Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AP1554

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-05-2004
Datum publicatie
14-06-2004
Zaaknummer
02/2830 CSV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoofdelijk aansprakelijkheid bestuurder; onbehoorlijk bestuur; betalingsonmacht; hoogte boete.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

02/2830 CSV

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Bij besluit van 8 oktober 2001 heeft gedaagde ongegrond verklaard de bezwaren van appellant tegen het besluit van 14 mei 2001 waarbij hij als bestuurder van [naam B.V. ] op grond van artikel 16d van de Coördinatiewet Sociale Verzekering hoofdelijk aansprakelijk is gesteld voor de door [naam B.V. ] over 1999 en 2000 onbetaald gelaten premies voor de werknemersverzekeringen tot een bedrag van f 16.785,25, waarin een boete van f 1.999,-- is inbegrepen.

De rechtbank Amsterdam heeft het tegen het besluit van 8 oktober 2001 ingestelde beroep in haar onder nummer 01/3938 tussen partijen op 17 april 2002 gewezen uitspraak ongegrond verklaard.

Appellant is tegen deze uitspraak op bij beroepschrift aangevoerde gronden in hoger beroep gekomen.

Gedaagde heeft een verweerschrift, met bijlage, ingezonden.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad op 28 april 2004, waar appellant niet is verschenen, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door W. Prins, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. MOTIVERING

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard, nu, naar de Raad begrijpt, uit het controlerapport van 17 april 2000 van de belastingdienst blijkt dat de door appellant als bestuurder van [naam B.V. ] gevoerde administratie ernstige gebreken vertoont. De belastingdienst heeft de administratie verworpen, omvangrijke naheffingsaanslagen aan [naam B.V. ] opgelegd en het faillissement van [naam B.V. ] aangevraagd. De rechtbank acht gedaagde geslaagd in het, nu [naam B.V. ] op 28 januari 2000 aan gedaagde melding heeft gemaakt van betalingsonmacht, door haar te leveren bewijs dat sprake is geweest van kennelijk onbehoorlijk bestuur waardoor [naam B.V. ] de hier van belang zijnde premies onbetaald heeft gelaten.

In hoger beroep heeft appellant onuitgewerkt gesteld dat de feiten in het rapport van de belastingdienst discutabel zijn en betoogd dat daaruit in elk geval niet blijkt dat meer dan twee jaren kennelijk onbehoorlijk bestuur is gevoerd.

De Raad stelt voorop dat de rapportage van 17 april 2000 overtuigend ernstige feilen in de door [naam B.V. ] gevoerde administratie aan het licht brengt, die deels worden bevestigd in een eerder vanwege gedaagde opgesteld looncontrolerapport en de verslaglegging door de curator van [naam B.V. ].

Anders dan appellant kennelijk meent stelt de wet niet als voorwaarde voor de aansprakelijkstelling dat gedurende drie jaren sprake moet zijn geweest van kennelijk onbehoorlijk bestuur. Het volstaat dat gedaagde aannemelijk maakt dat in de drie jaren voorafgaande aan de melding van betalingsonmacht sprake is geweest van aan appellant te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur. Gedaagde heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat hiervan sprake is geweest en dat daardoor [naam B.V. ] de van belang zijnde premies niet heeft voldaan.

Ter zitting heeft de gemachtigde van gedaagde te kennen gegeven dat de in het bedrag waarvoor appellant aansprakelijk is gesteld inbegrepen boete te hoog is vastgesteld. Deze boete dient tot f 1.559,20 te worden verlaagd en het bedrag waarvoor appellant aansprakelijk is, bedraagt daarmee f 16.345,45.

De Raad zal daarom, met vernietiging van de aangevallen uitspraak, het inleidend beroep gegrond verklaren, het bestreden besluit van 8 oktober 2001 vernietigen en, op grond van artikel 72, vierde lid van de Algemene wet bestuursrecht, het bedrag waarvoor appellant hoofdelijk aansprakelijk is vaststellen op € 7.417,28 (f 16.345,45).

Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is de Raad niet gebleken.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 8 oktober 2001;

Stelt het bedrag waarvoor appellant hoofdelijk aansprakelijk is vast op € 7.417,28 (f 16.345,45);

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het door hem betaalde recht, voor het geding in eerste aanleg ad € 27,23 en voor het geding in hoger beroep ad € 82,--, vergoedt.

Aldus gegeven door mr. G. van der Wiel als voorzitter en mr. R.C. Stam en mr. K.J. Kraan als leden, in tegenwoordigheid van mr. A. Kovács als griffier en uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2004.

(get.) G. van der Wiel

(get.) A. Kovács.