Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AP1427

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-05-2004
Datum publicatie
11-06-2004
Zaaknummer
03/771 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Is betrokkene terecht met toepassing van artikel 95, tweede lid, van het ARAR wegens ongeschiktheid ontslag verleend uit haar functie van belastingambtenaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

03/771 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Staatssecretaris van Financiën, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellante is op de daartoe bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 16 december 2002, nr. AWB 01/3433 AW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft voor zijn verweer verwezen naar desbetreffende gedingstukken.

Het geding is behandeld ter zitting van 15 april 2004, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. I.A.C.M. Bodelier-van Breugel en ir. H.J.A.M. Bodelier, verbonden aan ihb advies & rechtshulp. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B.S. Tibben, werkzaam bij het Ministerie van Financiën. Voorts is op verzoek van appellante als getuige gehoord [getuige], rijksambtenaar.

II. MOTIVERING

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Bij besluit van 3 april 2000 heeft gedaagde appellante op grond van artikel 6, tweede lid, aanhef en onder c, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) met ingang van 1 maart 2000 aangesteld als ambtenaar van de Belastingdienst in tijdelijke dienst voor onbepaalde tijd.

1.2. Bij besluit van 28 februari 2001 heeft gedaagde appellante met toepassing van artikel 95, tweede lid, van het ARAR met ingang van 1 mei 2001 wegens ongeschiktheid ontslag verleend uit voornoemde functie.

Bij besluit van 20 augustus 2001 heeft gedaagde het bezwaar van appellante tegen het besluit van 28 februari 2001 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het besluit van 20 augustus 2001 ongegrond verklaard.

3.1. De Raad overweegt allereerst dat gedaagde bij brief van 2 april 2004, in aanvulling op het bij de rechtbank uitgebrachte verweer, te kennen heeft gegeven dat appellante weliswaar is aangesteld op grond van artikel 6, tweede lid, aanhef en onder c, van het ARAR, doch dat het in feite de bedoeling moet zijn geweest om appellante een tijdelijke aanstelling voor een proeftijd te verlenen. Dit is ook gebruikelijk bij de Belastingdienst. Aangezien de gehanteerde aanstellingsgrond evenwel niet ziet op een proeftijd heeft gedaagde het bezwaar van appellante uit een oogpunt van zorgvuldigheid behandeld als ware dit gericht tegen een ontslag uit vaste dienst op grond van het - ook in het bestreden besluit vermelde - eerste lid, aanhef en onder g, van artikel 98 van het ARAR. Gedaagde heeft hieraan tot slot toegevoegd: "Afgezien van de rechterlijke toetsing blijven de rechtsgevolgen voor appellante hetzelfde."

Nu gedaagde te dezen bij het nemen van de beslissing op bezwaar nader heeft gekozen voor evengenoemde ontslaggrond en deze keuze veeleer ten gunste dan ten nadele van appellante strekt, acht de Raad het aangewezen om bij zijn beoordeling van dit geschil uit te gaan van deze ontslaggrond.

3.2. In artikel 98, eerste lid, aanhef en onder g, van het ARAR, voorzover hier van belang, is bepaald dat de ambtenaar kan worden ontslagen op grond van onbekwaamheid of ongeschiktheid voor het door hem beklede ambt, anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken.

3.3. Appellante betwist op zichzelf niet dat zij ongeschikt was voor de vervulling van de functie waarin zij was aangesteld. Zij heeft evenwel gesteld dat haar van de zijde van gedaagde geen adequate begeleiding is verschaft om tot verbetering van haar functioneren te komen. Tevens is zij van mening dat haar ten onrechte niet de gelegenheid is geboden om een aanvullende opleiding te volgen. Bovendien is haar functioneren nadelig beïnvloed doordat zij regelmatig te maken had met pesterijen van collega's.

3.4. Dienaangaande overweegt de Raad dat gedaagde naar voren heeft gebracht dat, toen duidelijk werd dat het inwerken van appellante meer tijd ging kosten dan verwacht was, zij bij voortduring is gewezen op haar tekortkomingen en de gemaakte fouten steeds met haar zijn doorgenomen. In dit verband is van belang dat appellante tijdens een op 28 september 2000 gehouden voortgangsgesprek, blijkens het daarvan opgemaakte verslag, heeft gezegd dat zij tevreden was over de begeleiding die haar door een nader genoemde collega werd gegeven. Niet is gebleken dat appellante nadien tijdens haar dienstverband bij gedaagde heeft gemeld dat de begeleiding niet naar haar wens was, en met name blijkt dat niet uit de tot de gedingstukken behorende verslagen van de op 13 november 2000 en 1 december 2000 met haar gehouden voortgangsgesprekken. Uit de verslagen van de voortgangsgesprekken komt voorts naar voren dat appellante op bij haar geconstateerde tekortkomingen is gewezen en dat de fouten die zij maakte met haar zijn doorgenomen. Gelet op een en ander acht de Raad geen plaats aanwezig voor het oordeel dat appellante niet reeds in een vroeg stadium door gedaagde is geconfronteerd met haar tekortkomingen en geen kansen heeft gehad om de noodzakelijke verbetering in haar functioneren tot stand te brengen.

3.5. Naar gedaagde verder onweersproken heeft gesteld, heeft appellante op de Nederlandse Antillen een opleiding tot adjunct commies gevolgd. Voorts is in het indertijd met appellante gevoerde sollicitatiegesprek door haar aangegeven dat zij in een soortgelijke functie als die waarin zij door gedaagde zou worden aangesteld, op de Antillen de vereiste kennis en ervaring had opgedaan en dat zij nog maar beperkte begeleiding nodig zou hebben om zelfstandig te kunnen functioneren. Gelet hierop behoefde gedaagde er niet van uit te gaan dat hij appellante nog opleidingsmogelijkheden moest bieden, ook niet in de loop van de periode waarin zij voor gedaagde werkzaam was.

3.6. Wat de door appellante genoemde pesterijen betreft overweegt de Raad dat deze naar zeggen van gedaagde een meer voorkomend probleem vormden binnen het kantoor waar appellante werkzaam was en dat zij daarmee derhalve niet als enige te maken had. Hoe dit ook precies zij, naar het oordeel van de Raad is onvoldoende aannemelijk geworden dat de pesterijen van wezenlijke, laat staan doorslaggevende betekenis zijn geweest bij het disfunctioneren van appellante.

3.7. Vorenstaande overwegingen brengen de Raad tot het oordeel dat gedaagde wegens de ongeschiktheid van appellante voor haar functie bevoegd was tot toepassing van meergenoemde bepaling uit het ARAR en dat niet kan worden staande gehouden dat gedaagde bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten van deze bevoegdheid gebruik te maken.

4. Dit brengt mee dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en mr. G.P.A.M. Garvelink-Jonkers en mr. J.Th. Wolleswinkel als leden, in tegenwoordigheid van A. de Gooijer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 19 mei 2004.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) A. de Gooijer.

HD

29.04