Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AP1071

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-05-2004
Datum publicatie
08-06-2004
Zaaknummer
02/248 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Is terecht geoordeeld dat appellante bij aanvang van haar verzekering op grond van de WAO reeds volledig arbeidsongeschikt was en is in redelijkheid gebruik gemaakt van de bevoegdheid WAO-uitkering te weigeren?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

02/248 WAO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoerings-organisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 18 september 2000 heeft gedaagde ongegrond verklaard het bezwaar van appellante tegen het besluit van 5 augustus 1999 waarbij gedaagde geweigerd heeft appellante met ingang van 6 september 1999 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen.

Bij uitspraak van 29 november 2001 heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch het beroep van appellante tegen het besluit van 18 september 2000 ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft appellante op bij aanvullend beroepschrift van 13 februari 2002 aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend, gedateerd 26 februari 2002.

Bij brief van 11 maart 2004 heeft appellante nog een stuk ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 26 maart 2004, waar appellante is verschenen bij mr. S.M.M. Teklenburg, advocaat te Eindhoven, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. M.W.H. Blind, werkzaam bij het Uwv.

II. MOTIVERING

Appellante heeft in de jaren 1970 tot 1979 gewerkt als serveerster. Vervolgens is zij tot in 1998 werkloos geweest. Naar aanleiding van haar sollicitatie naar de functie van assistent beheerder van het cultureel centrum De Mortel heeft appellante op 20 juli 1998 een gesprek gevoerd bij de Stichting Dienstverlening Welzijnswerk te Eindhoven. Nadat appellante voor deze functie was aangenomen, heeft zij op 11 en 20 augustus 1998 en 2 september 1998 gedurende de avonduren in deze functie gewerkt. Afgesproken werd verder dat zij vanaf 7 september 1998 gedurende 32 uur per week in genoemde functie werkzaam zou zijn, terzake waarvan een schriftelijke arbeidsovereenkomst is gesloten.

Tijdens haar werkzaamheden op 2 september 1998 kreeg appellante bij het sluiten van zware schuifdeuren pijn in de linker schouder en nek. In verband hiermede heeft zij zich op 7 september 1998 ziek gemeld.

In het kader van de beoordeling of appellante ingaande 6 september 1999 voor een uitkering krachtens de WAO in aanmerking kwam, is zij op 10 juni 1999 onderzocht door de verzekeringsarts L.P. Otto. Voorts is een onderzoek ingesteld door de arbeidsdes-kundige M. Buijssen.

Bij het bij het bestreden besluit gehandhaafde besluit van 5 augustus 1999 heeft gedaagde geweigerd appellante een arbeidsongeschiktheidsuitkering als hiervoor bedoeld toe te kennen. Daartoe is overwogen dat appellante bij aanvang van haar verzekering op grond van de WAO reeds volledig arbeidsongeschikt was in de zin van deze wet, hetgeen gedaagde aanleiding gaf in dit geval gebruik te maken van zijn bevoegdheid, neergelegd in artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a, van de WAO. Subsidiair heeft gedaagde gebruik gemaakt van de weigeringsgrond, vervat in het tweede lid van artikel 18 van de WAO en meer subsidiair van de weigeringsgrond van artikel 30, eerste lid, aanhef en onder b, van de WAO.

De rechtbank heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard, van oordeel zijnde dat gedaagde de WAO-uitkering reeds kon weigeren op de eerste door hem daarvoor gehanteerde grond. De rechtbank heeft hierbij overwogen dat de verzekering van appellante ingevolge de WAO eerst op 7 september 1998 is aangevangen, per welke datum zij in dienst trad van voormelde stichting. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat uit door de verzekeringsarts van de behandelend sector verkregen informatie blijkt dat er bij appellante in elk geval eind 1998 al sprake was van uitgebreide degeneratieve verschijnselen, welke niet van de ene op de andere dag kunnen zijn ontstaan. Naar het oordeel van de rechtbank is aannemelijk dat de uit deze verschijnselen voortvloeiende afwijkingen reeds geruime tijd voor 7 september 1998 aanwezig waren en heeft gedaagde daarom terecht aangenomen dat appellante reeds bij aanvang van haar verzekering krachtens de WAO geheel arbeidsongeschikt was.

