Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AP0595

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-05-2004
Datum publicatie
07-06-2004
Zaaknummer
02/2375 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aangevochten beoordeling politieagente. De toekenning van een B voor kwantiteit in dit geval niet op onvoldoende gronden berust, nu daarbij duidelijk is vermeld dat het minder positieve oordeel uitsluitend betrekking heeft op het te geringe aantal mulderfeiten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

02/2375 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Korpsbeheerder van de politieregio Amsterdam-Amstelland, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellante is op bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 12 maart 2002, nr. AWB 01-964 AW H V87 G17 K1, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 8 april 2004, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door

mr. W. de Klein, werkzaam bij de Nederlandse Politie Bond. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. Th. Tanja, werkzaam bij de politieregio Amsterdam-Amstelland.

II. MOTIVERING

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante is [rang] van politie ([functie]) in gedaagdes korps. In september 1999 is zij bevallen van een dochter. Vervolgens heeft zij zwangerschaps- en ouderschapsverlof genoten en onder meer stage gelopen bij het Bureau Sociale Jeugd- en Zedenpolitie.

1.2. Op 22 november 2000 is met appellante een beoordelingsgesprek gevoerd over de periode van oktober 1999 tot oktober 2000. Bij besluit van 29 januari 2001, na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit van 28 mei 2001, is de beoordeling vastgesteld.

1.3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante ongegrond verklaard.

2. Naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep is aangevoerd en uit de stukken naar voren is gekomen, overweegt de Raad als volgt.

2.1. Ingevolge artikel 71, tweede lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) wordt, met inachtneming van de door het bevoegd gezag ter zake vastgestelde regels, de ambtenaar die een aanvraag daartoe indient dan wel ten aanzien van wie dit door het bevoegd gezag nodig wordt geacht, de wijze beoordeeld waarop hij zijn functie vervult en zijn gedragingen tijdens de uitoefening van die functie. Aan de aanvraag van de ambtenaar om overeenkomstig dit lid te worden beoordeeld, wordt niet eerder voldaan dan na het verstrijken van één jaar sedert de vastlegging van de voorafgaande over hem uitgebrachte beoordeling.

2.2. In geschil is uitsluitend de beoordeling op het aspect "kwantiteit", dat ziet op de geleverde productie. Op dit onderdeel is appellante beoordeeld met een B (matig) met de aantekening "Produktie mulderfeiten dient aanzienlijk te worden verhoogd. Overige produktie naar behoren". Op alle overige voor haar van toepassing zijnde onderdelen is appellante beoordeeld met een C (voldoende) of met een D (goed).

2.2.1. Met de verwijzing naar "Produktie mulderfeiten" wordt gedoeld op de wijze waarop appellante uitvoering heeft gegeven aan het door gedaagde vastgestelde "Streetwise-beleid". Dit beleid is erop gericht de leefbaarheid van de openbare ruimte te bevorderen door verbaliserend op te treden tegen hinderlijke overtredingen. Ten tijde hier van belang gold voor alle betrokken korpsleden een norm van ten minste 300 zogenoemde mini-processen-verbaal (mini's) op jaarbasis, hetgeen neerkomt op ongeveer 1,5 per werkdag.

2.3. Vast staat dat appellante in de beoordelingsperiode slechts op 34 werkdagen reguliere diensten heeft gedraaid. Gedaagde heeft daaraan de conclusie verbonden dat appellante in dit tijdvak (34 x 1,5 =) 51 mini's had moeten produceren. Bij controle is echter gebleken dat zij slechts 13 mini's heeft uitgeschreven. Appellante stelt zich op het standpunt dat, mede gezien de bijzondere situatie waarin zij gedurende het jaar na haar bevalling verkeerde, de norm van 1,5 mini per werkdag niet onverkort op haar had mogen worden toegepast.

2.4. Ter ondersteuning van dit standpunt heeft appellante erop gewezen dat bij haar beoordeling toepassing is gegeven aan het Reglement Personeelsbeoordeling. Dit reglement is als dienstvoorschrift vastgesteld door de Korpschef van gedaagdes korps. Nu het niet is vastgesteld door het bevoegd gezag, te weten gedaagde zelf, kan het niet worden aangemerkt als een algemeen verbindend voorschrift. Er kan slechts sprake zijn van een beleidsregel, zodat de in artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bedoelde inherente afwijkingsbevoegdheid van toepassing is, aldus appellante.

2.4.1. Dit betoog kan niet leiden tot het daarmee door appellante beoogde gevolg. Het Reglement Personeelsbeoordeling behelst algemene regels van procedurele aard. Enige inhoudelijke normering met betrekking tot de van een ambtenaar te verwachten productie kan de Raad er niet in lezen.

2.4.2. De Raad merkt nog op dat, ook indien het Reglement Personeelsbeoordeling niet zou kunnen worden aangemerkt als door het bevoegd gezag vastgestelde regels in de zin van artikel 71, tweede lid, van het Barp, zulks niet afdoet aan de bevoegdheid van gedaagde tot het vaststellen van personeelsbeoordelingen als in dat artikellid bedoeld.

