Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AP1669

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-03-2004
Datum publicatie
15-06-2004
Zaaknummer
00/6512 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Is terecht besloten dat de WAO-uitkering gedurende de relevante periode niet wordt uitbetaald wegens overschrijding van de termijn van 13 weken voor het melden van de arbeidsongeschiktheid wegens ziekte?

Wetsverwijzingen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 43c
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 71a
Wet terugdringing ziekteverzuim
Ziektewet 38
Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen 85
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2004, 171
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

00/6512 WAO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,

en

de Dienst Werkbedrijf voor gesubsidieerde arbeid, activering en trajecten Midden-Langstraat, gevestigd te Waalwijk, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder het Uwv tevens verstaan het Lisv.

Namens appellant is op bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 16 november 2000, nr. 99/2046 WAO COO, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend en zijn op verzoek van de Raad nadere gegevens ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 5 februari 2004. Daar heeft appellant zich laten vertegenwoordigen door mr. F. van Dam, werkzaam bij het Uwv, en is gedaagde zoals eerder aangekondigd niet verschenen.

De belanghebbende bij het geding, [belanghebbende], met onbekende woon- of verblijfplaats, is, hoewel daartoe opgeroepen in de Staatscourant van 3 december 2003, nr. 234, niet ter zitting verschenen.

II. MOTIVERING

1. Onder verwijzing naar de aangevallen uitspraak voor een uitvoeriger weergave van de voor dit geding relevante feiten en omstandigheden, volstaat de Raad met het navolgende.

1.1. [belanghebbende] (hierna: betrokkene), ten tijde hier van belang als ambtenaar aangesteld bij gedaagde, heeft vanaf 6 januari 1998 wegens ziekte geen werkzaamheden verricht. Op 28 september 1998 heeft gedaagde bij appellant aangifte gedaan van deze arbeidsonge-schiktheid wegens ziekte en een reïntegratieplan voor betrokkene ingediend.

1.2. Bij besluit van 13 november 1998 is gedaagde een boete opgelegd wegens overschrijding van de termijn voor het indienen van een reïntegratieplan. Tegen dit besluit zijn geen rechtsmiddelen aangewend.

1.3. Bij besluit van 29 maart 1999 heeft appellant beslist dat betrokkene met ingang van 7 februari 1999 recht heeft op een uitkering ingevolge de Wet op arbeidsongeschikt-heidsverzekering (WAO) en dat de WAO-uitkering gedurende de periode van 7 februari 1999 tot 29 juni 1999 niet wordt uitbetaald wegens overschrijding van de termijn van 13 weken voor het melden van de arbeidsongeschiktheid wegens ziekte. Na bezwaar van gedaagde is bij het thans in geding zijnde besluit van 13 oktober 1999 het besluit om de WAO-uitkering niet uit te betalen over de periode van 7 februari 1999 tot 29 juni 1999 gehandhaafd.

2. Bij de aangevallen uitspraak is het besluit van 13 oktober 1999 vernietigd, is appellant opgedragen een nieuwe beslissing te nemen met inachtneming van die uitspraak en is een bepaling gegeven over de vergoeding van het griffierecht. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat, kort gezegd, de toepasselijke wettelijke voorschriften geen grondslag bieden om de WAO-uitkering niet uit te betalen in verband met een te late aangifte van arbeidsongeschiktheid bij ziekte.

3. Appellant ziet wel een voldoende wettelijke grondslag en acht, voorzover in de wettelijke bepalingen een lacune zou zitten, de bedoeling van de wetgever voldoende duidelijk aanwezig om het besluit van 13 oktober 1999 in stand te laten.

3.1. De Raad overweegt in de eerste plaats ambtshalve dat hij het oordeel van de rechtbank deelt dat gedaagde als belanghebbende bij het besluit van 29 maart 1999 is aan te merken. De Raad verwijst hierbij mede naar zijn uitspraken van 13 februari 2002, USZ 2002/102 en van 29 april 2003, RSV 2003/167.

3.2. Ingevolge artikel 38, eerste lid, van de Ziektewet (ZW) rust op de werkgever de plicht om, uiterlijk op de eerste dag nadat de arbeidsongeschiktheid van de werknemer dertien weken heeft geduurd, bij appellant aangifte van die ongeschiktheid te doen.