Appellante heeft aangevoerd dat zij reeds per 11 augustus 1998 bij meergenoemde stichting in dienst is getreden. Met de stichting is namelijk volgens appellante niet afgesproken dat de werkzaamheden op de drie vóór 7 september 1998 gelegen dagen onbetaald zouden blijven. Derhalve was ook ten aanzien van die drie dagen sprake van loon en mitsdien van een privaatrechtelijke dienstbetrekking.

Appellante heeft verder naar voren gebracht dat de pijn in haar linker schouder en nek op 2 september 1998 plotseling is ontstaan. Voordien heeft zij zich nimmer met klachten op dit gebied tot enige arts gewend.

De Raad overweegt dat de stichting blijkens de gedingstukken van opvatting is dat de dienstbetrekking met appellante pas op 7 september 1998 een aanvang heeft genomen. Appellante stelde het zelf op prijs om op een drietal vóór deze datum gelegen avonden proef te draaien om te ervaren wat de desbetreffende werkzaamheden inhielden. Enig loon stond daar niet tegenover, aldus de stichting. Uit de brief van 13 november 1998 van de raadsman van de stichting aan de raadsman van appellante valt geenszins af te leiden dat de stichting zich naderhand op een ander standpunt heeft gesteld. Nu appellante ook in het geheel niet heeft aangetoond of aannemelijk gemaakt dat zij voor haar arbeid op de avonden van 11 en 20 augustus 1998 en 2 september 1998 loon heeft ontvangen of dat was afgesproken dat zij dit zou ontvangen, komt de Raad evenals gedaagde en de rechtbank tot het oordeel dat de dienstbetrekking van appellante met de stichting niet eerder dan op 7 september 1998 is ingegaan, hetgeen meebrengt dat ook haar verzekering ingevolge de WAO pas op deze datum is aangevangen.

De Raad is voorts van oordeel dat appellante op 7 september 1998 reeds als geheel arbeidsongeschikt was te beschouwen. De Raad wijst er in dit verband op dat appellante reeds op 5 augustus 1998 met hardnekkige klachten betreffende haar linker arm bij haar huisarts op het spreekuur is geweest. Uit het rapport van 14 oktober 1998 van de behandelend neuroloog W. Groeneveld meent de Raad te kunnen afleiden dat de pijnklachten van appellante in haar arm verband houden met de pijn in haar linker schouder. In dit rapport is bovendien vermeld dat deze laatste pijn volgens appellante toen "al meerdere maanden" bestond. Daarnaast is van belang dat in december 1998 uitgebreide degeneratieve veranderingen in de halswervelkolom met een duidelijke vernauwing van het neurale kanaal van appellante zijn geconstateerd. Het standpunt van de verzekeringsarts L.P. Otto dat bedoelde afwijkingen van medische aard al aanwezig waren op het moment waarop appellante met haar werkzaamheden begon, komt de Raad aannemelijk voor. Appellante is ook al op 2 september 1998 ten gevolge van het kennelijk bij wijze van proef verrichten van werkzaamheden in de betrokken functie uitgevallen, derhalve al vóór aanvang van de verzekering ingevolge de WAO.

Niet gebleken is van omstandigheden op grond waarvan moet worden geoordeeld dat gedaagde te dezen bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten gebruik te maken van zijn bevoegdheid, neergelegd in artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a, van de WAO.

Het vorenstaande brengt mee dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. J.Th. Wolleswinkel en mr. G.J.H. Doornewaard als leden, in tegenwoordigheid van drs. T.R.H. van Roekel als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 7 mei 2004.

(get.) J. Janssen.

(get.) T.R.H. van Roekel.

MH