Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AP1132

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-05-2004
Datum publicatie
08-06-2004
Zaaknummer
02/4896 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting. Is de belastbaarheid van betrokkene zodanig beperkt dat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid 80% of meer bedraagt?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

02/4896 WAO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 26 september 2001 heeft gedaagde ongegrond verklaard het bezwaar van appellant tegen zijn besluit van

29 maart 2001 waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid waarnaar de op grond van de Wet op de arbeidsonge- schiktheidsverzekering (WAO) aan appellant toegekende uitkering sinds 1 september 1996 is berekend, is gehandhaafd op 25-35%.

De rechtbank Maastricht heeft bij uitspraak van 12 augustus 2002, kenmerk Awb 01 / 1455 WAO, het beroep van appellant tegen het besluit van 26 september 2001 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft mr. H.E.G. Peters, advocaat te Geleen, namens appellant op bij beroepschrift van 17 september 2002 (met bijlagen) aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld.

Gedaagde heeft een verweerschrift, gedateerd 3 december 2002, ingediend.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad, gehouden op 26 maart 2004. Beiden partijen zijn - met kennisgeving - niet ter zitting verschenen.

II. MOTIVERING

Uit de gedingstukken blijkt dat appellant zich al jarenlang in medisch opzicht meer beperkt acht dan door gedaagde aangenomen. Pogingen van appellant om gedaagde te bewegen de WAO-uitkering aan hem op met name medische gronden naar een hogere mate van arbeidsongeschiktheid dan 25-35% vast te stellen, hebben niet het door hem gewenste resultaat gehad.

Op 18 januari 2001 heeft appellant zich (wederom) tot gedaagde gewend met een verzoek om een medische herbeoordeling. Naar aanleiding van dat verzoek is appellant op 5 februari 2001 op het spreekuur geweest van de verzekeringsarts K. Corten die hem bij brief van 8 maart 2001 heeft medegedeeld dat zij onvoldoende medische redenen heeft om een nieuw of gewijzigd standpunt ten aanzien van zijn arbeidsongeschiktheid in te nemen.

Los daarvan heeft gedaagde in verband met inkomsten van appellant uit het verrichten van arbeid in loondienst bij besluit van 2 februari 2001 wat de perioden 12 en 13 (van 2000) betreft en bij besluit van 29 maart 2001 wat periode 2 van 2001

(van 29 januari 2001 tot 25 februari 2001) betreft vastgesteld dat er geen redenen zijn om de hoogte en uitbetaling van de WAO-uitkering aan appellant te veranderen.

Tegen het besluit van 2 februari 2001 heeft appellant geen bezwaar gemaakt, maar tegen dat van 29 maart 2001 wel, te weten bij brief van 3 mei 2001.

In dat bezwaarschrift heeft appellant aangevoerd dat bij het besluit van 29 maart 2001 zijn verzoek om herziening van de mate van zijn arbeidsongeschiktheid en de hoogte van de WAO-uitkering is afgewezen, omdat daartoe naar de mening van gedaagde geen aanleiding bestaat, echter, ten onrechte - aldus voorts appellant - daar er sprake is van een zodanige toename van zowel lichamelijke als psychische klachten en beperkingen dat hij voor 80% of meer arbeidsongeschikt is.

Bij het bestreden besluit heeft gedaagde evenvermeld bezwaarschrift aangemerkt als te zijn gericht tegen de bij het besluit van 29 maart 2001 ongewijzigde voortzetting van de WAO-uitkering aan appellant naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25-35% in periode 2 van 2001. Daartoe heeft gedaagde in dat besluit allereerst onder verwijzing naar het bij dat besluit gevoegde rapport van de bezwaarverzekeringsarts geconcludeerd dat appellants beperkingen correct zijn vastgesteld en dat zijn medische toestand evenmin als zijn belastbaarheid is gewijzigd ten opzichte van de eerdere vaststelling. Vervolgens heeft gedaagde daarin, onder verwijzing naar art. 44 van de WAO, geconcludeerd dat de inkomsten van appellant in periode 2 van 2001 niet van invloed zijn op de mate van zijn arbeidsongeschiktheid.

Bij de aangevallen uitspraak is de rechtbank, na aandacht te hebben besteed aan de medische argumenten van beide partijen, gekomen tot de conclusie dat gedaagde terecht en op goede gronden heeft besloten dat appellants belastbaarheid niet is gewijzigd, zodat de mate van appellants arbeidsongeschiktheid onveranderd 25-35% bedraagt.

In hoger beroep heeft appellant betoogd dat zijn belastbaarheid zodanig is beperkt dat de mate van zijn arbeidsonge- schiktheid 80% of meer bedraagt.

De Raad overweegt het volgende.

Het bij brief van 3 mei 2001 ingediende bezwaarschrift is gericht tegen geen ander besluit dan dat van 29 maart 2001. Dat besluit houdt evenwel uitsluitend in de vaststelling dat de inkomsten van appellant in de periode van 29 januari 2001 tot

25 februari 2001 geen aanleiding vormen tot wijziging van de arbeidsongeschiktheidsklasse waarnaar de aan hem toegekende WAO-uitkering is vastgesteld.

In dat besluit zijn geen overwegingen gewijd aan verzekeringsgeneeskundige aspecten of andere arbeidskundige aspecten dan de mogelijke invloed van appellants inkomsten uit arbeid in een bepaalde periode op de hoogte van de WAO-uitkering aan hem. De Raad ziet dan ook geen mogelijkheid een andere conclusie te trekken dan dat appellants bezwaarschrift in wezen is gericht tegen een op dat moment nog niet genomen besluit op zijn verzoek om de WAO-uitkering aan hem te herzien en nader vast te stellen op een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of hoger, althans een hogere mate van arbeidsongeschiktheid dan 25-35%. Dit betekent dat bij het bestreden besluit appellant niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard in zijn bezwaar en dat, nu dit niet is gebeurd, dit besluit bij de aangevallen uitspraak had moeten worden vernietigd. Hieruit volgt dat de aangevallen uitspraak evenmin als het bestreden besluit in stand kan worden gelaten.

Onder de gegeven omstandigheden ziet de Raad voldoende aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zelf in de zaak te voorzien door appellant alsnog in zijn bezwaar tegen het besluit van gedaagde van 29 maart 2001 niet-ontvankelijk te verklaren en te bepalen dat zijn uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

Tot slot overweegt de Raad dat aanleiding bestaat tot veroordeling van gedaagde in de proceskosten met toepassing van artikel 8:75 van de Awb, welke kosten worden begroot op in totaal € 966,--, welk bedrag dient te worden betaald aan de griffier van de Raad, nu door appellant in beide rechterlijke instanties op basis van een toevoeging ingevolge de Wet op de rechtsbijstand is geprocedeerd, en tot bepaling dat het door appellant in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 111,-- door gedaagde aan appellant moet worden vergoed.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit alsnog gegrond en vernietigt dat besluit;

Verklaart voorts het bezwaar alsnog niet-ontvankelijk en bepaalt dat zijn uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het bestreden besluit;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 966,--, te betalen door het Uwv aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beide instanties betaalde recht van in totaal € 111,-- dient te vergoeden.

Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. J. Th. Wolleswinkel en mr. G.J.H. Doornewaard als leden, in tegenwoordigheid van drs. T.R.H. van Roekel als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 7 mei 2004.

(get.) J. Janssen.

(get.) T.R.H. van Roekel.