2.5. Appellante acht het onjuist dat de beoordeling is opgemaakt over een periode van een jaar, terwijl zij daarin slechts op 34 dagen feitelijk dienst heeft verricht. Gelet op dit laatste is naar haar mening evenmin voldaan aan de door gedaagde gehanteerde norm dat de beoordelaar ten minste drie maanden als chef moet hebben gefunctioneerd.

2.5.1. Ook hierin kan de Raad appellante niet volgen. Het uitgangspunt van gedaagde dat over een periode van ten minste één jaar wordt beoordeeld, houdt niet in dat gedurende die gehele periode op reguliere wijze moet zijn gewerkt. Hetzelfde geldt voor het functioneren als chef gedurende ten minste drie maanden. Als vaststaand moet voorts worden aangenomen dat appellante jarenlang heeft gewerkt onder leiding van degene die als beoordelaar is opgetreden.

2.6. Evenzeer faalt de stelling van appellante dat gedaagde bij het vaststellen van haar productie ten onrechte gebruik heeft gemaakt van het geautomatiseerde systeem waarin de gegevens van de uitgeschreven processen-verbaal zijn opgenomen. De Raad acht niet zonder meer aannemelijk dat hier sprake is van (een regeling inzake) voorzieningen die gericht zijn op of geschikt zijn voor waarneming van of controle op prestaties van de in de onderneming werkzame personen, waarvoor ingevolge artikel 27, eerste lid, aanhef en onder l, van de Wet op de ondernemingsraden de instemming van de onder- nemingsraad is vereist. Zou dit wel het geval zijn, dan betekent schending van die norm jegens de ondernemingsraad nog niet dat het op deze - voor de hand liggende - wijze tellen van de geproduceerde mini's jegens appellante onrechtmatig verkregen bewijsmateriaal oplevert. Overigens is door appellante niet betwist dat zij in de beoordelingsperiode slechts

13 mini's heeft uitgeschreven.

2.7. De in het kader van het Streetwise-beleid gestelde norm van gemiddeld 1,5 mini per werkdag acht de Raad op zichzelf niet onredelijk. Aannemelijk is geworden dat deze norm voor een regulier dienstdoende (hoofd)agent zonder moeite is te halen. Dat het politiewerk meer aspecten omvat dan alleen het uitschrijven van bekeuringen, zoals appellante heeft aangevoerd, is door gedaagde wel degelijk onderkend. Gedaagde heeft echter, vanuit zijn positie als bevoegd gezag, het halen van de Streetwise-norm als prioriteit gesteld en daarmee de grenzen van een rechtens aanvaardbare beleidsbepaling niet overschreden.

2.8. Met de bijzondere omstandigheden waarin appellante verkeerde, heeft gedaagde rekening gehouden door de Streetwise-norm toe te passen naar evenredigheid van het aantal dagen gedurende welke appellante reguliere dienst heeft verricht. Tot een verdergaande tegemoetkoming was gedaagde naar het oordeel van de Raad niet gehouden. Daarbij is van belang dat reeds bij het vaststellen van de Streetwise-norm rekening is gehouden met de wisselende omstandigheden die zich in de dagelijkse praktijk plegen voor te doen en die de mogelijkheid om mini's uit te schrijven in positieve dan wel in negatieve zin beïnvloeden. Voor de Raad is niet aannemelijk geworden dat het totaal van 34 gewerkte dagen onvoldoende representatief is om daarop de conclusie te baseren dat appellante te kort is geschoten. Daarbij heeft de Raad mede in aanmerking genomen dat appellante - met 13 in plaats van 51 mini's - zelfs niet in de buurt van de norm is gekomen.

2.9. Dat gedaagde het belang van de Streetwise-norm onvoldoende heeft benadrukt, kan op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting niet worden staande gehouden. Aan Streetwise is binnen het korps uitvoerig aandacht besteed. Bovendien is appellante er door haar chef bij e-mail van 24 mei 2000 op gewezen dat zij te weinig mulderfeiten had en moest proberen hieraan meer prioriteit te geven omdat het voor een beoordeling consequenties zou kunnen hebben.

2.10. De Raad komt tot de slotsom dat de toekenning van een B voor kwantiteit in dit geval niet op onvoldoende gronden berust, nu daarbij duidelijk is vermeld dat het minder positieve oordeel uitsluitend betrekking heeft op het te geringe aantal mulderfeiten.

2.11. Het beroep dat appellante heeft gedaan op het gelijkheidsbeginsel, is door gedaagde voldoende weerlegd. Voorzover al sprake is van toekenning van een B, zijn de door appellante genoemde gevallen rechtens niet op één lijn te stellen met het hare.

2.12. Het bestreden besluit houdt derhalve in rechte stand en de aangevallen uitspraak komt in aanmerking om te worden bevestigd.

3. Voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Awb bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. T. Hoogenboom als voorzitter en mr. J.Th. Wolleswinkel en mr. R. Kooper als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.J.W. Loots als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 19 mei 2004.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) P.J.W. Loots.