Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AP1234

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-05-2004
Datum publicatie
09-06-2004
Zaaknummer
02/2965 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Is niet voldaan aan de in artikel 8:5 van de CAR/UWO gestelde voorwaarden. Zijn er onvoldoende herplaatsingsactiviteiten ontplooid voordat tot ontslag werd overgegaan? Is ten onrechte geweigerd schadevergoeding te verstrekken?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

02/2965 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Kerkrade, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant is op bij beroepschrift (met bijlagen) aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 10 april 2002, nr. AWB 01/255 AW GIF, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 21 april 2004, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door

mr. G. van Buuren, advocaat te Weert. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.M.M.B. Maes, advocaat te 's-Hertogenbosch.

II. MOTIVERING

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant was sinds 1978 werkzaam als bijstandsmaatschappelijk werker, aanvankelijk bij de gemeente Eijgelshoven en per 1 januari 1982 bij de nieuw gevormde gemeente Kerkrade. Vanaf 4 juli 1994 was appellant wegens ziekte verhinderd zijn werkzaamheden te verrichten. Na een reorganisatie is appellant per 1 juli 1995 ontheven uit zijn functie en is hij bovenformatief geplaatst bij de sector Maatschappij. Appellant is vanwege zijn langdurige arbeidsongeschiktheid onderworpen aan een medisch onderzoek door de GGD Oostelijk Zuid-Limburg. Bij brief van 8 december 1995 heeft een bedrijfsarts van de GGD gedaagde meegedeeld dat appellant blijvend ongeschikt is voor zijn werk als bijstands- maatschappelijk werker, maar wel in staat is andere passende werkzaamheden te verrichten, mits hierbij aan de volgende randvoorwaarden wordt voldaan:

1. Beperkt ten aanzien van "sociale stress", dat wil zeggen:

- Geen werk met regelmatige cliënten- of publiekscontacten en met name

niet daar waar het gaat om agressieve cliënten, conflictsituaties of

onderhandelingssituaties;

- Geen leidinggevend werk;

- Bij voorkeur werk waarin betrokkene relatief solistisch kan functioneren.

2. Het werk moet een duidelijke structuur en een duidelijk omschreven

takenpakket hebben.

1.2. Met ingang van 13 december 1995 heeft gedaagde appellant op proef geplaatst in de functie van medewerker centrale salarisadministratie bij de dienst Concern Control. Tot 1 maart 1996 werkte hij 4 uur per dag en daarna gedurende de volledige werktijd. Op 8 mei 1996 is in een evaluatiegesprek met appellant door de dienstleiding vastgesteld dat deze proefplaatsing niet is geslaagd, waarna de werkzaamheden in juli 1996 zijn beëindigd.

1.3. Aan appellant is met ingang van 3 juli 1995 een uitkering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Bij brief van 11 juli 1996 heeft een adviserend verzekeringsarts van de toenmalige Stichting USZO aan gedaagde een zogeheten functieongeschiktheidsadvies uitgebracht.

1.4. Met ingang van 15 augustus 1996 is appellant op proef geplaatst als administratiefjuridisch medewerker bij de Concernstaf ten behoeve van de Commissie bezwaar- en beroepschriften. Met appellant is vooraf besproken dat deze plaatsing voor de duur van drie maanden voor hem de laatste mogelijkheid was om ontslag wegens ziekte te voorkomen en dat er elke drie weken evaluatiegesprekken zouden plaatsvinden. Na drie evaluatiegesprekken en een beoordeling op

30 oktober 1996 is vastgesteld dat appellant niet voldeed aan de in deze functie gestelde eisen.

1.5. Bij besluit van 6 november 1996, aangevuld bij schrijven van 8 november 1996, heeft gedaagde aan appellant onder toepassing van artikel 8:5, tweede lid, onder c, van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling en Uitwerkingsovereenkomst voor de sector gemeenten (verder: CAR/UWO) met ingang van 15 november 1996 ontslag verleend op grond van onge- schiktheid voor de vervulling van zijn betrekking wegens ziekte.