3.3. Ingevolge artikel XV, tweede lid, eerste volzin, van de Wet terugdringing ziekte-verzuim (Wet TZ), zoals deze ten tijde hier van belang luidde, heeft een ambtenaar bij verhindering wegens ziekte om de dienst te verrichten gedurende tweeënvijftig weken aanspraak op doorbetaling van een bepaald gedeelte van zijn bezoldiging. In de vierde volzin is bepaald dat, indien de werkgever de aangifte overeenkomstig artikel 38, eerste lid, van de ZW later doet dan op grond van artikel 85 van de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen (Wet OOW) overeenkomstig het eerstgenoemde artikel is voorgeschreven, het in de eerste volzin bedoelde tijdvak met de duur van de vertraging wordt verlengd. Ingevolge artikel 43c van de WAO wordt in zulk een geval de arbeidsongeschiktheidsuitkering niet uitbetaald gedurende het verlengde tijdvak waarin recht op bezoldiging bestaat.

3.4. Ten tijde hier van belang was de ZW nog niet van toepassing op ambtenaren en hun werkgevers. In verband hiermee was in artikel 85, eerste lid, van de Wet OOW, zoals deze destijds luidde, bepaald dat tot de datum waarop de ZW ingevolge deze wet op de betrokken overheidswerknemer of gewezen overheidswerknemer van toepassing wordt, voor de toepassing van artikel 71a, eerste lid, van de WAO, artikel 38, eerste lid, van de ZW van overeenkomstige toepassing is.

3.5. Artikel 71a, eerste lid, van de WAO verplicht de werkgever om, gelijktijdig met de aangifte van arbeidsongeschiktheid, bedoeld in artikel 38, eerste lid, van de ZW, aan appellant een reïntegratieplan voor de werknemer over te leggen. Het bepaalde in artikel 85 van de Wet OOW bracht met zich dat deze verplichting voor overheids-werkgevers reeds gold gedurende de overgangsperiode waarin de ZW als zodanig nog niet op hen van toepassing was. Naar het oordeel van de Raad kon artikel 85 van de Wet OOW echter - gelet op de uitdrukkelijke beperking tot artikel 71a van de WAO - niet bewerkstelligen dat gedurende die overgangsperiode ook de in artikel 38 van de ZW neergelegde aangifteplicht op overheidswerkgevers van toepassing was.

3.6. Naar aanleiding van appellants (niet nader geadstrueerde) stelling over de duidelijke bedoeling van de wetgever stelt de Raad voorop dat, waar het gaat om belastende beschikkingen zoals bij de toepassing van artikel 43c van de WAO, in het algemeen een restrictieve uitleg van de desbetreffende wettelijke voorschriften is aangewezen. In de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 85 van de Wet OOW (TK 25 282,

nr 3, p. 91-92) heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden voor een verdergaande strekking van deze bepaling dan in 3.5 vermeld. Ook bij de Veegwet SZW 1998 van 24 december 1998, Stb. 742, waarbij onder meer artikel 43c van de WAO is aangepast, heeft de wetgever geen aanleiding gezien de tekst van artikel 85 van de Wet OOW te wijzigen; reden temeer waarom niet kan worden aangenomen dat die tekst een omissie behelst.

3.7. De Raad komt derhalve, met de rechtbank, tot de conclusie dat gedaagde (nog) niet tot aangifte van de arbeidsongeschiktheid van betrokkene was gehouden en dat de onderhavige sanctie op het niet tijdig nakomen van die verplichting dus niet aan gedaagde kon worden opgelegd.

4. Al het vorenstaande brengt mee dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt. Derhalve dient van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op grond van artikel 22, derde lid, van de Beroepswet griffierecht geheven te worden.

5. Aangezien de Raad geen aanleiding ziet om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht beslist de Raad als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een griffierecht wordt geheven van € 409,-.

Aldus gegeven door mr. H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en mr. M.S.E. Wulffraat-van Dijk en mr. R. Kooper als leden, in tegenwoordigheid van mr. L.N. Nijhuis als griffier,

en in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2004.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) L.N. Nijhuis.

HD

01.03