Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AP1229

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-05-2004
Datum publicatie
09-06-2004
Zaaknummer
03/2201 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontslag politie-ambtenaar. Heeft gedaagde zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat appellant zich schuldig heeft gemaakt aan ernstig plichtverzuim?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

03/2201 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Korpsbeheerder van de politieregio Fryslân, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant is op de daartoe bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 25 maart 2003, nr. 02/1126 AW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 15 april 2004, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door

mr. J.M. de Nooij, werkzaam bij advocatenkantoor Haarsma & Van Rossum te Groningen. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.T. Zwart, werkzaam bij de politieregio Fryslân.

II. MOTIVERING

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellant was vanaf 1977 werkzaam bij de politie, laatstelijk als logistiek medewerker bij de politieregio Fryslân.

1.2. Op 29 mei 2001 is appellant aangehouden en voorgeleid aan de officier van justitie in verband met een aangifte van ontuchtige handelingen in de jaren 1986 tot en met 1995 toen de aangeefster, buurmeisje van appellant, nog minderjarig was. Op dezelfde dag heeft een huiszoeking bij appellant plaatsgevonden waarbij verscheidene goederen zijn aangetroffen, afkomstig van de politieregio Fryslân. Het betrof hier onder meer overtollige gebruiksvoorwerpen die tijdens de MKZ-crisis door politiemedewerkers waren gebruikt, zoals kledingstukken en voedingsmiddelen, en verder onder meer schoenen, een wapenstok, een draagbare pc en een printer.

In verband hiermede heeft gedaagde appellant bij besluit van 27 augustus 2001 op grond van artikel 77, eerste lid, aanhef en onder j, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) met ingang van 1 september 2001 ontslagen wegens zeer ernstig plichtsverzuim. In dit besluit is overwogen dat tegen appellant proces-verbaal is opgemaakt ter zake van vermoedelijk door hem gepleegde zeden- en vermogensdelicten, waarbij het gaat om het meerdere malen plegen van ontuchtige handelingen en het hebben van vleselijke gemeenschap met een minderjarig meisje en het zich als werknemer wederrechtelijk toeëigenen van dienstgoederen.

1.3. Bij besluit van 9 september 2002 heeft gedaagde het bezwaar van appellant tegen het besluit van 27 augustus 2001 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 9 september 2002 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft in hoger beroep onder meer aangevoerd dat de rechtbank eenzijdig is afgegaan op de processen-verbaal en ten onrechte heeft aangenomen dat appellant zonder toestemming van het bevoegd gezag goederen naar huis heeft meegenomen. Bij de bij hem thuis aangetroffen goederen ging het voor een deel ook om goederen die waren bestemd om te worden afgevoerd, bij voorbeeld naar het Leger des Heils. Voorts is gesteld dat gedaagde op basis van nog slechts een vermoeden van schuld tot disciplinaire strafoplegging is overgegaan en daardoor op de stoel van de rechter is gaan zitten.

4.1. De Raad overweegt dat appellant blijkens ambtsedig opgemaakt proces-verbaal tijdens het hem op 4 juni 2001 afgenomen verhoor ten aanzien van een gedeelte van de hiervoor bedoelde goederen heeft erkend dat hij deze zonder toestemming vanwege zijn werkgever mee naar huis heeft genomen. Voorzover appellant omstandigheden heeft genoemd die dienen ter verklaring waarom hij deze goederen heeft meegenomen, hebben deze de Raad er geenszins van overtuigd dat geoordeeld dient te worden dat appellant die goederen niet wederrechtelijk onder zich heeft genomen en gehouden. Appellant heeft tijdens de verhoren bovendien erkend ontuchtige handelingen te hebben gepleegd met eerder bedoelde minderjarige. De niet van vermelding van bijzonderheden voorziene stelling van appellant dat hij tijdens de verhoren onder grote psychische druk is gezet die hem tot bekentenissen heeft gebracht, komt de Raad niet aannemelijk voor. Alle aanleiding bestaat om appellant te houden aan de eerste verklaringen die hij omtrent de tegen hem bestaande verdenkingen heeft afgelegd, immers op een moment waarop aan die verdenkingen nog geen gevolgen als hier aan de orde waren verbonden en appellant in zoverre meer onbevangen in het afleggen van verklaringen was te achten dan op (latere) momenten waarop die gevolgen wel al duidelijk waren geworden. Voor een gedeelte van de goederen heeft appellant verklaard dat hem door met name genoemde personen toestemming was gegeven deze goederen mee te nemen. Bedoelde personen hebben evenwel uitdrukkelijk ontkend dat appellant een dergelijke toestemming van hen had verkregen. De Raad tekent hierbij nog aan dat de rechtbank Leeuwarden appellant bij vonnis van 28 februari 2002 schuldig heeft geacht aan verduistering, terwijl volgens de rechtbank van strafuitsluitingsgronden niet was gebleken.

4.2. De Raad verwerpt het standpunt van appellant dat gedaagde ten tijde van het nemen van het ontslagbesluit ten onrechte "op de stoel van de rechter is gaan zitten". Gedaagde heeft, zoals van hem moest worden verwacht, aan de hand van via deugdelijk onderzoek verkregen gegevens de overtuiging gekregen dat appellant zich aan zeer ernstig en strafwaardig plichtsverzuim had schuldig gemaakt. Gedaagde is niet, in ieder geval niet alleen, afgegaan op een ernstig vermoeden van het begaan van strafbare feiten, maar hij beschikte over relevante verklaringen, onder meer de onder 4.1. bedoelde verklaringen van appellant zelf.

4.3. Gezien de appellant terecht verweten gedragingen is de Raad van oordeel dat gedaagde zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat appellant zich schuldig heeft gemaakt aan ernstig plichtverzuim. Appellant heeft dusdoende het vertrouwen dat in hem moest kunnen worden gesteld als bij de politie werkzame ambtenaar ernstig beschaamd. De Raad acht het bij het bestreden besluit gehandhaafde ontslagbesluit, gezien de aard en ernst van de gedragingen en de betekenis hiervan voor het functioneren van appellant binnen de politiedienst en de door gedaagde terecht gestelde eisen met betrekking tot betrouwbaarheid en integriteit van medewerkers van die dienst, niet onevenredig aan het gepleegde plichtsverzuim.

5. Hieruit volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten zodat moet worden beslist als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en mr. G.P.A.M. Garvelink-Jonkers en mr. J.Th. Wolleswinkel als leden, in tegenwoordigheid van A. de Gooijer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 19 mei 2004.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) A. de Gooijer.