichs, advocaat te Venlo, op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank Roermond op 16 december 2001 tussen partijen gewezen uitspraak, reg.nr. 01/784 NABW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 13 april 2004, waar voor appellante is verschenen mr. Friedrichs en gedaagde zich - met bericht - niet heeft doen vertegenwoordigen.

II. MOTIVERING

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellante heeft op 23 januari 2001 aan gedaagde gevraagd haar een uitkering op grond van de Algemene bijstandswet (Abw) te verlenen voor de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. Bij besluit van 2 maart 2001 heeft gedaagde deze aanvraag afgewezen op de grond dat appellante - gelet op de hoogte van de voor haar geldende bijstandsnorm en in aanmerking genomen de hoogte van haar uitkering krachtens de Werkloosheidswet (WW - geacht wordt te kunnen voorzien in de noodzakelijke kosten van het bestaan.

Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 8 mei 2001, verzonden op 21 mei 2001, gegrond verklaard. Bij dat besluit is in de eerste plaats aan appellante algemene bijstand toegekend naar de norm voor een alleenstaande jonger dan 21 jaar tot een bedrag van f 400,51, inclusief vakantiegeld. Voorts is aan haar bijzondere bijstand toegekend tot een bedrag van f 702,82, zijnde het verschil tussen het bedrag van de bijstandsnorm voor een alleenstaande van 21 jaar en ouder (f 1.103,33) en het hiervoor genoemde bedrag van f 400,51. Op de toegekende uitkeringen komen in mindering de inkomsten van appellante wegens uitkering ingevolge de WW en de Ziektewet.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 8 mei 2001 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad overweegt het volgende.

Niet in geschil is dat appellante ten tijde hier van belang algemene bijstand toekwam naar de norm voor een alleenstaande jonger dan 21 jaar tot een bedrag van f 400,51.

Op grond van artikel 10 van de Abw heeft een persoon van 18, 19 en 20 jaar slechts recht op bijzondere bijstand voorzover zijn noodzakelijke kosten van het bestaan uitgaan boven de toepasselijke bijstandsnorm en hij voor deze kosten geen beroep kan doen op zijn ouders, omdat de middelen van de ouders daartoe niet toereikend zijn of omdat hij redelijkerwijs zijn onderhoudsrecht jegens zijn ouders niet te gelde kan maken.

Uit het besluit van 8 mei 2001 blijkt dat gedaagde van mening is dat appellante recht heeft op bijzondere bijstand, omdat zij is aangewezen op zelfstandige huisvesting - zodat sprake is van boven de toepasselijke bijstandsnorm uitgaande kosten - en omdat zij voor die kosten geen beroep kan doen op haar ouders. Gedaagde heeft voor gevallen als deze beleid ontwikkeld, waarin is neergelegd dat de hoogte van de te verlenen bijzondere bijstand wordt gemaximeerd op de normbedragen die gelden voor een 21-jarige, waarmee het mogelijk wordt gemaakt, aldus de toelichting op dit beleid, dat de zelfstandig wonende, jonger dan 21 jaar, op dezelfde wijze in zijn bestaanskosten kan voorzien als de 21-jarige.

Appellante stelt zich op het standpunt dat de bijzondere bijstand had moeten worden verleend tot een zodanig bedrag dat zij in dezelfde positie was komen te verkeren als een alleenstaande van 21 jaar en ouder die, net als zij, de noodzakelijke bestaanskosten niet kan delen met een ander. Dat betekent volgens appellante in haar geval dat gedaagde het bedrag van de bijzondere bijstand had moeten verhogen met de desbetreffende gemeentelijke toeslag.

Volgens gedaagde is het besluit van 8 mei 2001 met het hiervoor vermelde beleid in overeenstemming en is voor een gemeentelijke toeslag geen plaats, nu deze toeslag grondslag vindt in artikel 33 van de Abw en dit artikel slechts spreekt over belanghebbenden van 21 jaar en ouder, tot welke groep appellante niet behoort. De rechtbank heeft gedaagde in dit standpunt gevolgd.

De toekenning van bijzondere bijstand vergt volgens vaste jurisprudentie van de Raad een feitelijke, individuele beoordeling van de omstandigheden van de belanghebbende. Daarmee verdraagt zich in beginsel niet de hiervoor bedoelde maximering van de te verlenen bijzondere bijstand. Door gedaagde is niet gesteld - en de Raad is ook niet gebleken - dat de uit de bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke bestaanskosten van appellante tezamen met de noodzakelijke bestaanskosten die appellante geacht wordt te bestrijden met de haar toegekende bijstandsuitkering naar de voor haar geldende bijstandsnorm, lager zijn dan de noodzakelijke bestaanskosten van een persoon van 21 jaar en ouder die deze kosten niet kan delen met een ander.

Laatstgenoemde persoon komt, op grond van artikel 3, tweede lid, van de Verordening toeslagen- en verlagingenbeleid Algemene bijstandswet van de gemeente Venlo, in aanmerking voor een gemeentelijke toeslag ter hoogte van 20% van het netto-minimumloon.

De totale voor bijstandsverlening in aanmerking komende noodzakelijke bestaanskosten hadden derhalve in dit geval moeten worden vastgesteld op het totaal van de bijstandsnorm voor een alleenstaande van 21 jaar en ouder en het bedrag van de zojuist genoemde toeslag. Daaraan voldoet het besluit van 8 mei 2001 niet. Geconcludeerd moet worden dat aan appellante tot een te laag bedrag bijzondere bijstand is toegekend.

De Raad ziet in het bepaalde in artikel 33 van de Abw geen grond voor een andersluidend oordeel. Het gaat hier immers om toepassing van artikel 10 in verbinding met artikel 39 van de Abw. Een rechtstreekse toepassing van artikel 33 van de Abw is in dit geval niet aan de orde.

Het besluit van gedaagde van 8 mei 2001 komt derhalve wegens strijd met artikel 39, eerste lid, van de Abw voor vernietiging in aanmerking. Gedaagde zal worden opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van appellante.

Appellante heeft verzocht om vergoeding van de wettelijke rente over de ten onrechte niet uitbetaalde uitkering. Met het voorgaande is gegeven dat appellante schade heeft geleden, te weten renteschade bestaande in vertraagde uitbetaling van uitkering, waardoor appellantes verzoek in beginsel voor toewijzing in aanmerking komt. Het verzoek kan thans echter niet worden toegewezen, omdat de Raad onvoldoende inzicht heeft in de omvang van deze schade. Hierover is immers eerst nadere besluitvorming door gedaagde noodzakelijk met betrekking tot de toekenning van bijzondere bijstand. Gedaagde zal bij het nemen van een nieuw besluit op bezwaar tevens een beslissing dienen te nemen tot vergoeding van wettelijke rente. Voor de wijze van berekening van deze rente verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 29 juli 1997, gepubliceerd in RSV 1997/273.

De Raad ziet ten slotte aanleiding gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze worden begroot op € 644,- in beroep en op € 644,- in hoger beroep wegens verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 8 mei 2001;

Bepaalt dat gedaagde een nieuwe besluit neemt op het bezwaar van appellante met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante tot een bedrag van

€ 1.288,--, te betalen door de gemeente Venlo aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat de gemeente Venlo het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 109,23 (f 60,-- en € 82,--) vergoedt.

Aldus gewezen door mr. Th.C. van Sloten als voorzitter en mr A.B.J. van der Ham en mr. C. van Viegen als leden, in tegenwoordigheid van L. Jörg als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 25 mei 2004.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) L. Jörg.

FB/3/5