Na gemaakt bezwaar is dit ontslag door gedaagde gehandhaafd bij besluit van 26 mei 1997. Het tegen dit besluit ingestelde beroep is door de rechtbank ongegrond verklaard. Bij uitspraak van deze Raad van 29 juni 2000 is de uitspraak van de rechtbank vernietigd en is het beroep van appellant tegen het besluit van gedaagde van 26 mei 1997 gegrond verklaard wegens een niet toereikende grondslag. Het ontslag was volgens de Raad ten onrechte gebaseerd op de ongeschiktheid voor de betrekking van bijstandsmaatschappelijk werker, omdat appellant deze betrekking ten tijde van het ontslag niet meer bekleedde. De Raad heeft voorts bepaald dat gedaagde een nieuw besluit diende te nemen met inachtneming van de overwegingen in de uitspraak. Blijkens de overwegingen van de uitspraken diende gedaagde daarbij tevens aandacht te besteden aan de door appellant gevraagde schadevergoeding, waartoe appellant nadere informatie diende te verstrekken.

1.6. Bij besluit van 17 januari 2001 heeft gedaagde ter uitvoering van die uitspraak het bezwaar van appellant gegrond verklaard voorzover in het ontslagbesluit een foutieve functie was vermeld en is, met vaststelling van de ingangsdatum van het ontslag op 1 januari 1997, het bezwaar voor het overige ongegrond verklaard. De namens appellant gedane verzoeken om op grond van excessieve werkomstandigheden, waaraan appellant zou hebben blootgestaan, over te gaan tot schadevergoeding, vergoeding van kosten van medische behandeling en suppletie van de arbeidsongeschiktheidsuitkering dan wel financiële compensatie bij het ontslag zijn bij dit besluit niet gehonoreerd. Over het achterstallige salaris tot 1 januari 1997 is wettelijke rente betaald. Verder is geen schadevergoeding verstrekt vanwege de eerdere vernietiging van het ontslagbesluit.

1.7. Inmiddels was aan appellant, wegens toegenomen arbeidsongeschiktheid per 2 december 1996, met ingang van

30 december 1996 een WAO-conforme uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

2. Het namens appellant tegen het besluit van 17 januari 2001 ingestelde beroep is door de rechtbank bij de thans aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

3.1. Van de zijde van appellant is in hoger beroep in hoofdzaak aangevoerd dat op 1 januari 1997 niet was voldaan aan alle in artikel 8:5 van de CAR/UWO gestelde voorwaarden. Met name zou gedaagde onvoldoende herplaatsingsactiviteiten hebben ontplooid voordat tot ontslag werd overgegaan. Voorts is aangevoerd dat het ontslagbesluit van 6 november 1996 de toename van zijn arbeidsongeschiktheid heeft veroorzaakt en dat gedaagde ten onrechte heeft geweigerd schadevergoeding te verstrekken.

3.2. Namens gedaagde is gemotiveerd verweer gevoerd.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Allereerst is de Raad met gedaagde van oordeel dat appellant op 1 januari 1997 reeds (meer dan) 24 maanden wegens ziekte ongeschikt was voor de vervulling van zijn betrekking en dat herstel van zijn ziekte niet binnen een periode van zes maanden te verwachten was. Daarbij heeft de Raad in aanmerking genomen dat appellant reeds vanaf 4 juli 1994 niet in staat was zijn werkzaamheden als bijstandsmaatschappelijk werker te verrichten, en hij om die reden per 1 juli 1995 voorlopig geplaatst is in een bovenformatieve, nog niet nader ingevulde functie bij de sector Maatschappij. Toen appellant in december 1995 weer in staat was enige werkzaamheden te verrichten zijn de onder 1.2. en 1.4. beschreven proef- plaatsingen gerealiseerd op basis van arbeidstherapie. Deze proefplaatsingen betroffen functies gelegen ruim beneden het niveau van die van bijstandsmaatschappelijk werker, en hebben niet tot definitieve werkhervatting geleid, omdat appellant niet aan de functie-eisen kon voldoen. De conclusie van gedaagde dat appellant ten tijde hier van belang derhalve (ook) niet geschikt was voor een (bovenformatieve) functie op het niveau van zijn voormalige functie van bijstandsmaatschappelijk werker acht de Raad dan ook niet onjuist. In aanmerking genomen voorts dat appellant vanaf 2 december 1996 niet meer in staat werd geacht algemeen geaccepteerde arbeid te verrichten, acht de Raad evenals de rechtbank voldaan aan de in artikel 8:5, tweede lid, onder a en b, van de CAR/UWO gestelde voorwaarden.

