Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AP1607

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-05-2004
Datum publicatie
16-06-2004
Zaaknummer
01/4161 NABW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bijstand aan minderjarig kind - normering bijstand bij ontbreken van pleegvergoeding - afstemming.

Wetsverwijzingen
Algemene bijstandswet 13, geldigheid: 2004-05-28
Algemene bijstandswet 29, geldigheid: 2004-05-28
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2004/261
RSV 2004, 252

Uitspraak

01/4161 NABW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerlen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellante heeft mr. R. Verkijk, advocaat te Maastricht, op bij een aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank Maastricht op 20 juni 2001 tussen partijen gewezen uitspraak,

reg. nr. 99/1355 NABW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en desgevraagd nadere stukken ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 4 mei 2004, waar appellante noch haar raadsman is verschenen en gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. J. Quaedvlieg, werkzaam bij de gemeente Heerlen.

II. MOTIVERING

Appellante, geboren in 1983, is vanaf 10 december 1996 uit huis geplaatst door de kinderrechter en geplaatst bij haar stiefvader [naam stiefvader] (hierna: [naam stiefvader]).

[naam stiefvader] ontvangt voor appellante geen pleegvergoeding. Op 10 juni 1997 heeft [naam stiefvader] verzocht om bijstand ten behoeve van appellante. Zoals blijkt uit het intakeformulier van 10 juni 1997 heeft [naam stiefvader] toen op grond van informatie van de behandelend ambtenaar F. Lejeune over de mogelijkheden om voor bijstand in aanmerking te komen afgezien van het doorzetten van de aanvraag. Op 30 november 1998 heeft appellante gedaagde verzocht om bijstand in de kosten van levensonderhoud ter hoogte van de pleegvergoeding met ingang van 17 juli 1996. Bij besluit van 17 december 1998 heeft gedaagde aan appellante met ingang van 30 november 1998 algemene bijstand toegekend naar de norm voor een alleenstaande jonger dan 21 jaar. Bijzondere bijstand in aanvulling op de algemene bijstand is niet verleend omdat de noodzakelijke kosten volgens gedaagde niet uitgaan boven de bijstandsnorm die voor appellante geldt.

Bij besluit van 24 augustus 1999, voorzover hier van belang, heeft gedaagde het namens appellante tegen het besluit van

17 december 1998 gemaakte bezwaar gegrond verklaard en het besluit van 17 december 1998 in zoverre herroepen dat aan appellante met ingang van 10 juni 1997 algemene bijstand ter hoogte van de kinderbijslagnorm wordt verleend en aanvullende bijzondere bijstand, zodat in totaal bijstand wordt verleend ter hoogte van de pleegvergoeding, verminderd met de voor appellante ontvangen kinderbijslag.

Bij besluit van 21 september 1999 heeft gedaagde het besluit van 24 augustus 1999 herzien met dien verstande dat het bedrag van de bijstandsuitkering waarop appellante recht heeft wordt gewijzigd als gevolg van correctie van de kinderbijslagbedragen.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep dat namens appellante is ingesteld tegen de weigering tijdig te beslissen op een gestelde aanvraag niet-ontvankelijk verklaard, en het beroep voor het overige ongegrond verklaard.

In hoger beroep is de aangevallen uitspraak bestreden voorzover daarbij het beroep ongegrond is verklaard. Appellante kan zich niet verenigen met de ingangsdatum en de hoogte van de haar verleende bijstand.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De Raad stelt eerst ambtshalve vast dat blijkens het proces-verbaal van de behandeling ter zitting in eerste aanleg op 8 mei 2001 de behandelend rechter gedaagde heeft verzocht na te gaan of appellante al eerder een aanvraag heeft gedaan en eventuele stukken in te zenden en daartoe het onderzoek ter zitting met toepassing van artikel 8:64, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft geschorst. Partijen hebben desgevraagd ter zitting op voorhand toestemming gegeven om de zaak verder buiten zitting af te doen. Vervolgens is van de zijde van appellante naar aanleiding van de door gedaagde bij brief van 9 mei 2001 ingezonden gegevens bij brief van 13 juni 1996 gereageerd en hebben partijen bij brieven van 15 juni 2001 en 19 juni 2001 over en weer gereageerd, waarna de rechtbank op 20 juni 2001 de thans aangevallen uitspraak heeft gewezen. De rechtbank heeft partijen naar aanleiding van de uitgewisselde gegevens en standpunten niet nogmaals om toestemming gevraagd om de voortgezette behandeling van het geding ter zitting achterwege te laten en het onderzoek gesloten.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad staat het de rechter niet vrij om, ingeval er nieuwe stukken aan het dossier worden toegevoegd, zonder meer op basis van de toestemming die is gegeven aan de hand van de voordien aanwezige stukken de zaak buiten (nadere) zitting af te doen. Het achterwege laten van de nadere zitting is in die situatie eerst mogelijk, indien partijen na kennisname van de naderhand geproduceerde stukken te kennen hebben gegeven dat de verleende toestemming van kracht blijft.

Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak in strijd met artikel 8:64, vijfde lid, van de Awb tot stand is gekomen, zodat deze dient te worden vernietigd.

