Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AP0601

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-05-2004
Datum publicatie
07-06-2004
Zaaknummer
02/3683 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Is terecht besloten dat het tijdelijk ambtelijk dienstverband van betrokkene overeenkomstig artikel 88, eerste lid, van het Ambtenarenreglement van de gemeente Rotterdam (AR) op 17 oktober 2000 van rechtswege eindigt?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

02/3683 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant is op de daartoe bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 6 mei 2002, nr. AW 01/1720-LAME, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Desgevraagd hebben partijen nadere stukken ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 8 april 2004, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door

mr. V.M. Weski, advocaat te Rotterdam. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E. van Lunteren en

H.J. Poelman, beiden werkzaam bij de gemeente Rotterdam. Voorts is op verzoek van appellant als getuige gehoord

[naam getuige], werkzaam bij de gemeente Rotterdam.

II. MOTIVERING

1.1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

2.1. Bij besluit van 7 april 2000 is appellant door gedaagde aangesteld in de functie van "Leerling Fiscaalcontroleur" bij het [naam onderdeel] van de gemeente Rotterdam voor de periode van 17 april 2000 tot 17 oktober 2000, zijnde de periode waarin hij een opleiding tot fiscaal controleur diende te volgen. In dit verband is appellant medegedeeld dat hij, indien hij deze opleiding succesvol zou afsluiten, met ingang van 17 oktober 2000 wordt aangesteld in de functie van fiscaal controleur in tijdelijke dienst met een proeftijd tot uiterlijk 17 april 2002.

Bij besluit van 30 augustus 2000, zoals gewijzigd bij besluit van 11 oktober 2000, is appellant bericht dat zijn tijdelijk ambtelijk dienstverband overeenkomstig artikel 88, eerste lid, van het Ambtenarenreglement van de gemeente Rotterdam (AR) op 17 oktober 2000 van rechtswege eindigt. Daarbij is appellant medegedeeld dat zijn salaris nog tot 1 december 2000 wordt doorbetaald, gevolgd door een uitkering gedurende een half jaar.

2.2. Bij het bestreden besluit van 27 juni 2001, voorzover hier van belang, heeft gedaagde het bezwaar van appellant tegen de besluiten van 30 augustus 2000 en 11 oktober 2000 ongegrond verklaard onder overneming van de overwegingen van het door de Algemene Beroepscommissie terzake uitgebrachte advies. Deze overwegingen houden onder meer in dat lopende het opleidingstraject een oordeel is gevormd omtrent de vaardigheden van appellant, culminerend in een beoordeling op 28 augustus 2000 waarbij het functioneren van appellant op alle relevante aspecten als onvoldoende is gewaardeerd. Voor de commissie is, gelet op in het bijzonder de houding en het gedrag van appellant, komen vast te staan dat appellant in onvoldoende mate de geschiktheid heeft om de functie van fiscaal controleur te vervullen.

3. De rechtbank heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard.

4. Naar aanleiding van hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.

4.1. De Raad deelt niet het standpunt van appellant dat hier mede ter toetsing staat de op 28 augustus 2000 ten aanzien van appellant opgemaakte beoordeling. Dienaangaande wijst de Raad erop dat het door appellant ingediende bezwaarschrift van 9 oktober 2000 blijkens de aanhef en het slot ervan - en de bij het stuk gevoegde bijlage - uitsluitend is gericht tegen het besluit van 30 augustus 2000 betreffende de beƫindiging van de dienstbetrekking van appellant, welk besluit is gewijzigd bij het hiervoor onder 2.1. vermelde besluit van 11 oktober 2000 (ten aanzien waarvan in de bezwaarprocedure artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is toegepast). Weliswaar worden verderop in het bezwaarschrift enige inhoudelijke grieven tegen de beoordeling van 28 augustus 2000 ingebracht, doch dit brengt naar het oordeel van de Raad, anders dan appellant heeft gesteld, niet mee dat dit tevens als bezwaarschrift tegen de beoordeling dient te gelden, zeker nu dit bezwaarschrift is ingediend door een professionele rechtsbijstandverlener. Dit betekent dat deze beoordeling te dezen als een in rechte vaststaand gegeven dient te worden beschouwd en dat voor de Raad enkel ter beoordeling voorligt de impliciete weigering van gedaagde om per 17 oktober 2000 opnieuw enig dienstverband met appellant aan te gaan, als vervat in het bij het bestreden besluit gehandhaafde besluit van 30 augustus 2000, zoals gewijzigd bij besluit van 11 oktober 2000.

4.2. Naar vaste jurisprudentie van de Raad is de toetsing van een weigering als bedoeld een terughoudende. Gedaagde is slechts dan verplicht het dienstverband voort te zetten indien het niet verlengen daarvan in strijd zou komen met enige regel van geschreven of ongeschreven recht of algemeen rechtsbeginsel. In het onderhavige geval komt daar nog bij dat het dienstverband voor bepaalde tijd is aangegaan onder toepassing van artikel 13, tweede lid, onder c, van het AR, ingevolge welke bepaling - kort gezegd - een dienstbetrekking voor bepaalde tijd kan worden aangegaan met een leerling ter opleiding tot enig beroep dan wel in verband met verdere praktische opleiding of vorming. Bij gebreke van nadere in het AR gegeven criteria daaromtrent dient bij deze toetsing dan ook in het bijzonder de vraag te worden beantwoord of staande kan worden gehouden dat gedaagde redelijkerwijs niet tot het oordeel heeft kunnen komen dat appellant niet aan de door gedaagde in redelijkheid te stellen eisen en verwachtingen heeft voldaan. Gezien de beoordeling van 28 augustus 2000 welke hier niet ter discussie kan staan en welke in zeer overwegende mate negatieve scores vermeldt, kan de Raad deze vraag niet anders dan ontkennend beantwoorden. De Raad voegt hieraan nog toe dat hem, mede gelet op het verhandelde ter zitting, genoegzaam aannemelijk is geworden dat appellant gedurende het opleidingstraject geregeld door zijn begeleiders is voorgehouden dat zijn functioneren bepaald beneden de maat was, met name waar het ging om zijn houding en gedrag jegens het publiek en collega's. Hierdoor is appellant in de gelegenheid geweest om zijn gedrag in de door gedaagde gewenste zin te veranderen welke gelegenheid appellant niet heeft benut.

5. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. T. Hoogenboom als voorzitter en mr. J.Th. Wolleswinkel en mr. R. Kooper als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.J.W. Loots als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 19 mei 2004.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) P.J.W. Loots.