4.2. Met betrekking tot de grief van appellant dat gedaagde onvoldoende reïntegratie-inspanningen zou hebben verricht overweegt de Raad het volgende. Na een lange periode van volledige afwezigheid wegens ziekte heeft gedaagde in overleg met de bedrijfsarts, uitgaande van de onder 1.1. genoemde voor appellant geldende medische beperkingen bij het verrichten van arbeid, de eerste proefplaatsing gerealiseerd. Appellant heeft hiermee ingestemd. Kort nadat deze werkzaam- heden waren beëindigd heeft de tweede proefplaatsing plaatsgevonden, wederom in overleg met de bedrijfsarts en met instemming van appellant. De Raad kan appellant niet volgen in zijn grief dat hem met deze twee plaatsingen niet een reële kans is geboden op reïntegratie. De stelling van appellant dat er ten tijde hier in geding andere, meer passende werkzaamheden beschikbaar waren is naar het oordeel van de Raad onvoldoende concreet onderbouwd. Ook is niet gebleken dat appellant in de gesprekken over de plaatsingen andere functies naar voren heeft gebracht. Gezien ook de onder 1.1. weergegeven aanzienlijke beperkingen van appellant voor het verrichten van arbeid, heeft gedaagde met deze plaatsingen naar het oordeel van de Raad voldaan aan de onder artikel 8:5, tweede lid, onder c, van de CAR/UWO gestelde verplichting om een zorgvuldig herplaatsingsonderzoek te verrichten.

4.3. Dat in de functie van appellant als bijstandsmaatschappelijk werker destijds sprake was van zodanig uitzonderlijke werkomstandigheden dat gedaagde in verband daarmee redelijkerwijs gehouden zou zijn bij de ontslagverlening financiële compensatie te bieden, is naar het oordeel van de Raad onvoldoende aannemelijk geworden. De stelling van appellant dat hij meermalen is mishandeld, is van de zijde van gedaagde weersproken en is door appellant niet gestaafd met enig bewijs.

4.4. Gezien hetgeen hiervoor is overwogen heeft de rechtbank het per 1 januari 1997 aan appellant gegeven ontslag terecht in stand gelaten.

4.5. Onder verwijzing naar hetgeen hiervoor onder 4.3. is overwogen is de Raad van oordeel dat er voor gedaagde geen gehoudenheid bestond om een suppletie op de arbeidsongeschiktheidsuitkering van appellant te verstrekken dan wel medische kosten te vergoeden.

4.6. Tot slot komt de Raad toe aan de afwijzing door gedaagde van de door appellant verlangde vergoeding van schade wegens de vernietiging van het besluit van 26 mei 1997. Nu het per 1 januari 1997 aan appellant verleende ontslag, blijkens hetgeen hiervoor is overwogen, in rechte stand houdt, resteert als schade slechts de wettelijke rente over het te laat betaalde salaris over de periode van 15 november 1996 tot en met 31 december 1996, welke inmiddels door gedaagde is vergoed. De Raad acht, in aanmerking genomen de aard van de onrechtmatigheid van het besluit van 26 mei 1997 en het daaraan voorafgaande ontslagbesluit, niet aannemelijk geworden dat appellant tengevolge van die onrechtmatigheid immateriële schade heeft ondervonden.

5. Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

6. De Raad acht tenslotte geen termen aanwezig tot toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. J.C.F. Talman als voorzitter en mr. A. Beuker-Tilstra en mr. K. Zeilemaker als leden, in tegenwoordigheid van R.E. Koerts als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2004.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) R.E. Koerts.