De Raad acht het gelet op de gedingstukken en het verhandelde ter zitting niet noodzakelijk de zaak ter nadere behandeling terug te wijzen naar de rechtbank en zal, zelf opnieuw rechtdoende, beslissen op de beroepen tegen de besluiten van

24 augustus 1999 en 21 september 1999.

De Raad stelt vast dat het besluit van 21 september 1999 in de plaats is getreden van het eerdere besluit op bezwaar van

24 augustus 1999 voorzover dat betrekking heeft op de ingangsdatum en de hoogte van de aan appellante toegekende bijstand. In verband hiermede ziet de Raad aanleiding om het besluit van 21 september 1999 met toepassing van de artikelen 6:18 en 6:19 in verbinding met artikel 6:24 van de Awb mede in zijn beoordeling te betrekken.

Aangezien door appellante geen verzoek is ingediend om schadevergoeding, is de Raad van oordeel dat appellante geen belang meer had bij het beroep tegen het besluit van 24 augustus 1999. Dit brengt mee dat dit beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

Met betrekking tot het besluit van 21 september 1999 overweegt de Raad het volgende.

De Raad is van oordeel dat appellante er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat [naam stiefvader] al vóór 10 juni 1997 een aanvraag om bijstand ten behoeve van appellante heeft ingediend. Voor de juistheid van deze stelling is in de beschikbare gegevens geen steun te vinden. De door een kennis van [naam stiefvader] ter zitting van de rechtbank afgelegde verklaring dat zij van [naam stiefvader] heeft vernomen dat hij in 1996 meerdere keren om bijstand heeft verzocht acht de Raad in dit verband ontoereikend. Ook overigens ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat in het geval van appellante sprake was van omstandigheden op grond waarvan gedaagde de ingangsdatum van de bijstandsuitkering van appellante op een eerdere datum dan 10 juni 1997 had moeten stellen.

Wat betreft de vaststelling van de (hoogte van de) aan appellante verleende bijstand overweegt de Raad het volgende.

Gelet op de omstandigheden waarin appellante destijds verkeerde, heeft gedaagde haar als zelfstandig subject van bijstand beschouwd en haar met toepassing van artikel 11 van de Abw algemene en bijzondere bijstand toegekend. Blijkens de gedingstukken is gedaagde er bij de bepaling van de hoogte van de toe te kennen algemene bijstand van uitgegaan dat appellante ten tijde in geding voor de toepassing van de Abw als een alleenstaande moest worden beschouwd die voor haar kosten van levensonderhoud geen beroep kon doen op haar eigen ouders. De Raad ziet geen aanleiding dat uitgangspunt als onjuist te bestempelen, maar acht het niet in overeenstemming met dat uitgangspunt dat gedaagde aansluiting heeft gezocht bij het in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Abw vermelde normbedrag voor een alleenstaande van

18, 19 of 20 jaar. Blijkens de wetsgeschiedenis ligt aan dat normbedrag immers de veronderstelling ten grondslag dat de betrokkene voor de noodzakelijke bestaanskosten die het normbedrag te boven gaan wèl een beroep kan doen op zijn ouders en dat - zoals gedaagde ook heeft gedaan - voorzover dat niet mogelijk is, aanvullende bijzondere bijstand moet worden verleend om in de noodzakelijke kosten van het bestaan van de jongere te voorzien.

In gevallen als het onderhavige dient de bijstand ingevolge artikel 13, eerste lid, van de Abw te worden afgestemd op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de betrokken persoon. In dat kader is van belang dat [naam stiefvader] voor appellante slechts kinderbijslag ontving, welke op grond van artikel 43, eerste lid, van de Abw tot de middelen van appellante moet worden gerekend. De Raad acht het gezien de omstandigheden van appellante, welke vergelijkbaar zijn met die van een kind dat verblijft en wordt opgevoegd en verzorgd in een pleeggezin, juist om de hoogte van de aan appellante toe te kennen algemene bijstand te bepalen in overeenstemming met het destijds in het geval van appellante geldende basisbedrag van de pleegvergoeding, verminderd met de ontvangen kinderbijslag.

De Raad ziet geen grond voor het oordeel dat de aan appellante toe te kennen uitkering met toepassing van artikel 13, eerste lid, van de Abw op een hoger bedrag dan de pleegvergoeding moet worden gesteld.

Het voorgaande leidt de Raad tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten, niet in stand kan blijven. Doende wat de rechtbank had behoren te doen, zal de Raad beslissen zoals hieronder is aangegeven.

De Raad acht ten slotte termen aanwezig om gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 322,-- in hoger beroep, wegens verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 24 augustus 1999 niet-ontvankelijk;

Verklaart het beroep voorzover dat geacht wordt te zijn gericht tegen het besluit van 21 september 1999 gegrond en vernietigt dat besluit, voorzover daarbij aan appellante een bijstandsuitkering is toegekend, samengesteld uit algemene en bijzondere bijstand;

Bepaalt dat de aan appellante bij besluit van 21 september 1999 met ingang van 10 juni 1997 toegekende bijstand wordt verleend als algemene bijstand;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 966,--, te betalen door de gemeente Heerlen;

Bepaalt dat de gemeente Heerlen aan appellante het betaalde griffierecht van in totaal € 104,37 (f 230,--) vergoedt.

Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans en mr. R.H.M. Roelofs als leden, in tegenwoordigheid van M. Renden als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2004.

(get.) G.A.J. van den Hurk

(get.) M. Renden