Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AP0552

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-05-2004
Datum publicatie
03-06-2004
Zaaknummer
03/18 AKW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen pleegkind. Exclusiviteitsvereiste: wel de feitelijke (materiële) verzorging, maar niet de opvoeding in de plaats van de moeder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

03/18 AKW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], Turkije, appellante,

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent gedaagde de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.

Appellante heeft op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 21 november 2002, nummer AWB 01/2640 AKW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad gehouden op 9 april 2004, waar appellante niet is verschenen en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. P.C.J. van de Nes, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.

II. MOTIVERING

Appellante heeft op 23 februari 2000 een aanvraag om kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) ingediend ten behoeve van haar kleinkind Muhammed, geboren [in] 1998. Door appellante is verklaard dat haar zoon Ceyhan, de vader van Muhammed, zijn echtgenote en vier kinderen enkele jaren geleden heeft verlaten waardoor het gezin niet meer beschikte over financiële middelen. Om haar achtergebleven schoondochter en de kinderen te helpen ondersteunt appellante hen financieel en heeft zij sedert eind 1998 de zorg voor het jongste kind Muhammed op zich genomen. Muhammed woont bij appellante en wordt volledig door haar onderhouden. De moeder van Muhammed woont met de overige kinderen in hetzelfde dorp als appellante.

Bij beslissing op bezwaar van 25 juni 2001, heeft gedaagde zijn primaire besluit van 8 juni 2000 gehandhaafd, waarbij geweigerd is over het eerste kwartaal van 1999 tot en met het tweede kwartaal van 2000 kinderbijslag aan appellante toe te kennen ten behoeve van haar kleinkind Muhammed omdat hij niet als pleegkind in de zin van de AKW aangemerkt kan worden. Gedaagde heeft hiertoe onder meer overwogen dat niet gebleken is dat de juridische verantwoordelijkheid over Muhammed bij appellante berust en dat er gezien alle overige omstandigheden geen nauwe, exclusieve relatie tussen appellante en haar kleinzoon bestaat, omdat de natuurlijke moeder nog in leven is en zij niet alleen theoretisch maar ook praktisch bevoegd en in staat is belangrijke beslissingen te nemen, zodat niet voldaan is aan de opvoedingseis. Voorts heeft gedaagde overwogen dat appellante tot 1 januari 2000 verzekerd was voor de volksverzekeringen omdat zij een uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet ontving, doch dat zij op grond van artikel 27 van het Koninklijk Besluit van 24 december 1998, Stb. 1998, 746 vanaf het eerste kwartaal van 2000 niet meer als verzekerd voor de AKW is aan te merken.

De rechtbank heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard, daarbij het standpunt van gedaagde onderschrijvend.

In beroep en in hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat zij recht heeft op kinderbijslag voor haar kleinkind Muhammed omdat hij bij haar woont en zij hem volledig onderhoudt.

Het gaat in het onderhavige geding om de vraag of gedaagde bij het bestreden besluit terecht aan appellante kinderbijslag heeft ontzegd over het eerste kwartaal van 1999 tot en met het tweede kwartaal van 2000 op de grond dat Muhammed niet kan worden aangemerkt als een pleegkind in de zin van de AKW.

De Raad heeft reeds meermalen geoordeeld dat een verzekerde slechts dan geacht kan worden een kind als een eigen kind op te voeden -hetgeen een vereiste is om dat kind als pleegkind aan te merken- indien de verzekerde, met betrekking tot de opvoeding van het kind, de plaats inneemt van de ouder(s) van dat kind en er in dat opzicht tussen de verzekerde en het kind een verhouding bestaat als die van een ouder met een eigen kind. De opvoedingseis dient daarbij daadwerkelijk gestalte te krijgen, hetgeen tot uitdrukking dient te komen in een nauwe exclusieve (opvoedings)relatie tussen de verzekerde en het betrokken kind. Daarvan kan, in gevallen waarin het juridisch gezag over de kinderen (nog) niet rust bij de pleegouders, eerst gesproken worden wanneer de verhouding tussen pleegouder en pleegkind in zekere mate een duurzaam en bestendig karakter draagt.

De Raad is van oordeel dat, in de in dit geding aan de orde zijnde kwartalen, tussen appellante en Muhammed een nauwe en exclusieve relatie als hiervoor bedoeld niet bestond. Daarbij heeft de Raad in aanmerking genomen dat blijkens de door appellante verstrekte informatie wel de feitelijke (materiële) verzorging van Muhammed aan haar was overgelaten doch dat niet kan worden gezegd dat appellante met betrekking tot de opvoeding de plaats van de moeder van Muhammed had ingenomen, zodat niet aan het exclusiviteitsvereiste is voldaan. Op die grond kan niet worden gezegd dat in de aan de orde zijnde kwartalen Muhammed kan worden aangemerkt als een pleegkind van appellante als bedoeld in artikel 7, elfde lid, van de AKW.

Daaruit volgt tevens dat appellante vanaf het eerste kwartaal van 2000 niet meer verzekerd was voor de AKW en zij reeds om die reden geen aanspraak meer zou hebben gehad op kinderbijslag vanaf dat kwartaal. De Raad verwijst kortheidshalve naar de overwegingen in de uitspraak van de rechtbank terzake, welke de Raad tot de zijne maakt.

Ten aanzien van het beroep dat appellante heeft gedaan op het gelijkheidsbeginsel merkt de Raad op dat het door appellante terzake gestelde onvoldoende feitelijk is onderbouwd en derhalve niet tot een ander oordeel kan leiden.

Uit het voorgaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen als voorzitter en mr. M.M. van der Kade en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.F. van Moorst als griffier en uitgesproken in het openbaar op 14 mei 2004.

(get.) H. van Leeuwen.

(get.) M.F. van Moorst.